Het gevaar van een te ruime definitie: waarom artikel 44bis Sr een causale eis mist
Naam: Norvhille Waterval
E-mail:
Studentennummer: 15472310
Mastertrack: Strafrecht
Aantal woorden: 1543
Datum: 24 oktober 2025
, 1. Inleiding
“Of gevolgd door gedragingen die haat tegen of discriminatie van een groep mensen tot uitdrukking
brengen.1 Deze ogenschijnlijke technische bepaling in artikel 44bis Sr vormt het hart van een
fundamentele spanning in de Nederlandse strafrechtelijke aanpak van haatmisdrijven. Enerzijds een
onmiskenbare maatschappelijke behoefte aan een krachtige aanpak van discriminatoir geweld,2 anderzijds
riskeert de wetgever met deze formulering de normatieve grondslag onder deze aanpak te ondermijnen.3
Waar de cijfers over femicide en stijgende discriminatiezaken – in 2023 registreerde de politie 5.884
discriminatie-incidenten4 - een helder signaal afgeven dat het strafrecht haar rol moet vervullen, dreigt een
cruciale conceptuele onscherpte deze rol te corrumperen nog voordat zij goed is vervuld.5 Dit roept de
belangrijke vraag op of de voorgestelde strafverzwaringsgrond in artikel 44bis Sr recht doet aan zowel de
maatschappelijke behoefte aan een effectieve aanpak van haatmisdrijven als aan de strafrechtelijke
beginselen van rechtszekerheid en individuele verwijtbaarheid, gegeven het ontbreken van een causale eis
tussen gronddelict en discriminerende gedraging?
In deze paper verdedig ik mijn standpunt dat de huidige formulering van artikel 44bis Sr, met name het
ontbreken van een causaal verband tussen het gronddelict en de discriminerende gedraging, een
fundamenteel gebrek vertoont. Dit gebrek ondermijnt de rechtvaardigheid voor strafverzwaring en schept
rechtsonzekerheid in de praktijk. Derhalve dient de wetgever, na een kritische evaluatie van de eerste
rechtstoepassing, een wetswijziging voor te bereiden.
2. Een conceptuele breuk met de ratio van haatmisdrijven
De rechtvaardiging voor het zwaarder straffen van haatmisdrijven rust op twee pijlers: het Culpable
Mental State-argument (de grotere morele verwijtbaarheid van de dader) en het Greater Harm-argument
(de extra schade voor slachtoffer en gemeenschap).6 Beide argumenten vereisen een intrinsiek verband
tussen het vooroordeel en het gepleegde delict. Het vooroordeel moet een drijfveer zijn geweest voor de
daad, of de daad moet op een manier zijn gepleegd die de schade vergroot. Deze tweedeling wordt in de
Nederlandse literatuur onderschreven.7
Het probleem met de formulering “gevolgd door” is dat zij een louter temporeel verband toestaat, zonder
dat een causaal of motivationeel verband is vereist. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarin iemand
wordt veroordeeld voor een vechtpartij die geheel los stond van enig vooroordeel, en pas uren later
discriminerende opmerkingen maakt.
1
Kamerstukken II 2023/24, 35 709, nr. 6, p. 1.
2
Openbaar Ministerie, Strafbare Discriminatie in Beeld 2024, 2024, p. .
3
Hellemons & Levie 2023, p. 161.
4
Politie, Discriminatiecijfers 2023, 2024, p. 4.
5
Hellemons e.a., 2024, p. 198.
6
Hellemons & Levie 2023, p. 161.
7
Ten Voorde 2021, p. 198-200.