Hf 43.1
Dieren zonder circulair systeem maken gebruik van een centrale lichaamsholte die is
gevuld met vloeistof om zo diffusie van nutriënten en afvalstoffen over de membranen
heen snel en makkelijk te maken. Andere dieren hebben een bloedsomloop, deze
bestaat uit 3 onderdelen: bloedsomloopvloeistof, bloedvaten en het hart. Er zijn 2
soorten bloedsomlopen:
- Open bloedsomloop: de bloedsomloopvloeistof, genaamd hemolymfe, is ook de
interne vloeistof tussen de lichaamscellen. Als het hart samentrekt wordt de
hemolymfe naar sinussen (ruimten rondom de organen) gepompt waar
uitwisseling plaatsvind. Als het hart vervolgens weer ontspant wordt het
hemolymfe via poriën (die dicht komen te staan als het hart samentrekt) weer
naar het hart toegebracht. → voordelen: minder energiekosten en kan worden
gebruikt als hydrostatisch skelet.
- Gesloten bloedsomloop: bloed in bloedvaten wordt apart gehouden van de
interne vloeistoffen. Het hart pompt bloed in grote bloedvaten die vertakken in
kleinere. Tussen het bloed en de interne vloeistoffen vindt uitwisseling plaats en
het bloed circuleert weer terug naar het hart. → voordelen: door hogere
bloeddruk efficiëntere diffusie en regulatie van hoeveel bloed naar welke plek.
In een gesloten bloedomloop heb je slagaders (brengen bloed vanuit hart naar capillair)
en aders (brengen bloed van capillair terug naar hart). Het hart bestaat uit kamers: atria
ontvangen het bloed en de ventrikels pompen het bloed uit het hart. Er zijn verschillende
soorten gesloten bloedsomlopen:
- Enkele bloedsomloop: hebben een hart dat bestaat uit 2 kamers (1 atrium en 1
ventrikel). Het bloed wordt vanuit de ventrikel naar het capillaire netwerk in de
kieuwen gepompt waar gasuitwisseling plaatsvind. Vervolgens wordt O2-rijk
bloed naar een volgende capillair netwerk in het lichaam gepompt waar de O2
wordt opgenomen. Hierna stroomt het bloed weer terug het atrium in. Het bloed
gaat dus maar langs 2 capillaire netwerken.
- Dubbele bloedsomloop: hebben een hart dat bestaat uit 3 of 4 kamers en hebben
2 circuits: longcircuit (bloed vanuit de
rechter kant van het hart wordt langs de
longen of de huid bij amfibiën gepompt waar
gasuitwisseling plaats vind, het bloed wordt
O2-rijk.) en het systemische circuit (O2-rijk
bloed vanuit de linkerkant van het hart wordt
door het lichaam naar organen toe gepompt
, waar diffusie plaatsvindt). → zorgt voor een krachtige bloedsomloop naar de
hersenen, spieren en organen doordat het bloed 2x door het hart heen gaat en
hier de bloeddruk wordt hersteld.
Hf 43.2
Bloedsomloop bij zoogdieren: contractie van de rechter ventrikel zorgt ervoor dat O2-
arm bloed in de longslagader komt waarna dit bloed naar een capillaire netwerk in de
longen terecht komt en hier O2 opneemt. O2-rijk bloed komt via de longaders terecht in
de linker atrium waarna dit in de linker ventrikel komt. De linker ventrikel pompt O2-rijk
bloed via de aorta het lichaam in. De aorta vertakt zich in een gedeelte dat naar boven
gaat en een gedeelte dat naar beneden gaat, ook vertakt hij zich in kroonslagaders die
het hart van bloed voorzien. O2 wordt afgegeven aan zijn omgeving in de capillaire
netwerken in het lichaam. O2-arm bloed vanuit het hoofd, de nek en de voorste
ledematen verzamelt zich in de superieure vena cava en O2-arm bloed vanuit de rest
van het lichaam verzamelt zich in de inferieure vena cava. De vena cava’s monden uit
inde rechter atrium, wat het bloed doorgeeft aan de rechter ventrikel.
Hartcyclus:
- Atria en ventrikel diastole (ontspanning): bloed vanuit de atria
stroomt de ventrikels in door de atrioventriculaire kleppen.
- Atria systole (samentrekking) en ventrikel diastole: al het
overgebleven bloed in de atria stroomt de ventrikels in.
- Atria diastole en ventrikel systole: bloed wordt uit het hart
gepompt door de halfmaanvormige kleppen.
De kleppen worden gereguleerd door bloeddruk in het hart.
Het hartritme wordt gecontroleerd door de sinoatriale knop (SA) en de atrioventriculaire
knop (AV). De SA maakt elektrische signalen die door de atria lopen. Dit signaal wordt
opgevangen door de AV, waar ze even kort
worden vertraagd waardoor het atrium volledig
leeg kan lopen. Vervolgens wordt het signaal
van de SA en opgevangen door de AV worden
doorgegeven naar de apex van het hart. Vanuit
hier worden de signalen door de ventrikels
doorgegeven waardoor deze samentrekken.
Hf 43.3
Bloedvaten hebben in hun midden een holte waar het bloed doorheen kan stromen.
Deze holte is bedekt met het endothelium (van endotheelcellen). In capillaire netwerken
is alleen endothelium aanwezig met daaromheen een basale lamina, hierdoor kan er
, makkelijk gasuitwisseling plaatsvinden. slagaders hebben een dikke wand gemaakt van
glad spierweefsel (reguleert bloedstroming: dilatie of constrictie) en bindweefsel. De
wanden zijn dik, elastisch en sterk waardoor slagaders met een hoge bloeddruk kunnen
werken. Aderen hebben een veel dunnere wand met veel minder spier. Ze hebben
kleppen die tegenstroming van het bloed tegengaan door de lage bloeddruk in de
aderen. Ook dienen de kleppen en samentrekkingen van gald spierweefsel in aderen
voor het tegengaan van de zwaartekracht
Als bloed vanuit de slagaders in de capillaire netwerken terecht komt stroomt het bloed
langzamer, dit versnelt weer als het weer in de aders terecht komt. Bloed stroomt van
een hoge naar een lage druk en de grote bloeddruk vanuit het hart wordt in de slagaders
gehandhaafd door hun elastische wand.
Bloeddruk bestaat uit een systolische druk (hogere bloeddruk tijdens de ventrikel
systole) en een diastolische druk (lagere bloeddruk tijdens de ventrikel diastole).
Bloeddruk kan ook worden beïnvloed door vasoconstrictie: het smaller worden van de
slagaderen waardoor de bloeddruk toeneemt, vooral gereguleerd door NO, en door
vasodilatie: het wijder worden van slagaders waardoor de bloeddruk afneemt, vooral
gereguleerd door endotheline.
Precapillaire sfincters (ringen van glad spierweefsel bij de ingang van capillaire
netwerken) reguleren de instroom van bloed door capillairen. Bloed in capillairen doet
aan uitwisseling met de omgevende vloeistoffen door middel van diffusie/osmotische
druk, endocytose en exocytose. Als er teveel vloeistof/eiwitten verloren gaan aan de
omgeving kunnen deze worden opgevangen in het lymfestelsel en weer terug worden
toegevoegd aan het bloed. Lymfeknoppen: bevatten witte bloedcellen (afweer).
➔ Immuuncellen gemaakt in beenmerg en thymus
Hf 43.4
Bloed bestaat uit verschillende delen:
- Plasma: bevat water, zouten/ionen en plasma eiwitten die dienen voor afweer,
transport en osmotische regulatie. Nutriënten, afvalproducten en hormonen
worden getransporteerd door het plasma heen.
- Cellulaire elementen: bevat plaatjes voor bloedstolling, rode bloedcellen
(erythrocyten) voor zuurstofopname door middel van hemoglobinemoleculen
(elk hemoglobine kan 4 O2 koppelen) en witte bloedcellen (leukocyten) voor
afweer. Er zijn 5 soorten leukocyten: basofielen, lymfocyten, neutrofielen,
monocyten en eosinofielen. Als er weinig O2 wordt gedetecteerd in het lichaam