Psychologie
1.Inleiding
1.1. Wat is ontwikkelingspsychologie?
Psychologie = studie van menselijk gedrag, extern (bv. agressief gedrag) + intern
(bv. denken, voelen), heeft verschillende onderverdelingen
Ontwikkelingspsychologie = studie van gedrag doorheen verschillende levensfasen v/d mens, van baby tot
adolescent
Levenslooppsychologie = studie van gedrag (groei en verandering) doorheen verschillende levensfasen v/d mens, tot
in de ouderdom
1.2. Theoretische moddellen i/d ontwikkelingspsychologie
1.2.1.Fase- of discontinue therorieën
- Inzichtelijker, beter hanteerbaar
- 3 bekendste statiumtheorieën
Ontwikkelingstheorie van Sigmund Freud
- Grotendeels verlaten tot op vandaag
Cognitieve ontwikkelingstheorie van Jean Piaget
- In grote lijnen correct
- Niet wetenschappelijk
- Onderschatte de vermogens van kinderen
- Gebaseerd op Westerse kinderen
Psycho-sociale identiteitstheorie van Erikson (nog vaak gebruikt)
- Globaal/mooi overzicht over psychosociale uitdagingen van elke levensfase
- Kritiek: theorie is vrij vaag
1.2.1.1. Ontwikkelingstheorie van Sigmund Freud (bijzaak)
Ontwikkelingsfase + leeftijd Belangrijke kenmerken
Orale fase - Orale bevrediging door zuigen, eten, bewegen v/d lippen,
(Geboorte – 12 à 18 bijten
maanden)
Anale fase - Anale lustvorming door opghouden/loslaten van
(12 à 18 maanden – 3 jaar) stoelgang
- Leren omgaan met controle door anderen
(zindelijkheidstraining)
Fallische fase - Interesse in geslachtsdelen
(3 jaar – 5 à 6 jaar) - Omgaan met oedipuscomplex = verliefd zijn op de ouder
v/h andere geslacht + ouder van hetzelfde geslacht als
concurent zien
- Uiteindelijk resultaat: identificatie met de ouder van
hetzelfde geslacht
Latentiefase (5 à 6 - Seksualiteit voor een groot deel op de achtergrond
jaar – adolescentie)
Genitale fase (adolescentie – - Heropleving v/h libido onder de vorm van volwassen
volwassenheid) seksuele relaties
1
, lOMoARcPSD|59965416
1.2.1.2. Cognitieve onwikkelingstheorie van Jean Piaget
Ontwikkelingsfase + leeftijd Belangrijke kenmerken
Sensomotorische stadium - Kennis verkrijgen door zintuigelijke ervaringen, motorisch handelen
(0 jaar – 2 jaar) Weinig tot geen vermogen om te denken of dingen symbolisch
- weergeven
Pre-operationele satium (2 jaar – - Kunnen nadenken (mentaal representeren)
6 jaar) - Nog geen logische denkprocessen
(denkfouten)
Concreet operationele stadium - Logisch/systematisch kunnen denken met concrete inhouden
(6 jaar – 12 jaar) (beheerst conversatie, reversibiliteit, logica)
Formeel operationele stadium - Logisch redeneren (verbanden zien/begrijpen) Abstract denken
(12 jaar – 16 jaar) - (denken komt los v/h concrete)
1.2.1.3. Psycho-sociale identiteitstheorie van Erikson
Ontwikkelingsfase Omschrijving conflict Toelichting
+ leeftijd
Geboorte – 12 à Vertrouwen VS - Positief: vertrouwen dankzij steun v/d omgeving
18 maanden wantrouwen
- Negatief: angst voor anderen, zorgen voor anderen
12 à 18 maanden Autonomie VS - Positief: onafhankelijkheid tgv stimuleren experimenteren
– 3 jaar schaamte en twijfel
3 jaar – 5 à 6 Initiatief VS - Positief: ontdekken van manieren om gandelingen in gang te
jaar schuldgevoel zetten
- Negatief: schuldgevoel over daden/gedachten
5 à 6 jaar – Ijver VS - Positief: groeiend besef van competenties
adolescentie minderwaardigh eid Negatief: onvermogen om passende rollen i/h leven te
- herkennen
Adolescentie Identiteit VS - Positief: bewustzijn van eigen uniekheid, weten weke rol te
identiteitsverwar ring vervullen
- Negatief: onvermogen om passende rollen i/h leven te
herkennen
Eerste Itimiteit VS isolement - Positief: ontwikkeling van liefdevolle seksuele relaties, hechte
volwassenheid vriendschappen
- Negatief: angst voor relaties met anderen
Volwassenheid Generativiteit VS - Positief: gevoel bij te dragen aan continuïteit v/h leven
stagnatie
- Negatief: bagatelliseren van eigen activiteiten
Rijpheid Ego-integriteit - Positief: gevoel van eenheid in wat men i/h leven heeft
VS wanhoop bereikt
2
, lOMoARcPSD|59965416
- Negatief: spijt van gemiste kansen
1.2.2.Andere modellen
- Beste benadering van de werkelijkheid
- Bekendste theorieën
o Sociaal-culturele theorie van Lev Vygotski
Cognitieve ontwikkeling door sociale interaties tussen leden v/e cultuur
Leren wat belangrijk is in samenleving/wereld, meer en meer begrijpen
Scaffolding = bevorderen van leren, stimuleren vanuit de zonde van naaste ontwikkeling
o Informatieverwerkingstheorie
• Cognitieve ontwikkeling beschreven naar analogie met PC
• Kennis steeds uitbreidenm processen verfijnen en worden efficiënter
o Neuropsychologische invalshoek/theorie
• Inzichten over ontwikkeling via ontrafelen van hersenprocessen
1.3.Invloeden op ontwikkeling
we worden beinvloedt door verschillende soorten factoren:
• Universele invloeden
• Gemeenschappelijke genetische invloeden
• De gedragsveranderingen in elke levensfase die alle mensen voorkomen.
• Rijping van motoriek en cognitieve functies, de ontwikkeling van hechting in de vroege kindertijd of de
ontwikkeling van het vermogen tot taalverwing.
• Normatieve invloeden (of gemeenschappelijke factoren)
• Historisch bepaalde invloeden (gedeelde factoren door mensen die in bepaalde historische periode geboren zijn)
cohorteffecten = bij mensen die rond zelfde tijd/plek zijn geboren bv. meemaken wereldoorlog, coronapandemie
• Sociaal-culturele invloeden =gedeelde factoren binnen sociale/culturele groep
bv. autonomie tijdens adolescentie in westerse samenlevingen
Unieke ervaringen = niet gedeelde gebeurtenissen binnen bevolkingsgroep
bv. opvoeding, soort school, omgeving waarin opgroeien, verlieservaring, pesten
1.4.Enkele onderzoeksmethoden i/d ontwikkelingspsychologie
Longitudinaal onderzoek
- Verschillende meetmomenten
- Zelfde groep mensen
- Nadeel
o Tijdsintensief
o Onhaalbaar
Cross-sectioneel of dwarsdoorsnedeonderzoek
- 1 meetmoment
- Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
- Nadeel
o Cohorteffecten = verschillen in gedrag, opvattingen of eigenschappen tussen groepen mensen die zijn
ontstaan door gemeenschappelijke historische, sociale of culturele ervaringen
o Mensen die ouder zijn hebben vaak minder motivatie en minder ervaring
Cross-sequentieel onderzoek (combi van beide onderzoeken)
- Verschillende meetmomenten
- Mensen van verschillende leeftijdscategorieën
- Zo kan je veranderingen tussen zien tussen zowel individuen als verschillen tussen leeftijdsgroepen
- Voordeel
3