HOOFDSTUK 1: STUDIEOBJECTEN VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
“We hebben andere mensen nodig”
Sociale deprivatie = sociaal geïsoleerd worden
ð Gevolgen op het brein
Vb. weeskinderen in weeshuis brein is anders ontwikkelt dan weeskinderen in een pleeggezin
ð Sociale behoefte is groter dan fysieke behoefte
ó Sociale paradox = we hebben sociale nood, maar we zijn bang om bijvoorbeeld naast iemand te gaan
zitten in de wachtzaal, bus
We hebben elkaar nodig vs onder invloed
è Expliciete invloed: direct
è Impliciete invloed: niemand zegt/vraagt iets om te doen, een stille druk
Invloed brengt een verandering in gedrag weer en/of een lichamelijke verandering
Als iemand in onze intieme ruimte komt, dan oefent die ook een invloed uit op
ons, zeker als dit niet gewild is.
ð Lichamelijke verandering, ons hart gaat sneller slaan
AMYGDALA
- Deel van onze hersenen dat emoties reguleert
- Helpt ook een goede afstand inschatten
- Amygdala kapot ≠ afstand inschatten
1.1 GEBIEDSOMSCHRIJVING
ALLPORT
Overt = zichtbaar gedrag
Covert = gedachten, gevoelens (voorkeuren/afkeuren)
“DE GEDACHTEN,GEVOELENS EN HANDELINGEN VAN DE MENS”
Het A-B-C model:
A : Affectieve component (gevoelsmatige)
B : Behaviour (gedragsmatige)
C : Cognitieve aspecten (waarneming, geheugen en denken)
- Op deze 3 dingen kunnen we beïnvloedt worden
- We worden beïnvloedt door wat wij denken dat anderen denken
1
, Vb. rutje wordt uitgelachen met haar trui
A: ze wordt onzeker
B: ze doet de trui uit
C: onzeker voelen
Non-verbaal = mimiek, handelingen
Paraverbaal = hoe je iets zegt: toon, intonatie, zacht, hard, snel, traag
Verbaal = wat je zegt
- We hechten meer belang aan non-verbaal en paraverbaal gedrag
- Woorden kan je wikken en wegen
- Non-verbaal is minder controleerbaar
A. Mehrabian:
3 elementen van persoonlijke communicatie:
(boodschappen halen uit)
7%: gesproken woorden
38%: stem, toon, klank
55%: lichaamstaal
MAAR: klopt niet! A. Mehrabian heeft dit nooit gezegd. Natuurlijk neem je meer waar dan 7% aan woorden.
ALLEEN VAN TOEPASSING BIJ: ambigue situaties
Ambigue situaties = onzekerheid, dubbelheid
Interpersoonlijke communicatie = communicatie tussen mensen
1.2 EIGEN INVALSHOEK VAN DE SOCIALE PSYCHOLOGIE
1) Persoonlijkheidpsychologie (dispositionisme) = gedrag verklaren door karaktertrekken van
mensen
2) Sociale psychologie (situationisme) = gedrag verklaren door naar de situatie te kijken waarin de
persoon zich bevindt
3) Interactionisme = naar zowel de persoon als naar de situatie gaan kijken
ð Dit is de sociale psychologie
ð Het is een combinatie van de twee: persoon + situatie
2
, ð We gaan mensen hun gedrag niet goedpraten, we gaan naar beide kanten kijken
3 soorten van invloed waarvan wij kunnen beïnvloeden of beïnvloedt worden:
Fysiek/ feitelijk = iets dat direct aanwezig is + ons beïnvloedt
Voorgesteldà indirecte beïnvloeding, hoe gaan andere reageren op mijn keuze
Impliciet/ onrechtstreeks àindirecte beïnvloeding, je weet niet wie je beïnvloedt (bv bij reclame,…)
• Nudges = kleine dingen die ze aanbrengen om een bepaald gedrag te verkrijgen
We worden niet alleen beïnvloedt, maar beïnvloeden ook anderen (zoals we beïnvloedt worden)
Intuïtieve kennis = gezond verstand
• Systematisch ↔ eenzijdige selectie
• Objectief ↔ subjectief
• Gecontroleerd ↔ onderhevig
3 methodes van onderzoek:
1) Begrijpende/beschrijvende methode
Begrijpende methode = gedrag van mensen begrijpen, feiten/gedrag verzamelen
• Observatie
- Ecologische validiteit = mate waarin het onderzoek conclusies toelaat over het ‘natuurlijk’
voorkomende gedrag van mensen in situaties die ze ‘in het echte leven’ ook tegenkomen
= komt wat je onderzoekt overeen met de dagelijkse realiteit?
Nadelen:
§ Hoe lang voordat je iets observeert?
= beperkt
Als mensen weten dat ze geobserveerd worden, gaan ze wenslijk gedrag tonen
(sociale norm = helpen)
§ Een conclusies mogelijk over oorzaak van gedrag
Bv. Man helpt vrouw, daarna helpt vrouw man niet
Kan je niets uit besluiten of verklaren
Plaats, temperatuur, geslacht kan van invloed zijn
Validiteit = geldigheid – meten we wel wat we wilde meten?
• Zelfbeschrijvingen
= dingen zelf bevragen aan mensen
3
, Nadelen:
§ Mensen kunnen niet beschrijven wat ze denken
§ Mensen gaan weer antwoorden op de vraag hoe zij denken dat jij wil dat ze
antwoorden
§ Niet alles kunnen onthouden
§ Te eerlijk dus niet kunnen/willen beschrijven (schaamte)
§ Voorbeeld met Yellow Walkman: mensen kunnen niet voorspellen wat ze gaan
doen
2) Correlationele methode/ correlatie
= zoeken naar relatie/samenhang/verband tussen 2 gedragingen/variabelen
Bv. Hoe meer sigaretten, hoe meer kans op longkanker – niet ineens besluiten dat longkanker oorzaak
is, maar is een voorspelling. Maar deze 2 hangen aan elkaar vast.
Onderzoek:
• Vragenlijst aan kinderen
• Observatie op de speelplaats (turven van agressief/gewelddadig gedrag)
Variabelen:
• Kijken naar gewelddadige series / spelen van gewelddadige games
• Agressief gedrag op de speelplaats
SOORTEN CORRELATIES
1. POSITIEVE CORRELATIE
• Beide variabelen bewegen in dezelfde richting.
• Als de ene stijgt, stijgt de andere ook.
Voorbeeld:
• Hoe meer kinderen gewelddadige series/games bekijken,
hoe meer agressief gedrag ze vertonen.
Positieve correlatie = waarden tussen 0 en +1
2. NEGATIEVE CORRELATIE
• Variabelen bewegen in tegengestelde richting.
• Als de ene stijgt, daalt de andere.
Voorbeeld:
• Hoe meer gewelddadige series/games bekeken worden,
hoe minder agressief gedrag op de speelplaats.
4