PMO leerdoelen dt 1
Growth
• Growth of flowering plants: groei vind plaats door celdeling, morfogenese en cel
elongatie. Celdeling door meristeem, cel elongatie doordat expansines
microbrillen hoeveelheid mindert in celwand van cel die moet elongeren
waardoor de celwand minder hard is en de celwand/cel kan elongeren door
opname van water in de vacuole.
• Growth phases: ?
• Relative growth rate: dit laat de relatieve groei van een plant ten opzichte van zijn
startgewicht zien. Te berekenen met de formule: RGR = 1/M x dM/dt
• Factors determining RGR: ULR (blad efficiëntie, hoeveel biomassa produceert het
blad? Beïnvloed door de PSa → hoge ULR = hoge PSa), LAR (massapercentage
blad van een plant → hoge LAR = meer fotosynthese = hogere RGR), LMF
(bladmassa/massa plant → hoge LMF = meer blad = hoge LAR = hogere RGR),
SLA (bladopp./bladgewicht → hoge SLA = dunner blad = meer fotosynthese =
hogere LAR/RGR en lage SLA = dikker blad).
• Are able to explain what morphogenesis is and what factors influence this:
morfogenese = het proces waarbij weefsels en organen hun uiteindelijke vorm
krijgen en hun plaatsing wordt gedetermineerd. Factoren die dit beïnvloeden zijn
bijvoorbeeld: licht, naburige planten, nutriënten beschikbaarheid
• What growth is and underlying mechanisms
o Cell division
o Cell elongation
• Genetic and environmental control of flowering
o ABC model: verschillende genen beïnvloeden de groei van verschillende
onderdelen van een bloem → kelkblad: A, kroonblad: A + B, meeldraad: B
+ C, stamper: C. nooit A en C samen want deze onderdrukken elkaar.
• Are able to explain different reproduction strategies in flowering plants: door
bestuivers, door herbivoren, door te plakken aan de vacht van herbivoren, door
water/wind.
Structure
• Cell types
, • Tissue types: protoderm (epidermis), grondweefsel en vasculair weefsel
(vasculaire bundels).
• Meristems (including different types and their functions): apicaal meristeem:
zorgt voor primaire groei (lengte groei) en bevindt zich in de wortel en scheut
topjes. Lateraal meristeem: zorgt voor secundaire groei (dikte groei) en bestaat uit
vasculair cambium (toevoeging xyleem en floeëm) en krukcambium (verhard de
epidermis) → verbreedt de diameter van stam en wortels in houtachtige planten.
• Structure of leaf, stem and root: wortel: protoderm (vormt epidermis),
grondweefsel (vormt cortex) en procambium ( vormt vasculair bundel). Binnen in
cortex zitten bandjes van Caspari en endodermis die de toelating van water en
nutriënten reguleert. Stengel: epidermis met cuticula en stomata, grondweefsel
(parenchymcellen, colenchymcellen (jongere gedeelte) en sclerenchymcellen
(oudere gedeelte), vasculaire bundels. Bevat axillary buds en nodes. Blad:
epidermis met cuticula en stomata, grondweefsel vormt mesofyl (palisade
mesofyl: bovenkant blad en bevat chlorofyl (voor fotosynthese), sponsachtig
mesofyl: onderkant blad en bevat luchtkamers (voor gasuitwisseling)), nerven
omringt door bundelschede.
• Structure of seedlings (including function)
o Differences between mono- and dicots: dicotielen bevatten 2 cotyledons
die het endosperm hebben opgenomen. Monocotielen bevatten 1
cotyledon met een nog intact endosperm.
Photosynthesis
• Light reaction: fotonen splitsen H2O af waardoor elektron vrijkomt in PS II die
wordt geactiveerd en door de transportketen loopt → H+ gradiënt opbouwen. Bij
elektronen acceptor in PS I wordt opnieuw elektron geactiveerd door fotonen en
doorloopt laatste stukje van transportketen. Aan einde transportketen zit ATP-
synthase en NADP+-reductase die H+ gradiënt gebruiken voor aanmaakt ATP en
NADPH.
• Dark reaction: rubisco legt CO2 vast en zet dit om naar PGA wat vervolgens m.b.v.
2 ATP en 2 NADPH wordt omgezet in 2 G3P. 1/3 van deze G3P verlaat de cyclus en
de rest wordt omgezet tot rubisco. Cyclus moet dus 3x verlopen voor 1 G3P
molecuul.
• Absorption, reflection, transmission
• Relationship between chlorophyll & absorption: chlorofyl absorbeert lich ten
gebruikt dit licht voor het activeren van elektronen in de transportketen van
Growth
• Growth of flowering plants: groei vind plaats door celdeling, morfogenese en cel
elongatie. Celdeling door meristeem, cel elongatie doordat expansines
microbrillen hoeveelheid mindert in celwand van cel die moet elongeren
waardoor de celwand minder hard is en de celwand/cel kan elongeren door
opname van water in de vacuole.
• Growth phases: ?
• Relative growth rate: dit laat de relatieve groei van een plant ten opzichte van zijn
startgewicht zien. Te berekenen met de formule: RGR = 1/M x dM/dt
• Factors determining RGR: ULR (blad efficiëntie, hoeveel biomassa produceert het
blad? Beïnvloed door de PSa → hoge ULR = hoge PSa), LAR (massapercentage
blad van een plant → hoge LAR = meer fotosynthese = hogere RGR), LMF
(bladmassa/massa plant → hoge LMF = meer blad = hoge LAR = hogere RGR),
SLA (bladopp./bladgewicht → hoge SLA = dunner blad = meer fotosynthese =
hogere LAR/RGR en lage SLA = dikker blad).
• Are able to explain what morphogenesis is and what factors influence this:
morfogenese = het proces waarbij weefsels en organen hun uiteindelijke vorm
krijgen en hun plaatsing wordt gedetermineerd. Factoren die dit beïnvloeden zijn
bijvoorbeeld: licht, naburige planten, nutriënten beschikbaarheid
• What growth is and underlying mechanisms
o Cell division
o Cell elongation
• Genetic and environmental control of flowering
o ABC model: verschillende genen beïnvloeden de groei van verschillende
onderdelen van een bloem → kelkblad: A, kroonblad: A + B, meeldraad: B
+ C, stamper: C. nooit A en C samen want deze onderdrukken elkaar.
• Are able to explain different reproduction strategies in flowering plants: door
bestuivers, door herbivoren, door te plakken aan de vacht van herbivoren, door
water/wind.
Structure
• Cell types
, • Tissue types: protoderm (epidermis), grondweefsel en vasculair weefsel
(vasculaire bundels).
• Meristems (including different types and their functions): apicaal meristeem:
zorgt voor primaire groei (lengte groei) en bevindt zich in de wortel en scheut
topjes. Lateraal meristeem: zorgt voor secundaire groei (dikte groei) en bestaat uit
vasculair cambium (toevoeging xyleem en floeëm) en krukcambium (verhard de
epidermis) → verbreedt de diameter van stam en wortels in houtachtige planten.
• Structure of leaf, stem and root: wortel: protoderm (vormt epidermis),
grondweefsel (vormt cortex) en procambium ( vormt vasculair bundel). Binnen in
cortex zitten bandjes van Caspari en endodermis die de toelating van water en
nutriënten reguleert. Stengel: epidermis met cuticula en stomata, grondweefsel
(parenchymcellen, colenchymcellen (jongere gedeelte) en sclerenchymcellen
(oudere gedeelte), vasculaire bundels. Bevat axillary buds en nodes. Blad:
epidermis met cuticula en stomata, grondweefsel vormt mesofyl (palisade
mesofyl: bovenkant blad en bevat chlorofyl (voor fotosynthese), sponsachtig
mesofyl: onderkant blad en bevat luchtkamers (voor gasuitwisseling)), nerven
omringt door bundelschede.
• Structure of seedlings (including function)
o Differences between mono- and dicots: dicotielen bevatten 2 cotyledons
die het endosperm hebben opgenomen. Monocotielen bevatten 1
cotyledon met een nog intact endosperm.
Photosynthesis
• Light reaction: fotonen splitsen H2O af waardoor elektron vrijkomt in PS II die
wordt geactiveerd en door de transportketen loopt → H+ gradiënt opbouwen. Bij
elektronen acceptor in PS I wordt opnieuw elektron geactiveerd door fotonen en
doorloopt laatste stukje van transportketen. Aan einde transportketen zit ATP-
synthase en NADP+-reductase die H+ gradiënt gebruiken voor aanmaakt ATP en
NADPH.
• Dark reaction: rubisco legt CO2 vast en zet dit om naar PGA wat vervolgens m.b.v.
2 ATP en 2 NADPH wordt omgezet in 2 G3P. 1/3 van deze G3P verlaat de cyclus en
de rest wordt omgezet tot rubisco. Cyclus moet dus 3x verlopen voor 1 G3P
molecuul.
• Absorption, reflection, transmission
• Relationship between chlorophyll & absorption: chlorofyl absorbeert lich ten
gebruikt dit licht voor het activeren van elektronen in de transportketen van