Les 2
Begin met tellen na de aldose (-CHO) groep. Dus C1 is de eerste C die vastzit aan de
aldose groep. Of als je hem als een ringstructuur gekregen krijgt moet je beginnen met
tellen vanaf de C die aan de 2 O’tjes gebonden zit. Een C met een dubbel gebonden O in
het midden van een molecuul is een ketose. Alfa glucose als de OH-groep aan de
tegengestelde kant gericht zit dan de zijgroep. Bèta glucose als de OH-groep aan
dezelfde kant gericht zit dan de zijgroep.
Een negatief geladen zijgroep bij een aminozuur duidt op een zuur, omdat hij zijn H+
heeft afgestaan en hierdoor in een zure omgeving zit.
Als een nucleotide 2 OH-groepen heeft dan is dit RNA, als hij 1 OH-groep heeft is het
DNA of deoxyribose.
Vrije energie (dG) = gedeelte van energie dat uiteindelijk echt iets kan doen.
dG = dH – T x dS
H = enthalpie (totale energie-inhoud)
S = entropie (wanorde)
Als de dG van een proces negatief is, dan komt er bij een reactie energie vrij en kan het
proces spontaan verlopen (exergoon). Als de dG positief is, is er energie voor nodig en
kan het niet spontaan verlopen (endergoon). Endergone reacties kunnen ook verlopen
als je ze koppelt aan een exergone reactie. Als een reactie endotherm is, is de dH altijd
>0 en een exotherme reactie heeft altijd een dH van <0. dG wordt niet geaffecteerd door
enzymen.
Les 3
Integrale eiwitten gaan door het hydrofobe gedeelte van het membraan. Perifere eiwitten
zitten aan de hydrofiele koppen van het membraan vast op de buiten of binnenkant van
de cel. Transmembraaneiwitten zitten helemaal door het membraan heen, zowel bij de
hydrofobe als hydrofiele kant.
Je hebt vrije en gebonden ribosomen. Vrije ribosomen zitten in het cytosol en gebonden
eiwitten aan het ER. Gebonden ribosomen maken eiwitten voor export, membranen of
organellen van het endomembraansysteem. Vrije ribosomen maken alle eiwitten voor in
de cel voor de organellen (intern gebruik). De eiwitten die in het ER een amino-uiteinde
in het ER-lumen hebben gekoppeld, komen te zitten op het plasma membraan met het
amino-uiteinde aan de extracellulaire kant van het plasmamembraan.
Mitochondria en chloroplasten hebben eigen circulair DNA en ribosomen en hebben
een dubbel membraan. Dit is bewijs voor de endosymbiose theorie: een eukaryoten cel