Niveau: mix gemiddeld/lastiger
HBO Associate degree Accountancy - 2 jaar
2026/2027
Tijd: 13:00 uur - 14:30 uur
Dit examen bestaat uit 9 pagina’s.
De opbouw van het examen is als volgt:
- 40 meerkeuzevragen (maximaal 40 punten)
Heeft u minimaal 28 vragen correct beantwoord, dan heeft u een voldoende behaald. De
antwoorden dienen ingevuld te worden op bijgevoegd examenpapier.
Schrijf duidelijk leesbaar.
Toegestane hulpmiddelen
- Geen
Wij wensen u veel succes!
,Examenresultaat
Totaal aantal vragen: 40
Heeft u ≤ 27 vragen correct beantwoord, dan heeft u een onvoldoende behaald. Heeft u ≥ 28 vragen correct beantwoord,
dan heeft u een voldoende behaald.
De uitslag van uw examen wordt uitsluitend bekendgemaakt via e-Connect.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op welke wijze dan ook zonder
voorafgaande toestemming van NCOI Opleidingsgroep.
, Meerkeuzevragen (40 punten)
De antwoorden dienen ingevuld te worden op bijgevoegd examenpapier.
Vermeld het meest juiste antwoord. Voor een correct antwoord:
1 punt.
Hoofdstuk 1 – Financial Accounting
Vraag 1
Een onderneming koopt op 1 oktober een machine voor €48.000. De economische levensduur bedraagt 5 jaar en de
restwaarde is €3.000. De onderneming schrijft lineair af. Welke afschrijvingslast hoort bij het boekjaar waarin de
machine op 1 oktober in gebruik wordt genomen?
A. €9.000
B. €2.250
C. €3.750
D. €4.500
Vraag 2
Een onderneming heeft aan het einde van het boekjaar een voorraad goederen van €120.000 tegen historische
kostprijs. Door een daling van de verkoopprijzen kan de onderneming de voorraad nog slechts voor €108.000
verkopen. De verwachte verkoopkosten bedragen €5.000. Welke waardering is vanuit het voorzichtigheidsbeginsel
het meest juist?
A. €103.000
B. €108.000
C. €115.000
D. €120.000
Vraag 3
Een onderneming ontvangt op 1 december €24.000 voor een onderhoudscontract dat betrekking heeft op de periode
december tot en met november van het volgende jaar. De volledige €24.000 wordt bij ontvangst als omzet geboekt.
Welke correctie is op 31 december noodzakelijk?
A. €22.000 als nog te ontvangen omzet opnemen
B. €22.000 als vooruitontvangen bedrag/passief opnemen
C. €2.000 als vooruitbetaalde kosten opnemen
D. €2.000 extra omzet opnemen
, Vraag 4
Een onderneming heeft een current ratio van 1,4. Vervolgens betaalt zij een kortlopende schuld volledig met haar
bankrekening. Welke ontwikkeling is dan het meest waarschijnlijk?
A. De current ratio stijgt altijd
B. De current ratio blijft exact gelijk
C. De current ratio daalt altijd naar 1,0
D. De current ratio kan stijgen wanneer de verhouding vóór betaling boven 1 ligt
Hoofdstuk 2 – Data science en onderzoek
Vraag 5
Een student onderzoekt of het aantal uren dat studenten besteden aan oefenopgaven samenhangt met hun
tentamencijfer. Hij verzamelt gegevens van 500 studenten. De correlatie tussen beide variabelen is 0,72. Welke
conclusie is methodologisch het meest verantwoord?
A. Meer oefenen veroorzaakt een hoger tentamencijfer
B. Er is een sterke positieve samenhang, maar causaliteit kan niet zonder meer worden vastgesteld
C. 72% van de studenten haalt door oefenen een hoger cijfer
D. De onderzoeksresultaten bewijzen dat oefenen de belangrijkste oorzaak van het cijfer is
Vraag 6
Een dataset bevat de volgende jaarlijkse omzetten van vijf ondernemingen: €50.000, €52.000, €55.000, €57.000 en
€500.000. Welke maatstaf geeft in deze situatie waarschijnlijk de meest representatieve indruk van de typische
omzet?
A. De mediaan
B. Het gemiddelde
C. De variantie
D. De standaarddeviatie
Vraag 7
Een accountant ontwikkelt een voorspellend model om ondernemingen met een verhoogd risico op
betalingsproblemen te identificeren. Het model markeert vrijwel alle ondernemingen met betalingsproblemen
correct, maar markeert daarnaast ook veel financieel gezonde ondernemingen als risicovol. Welke uitspraak past
hierbij?
A. Het model heeft een hoge specificiteit en lage sensitiviteit
B. Het model heeft zowel een hoge sensitiviteit als een hoge specificiteit
C. Het model heeft een hoge sensitiviteit, maar een relatief lage specificiteit
D. Het model heeft een lage sensitiviteit en hoge specificiteit
Hoofdstuk 3 – Professionalisering fase 1
Vraag 8
Een beginnend accountant ontdekt dat een ervaren collega een controlebevinding bewust niet in het dossier heeft
opgenomen omdat deze bevinding mogelijk tot discussie met de klant kan leiden. Wat is vanuit professioneel
handelen de meest juiste eerste reactie?
A. De bevinding negeren omdat de ervaren collega verantwoordelijk is
B. De bevinding zelf verwijderen uit eventuele werkdocumenten
C. Alleen de klant informeren en de collega buiten beschouwing laten
D. De kwestie bespreekbaar maken en zorgen dat de relevante bevinding correct wordt vastgelegd en geëscaleerd