Arresten overzicht week 1: Inleiding & voorfase en deelnemingsvormen
1. Melk- water arrest: geen strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder verwijtbaarheid
(AVAS)
2. Salabiaku- uitspraak: (weerlegbaarheid bij objectieve feiten). Het Salabiaku-arrest
leert dat een delict soms objectief kan worden bestraft, maar dat de verdachte de
mogelijkheid moet hebben om te weerleggen dat er geen verwijtbaarheid bestond.
Bij objectieve feiten (bezit betekent strafbaar bezit) mag de wet veronderstellen dat
er opzet of schuld is, maar de verdachte moet dat kunnen weerleggen. Het systeem
moet redelijke grenzen hebben.
3. Ezel-arrest: illustreert nogmaals de inkleuring van opzet. Onderstreept het belang
van de context van de specifieke strafbaarstelling bij de interpretatie en het bewijs
van opzet, en toont aan dat opzet in de hedendaagse rechtspraktijk mede kan
worden bepaald door specifieke regels en omstandigheden die relevant zijn voor de
strafbaarstelling. In het Ezel-arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor smalende
godslastering niet genoeg is dat een uiting beledigend overkomt; vereist is dat de
dader de bedoeling had om God te smaden, mede vanwege de vrijheid van
meningsuiting.
4. Oldsmobile-arrest: Man wilde zijn vrouw doden en liet haar uitlaatgassen inademen.
Ze overlijdt niet, maar is zwaargewond. Opzet is een ruim en algemeen begrip: als
iemand bewust gevaarlijk handelt of onverschillig is voor de gevolgen, kan hij ook
verantwoordelijk zijn voor andere of minder ernstige gevolgen dan hij precies
bedoelde. Opzet hoeft niet exact gericht te zijn op één concreet gevolg, het mag ook
ruimer zijn.
5. Inrijden op agent-arrest: Het Inrijden-op-agent-arrest bevat de feitelijke en
inhoudelijke voorloper van het voorwaardelijk opzetbegrip van art. 51 Sr.
6. Cicero-arrest: introductie formulering ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijk kans
op een strafrechtelijk relevant gevolg’.
7. HIV-jurisprudentie: personen werden vervolgd voor poging tot doodslag na onveilig
seksueel contact, wetende dat zij het Hiv-virus droegen. Hoewel de statistische kans
op overdracht klein was (minder dan één procent), maar met potentieel zeer ernstige
gevolgen, overwoog de Hoge Raad dat de 'aanmerkelijke kans' niet afhankelijk is van
de aard van het gevolg. Het moet in alle gevallen gaan om een kans die naar
algemene ervaringsregels als aanmerkelijk wordt beschouwd, waarbij de aard van de
gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Dit
benadrukt de objectieve benadering van het kansvereiste binnen het voorwaardelijk
opzet.
8. Het HIV I-arrest uit 2003 heeft de constructie en afbakening van voorwaardelijk
opzet verder gepreciseerd. Dit arrest stelt dat de enkele wetenschap van een
aanmerkelijke kans niet automatisch leidt tot voorwaardelijk opzet, omdat er ook
sprake kan zijn van bewuste schuld. Indien de verdachte weliswaar weet heeft van de
aanmerkelijke kans, maar er desondanks van uitgaat dat het gevolg niet zal intreden,
, is er sprake van (grove) onachtzaamheid, oftewel bewuste schuld, en niet van
voorwaardelijk opzet.
9. Iboga natuurgenezeres: Hier had de verdachte wetenschap van het reële risico op
complicaties en de dood, maar ging desondanks door met de behandelingen zonder
haar werkwijze aan te passen. Dit leidde tot de conclusie dat zij de mogelijkheid van
het gevolg op de koop toe had genomen (voorbeeld voorwaardelijk opzet).
10. Porsche-arrest: De vraag die in dit arrest centraal stond, was: is er sprake van
voorwaardelijke opzet? De Hoge Raad vond van niet. In hoger beroep werd de
verdachte veroordeeld wegens doodslag, waarbij het Hof voorwaardelijke opzet
bewezen achtte. In cassatie werd de uitspraak van het hof vernietigd. De Hoge Raad
was van mening, omdat de verdachte de eerste paar inhaalpogingen had afgebroken,
dat hij zich bewust was van het risico op een aanrijding en dat hij het risico kennelijk
niet heeft aanvaard. Hij bleef volgens de Hoge Raad geloven in een goede afloop.
De Hoge Raad wees een veroordeling voor doodslag af bij een zaak waarin een
bestuurder door extreem roekeloos rijgedrag een fataal ongeval had veroorzaakt.
Het wilsaspect van opzet werd benadrukt; de verdachte moest de aanmerkelijke kans
op de dood van anderen bewust hebben aanvaard en op de koop toe hebben
genomen. Hierbij werd ook rekening gehouden met het risico voor het leven van de
verdachte zelf, wat vragen oproept over de relevantie daarvan in de context van
opzettelijke levensberoving. Nuancering: Na het Porsche-arrest zijn er arresten
geweest waarin wel doodslag in het verkeer werd aangenomen, vooral bij zeer
agressief gedrag dat lijkt op doelbewuste gewelddadige handelingen. Bijvoorbeeld
het opzettelijk hard remmen met een ander voertuig vlak achter de dader of het
gericht inrijden op personen.
11. Gevaarlijk dier-arrest: De Hoge Raad heeft de 'aanmerkelijke kans' in 2018 in dit
arrest nader gepreciseerd als een 'reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid'. De kans
moet in concreto worden bezien, rekening houdend met de gegeven
omstandigheden.
12. Nijmeegse scooterzaak: reikwijdte begrip medeplegen: rollen hoeven niet volstrekt
inwisselbaar te zijn, aangezien vluchten een ‘logisch’ gevolg is bij mogelijke
ontdekking en dus als het ware onderdeel van het gemeenschappelijk plan is.
13. Veghelse schietpartij: De Hoge Raad stelt geen hoge eisen aan het bewijs van
voorwaardelijk opzet in dergelijke gevallen en accepteert een betrekkelijk globaal
opzet, zoals het accepteren van de aanmerkelijke kans dat 'andere personen' dan het
beoogde slachtoffer zouden worden getroffen, zoals in de Veghelse schietpartij (HR
17 september 2002).
14. Gasbrander-zaak: Gaat over een verdachte die met een gasbrander naast een auto
werd betrapt, deze weggooide, en er een sterke gaslucht werd waargenomen. De
handelingen, inclusief het weggooien van de gasbrander, duidden op een voltooide
poging waarbij de verdachte alles had gedaan om een brand of explosie te
veroorzaken
, 15. In de Gasexplosie-zaak het opendraaien van de gaskraan en het wachten in de
directe omgeving reeds als een begin van uitvoering van brandstichting beschouwd.
16. Cito-criterium: Als het gedrag er voor een buitenstaander uitziet alsof het misdrijf
gaat plaatsvinden, is er sprake van een poging = uiterlijke verschijningsvorm.
Noemen op tentamen. Van een begin van uitvoering is sprake indien concrete
gedragingen worden verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op
voltooiing van het misdrijf.
17. Grenswisselkantoor: de Hoge Raad oordeelde dat het enkele zich begeven naar een
bank in een gestolen auto met wapens en pruiken, zonder de auto te verlaten of een
handeling te verrichten die naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op de
voltooiing van de afpersing, GÉÉN begin van uitvoering is. Dit restrictieve arrest
benadrukte de noodzaak van een concrete gedraging die direct gericht is op de
voltooiing van het misdrijf. Het droeg tevens bij aan de invoering van het
voorbereidingsdelict in artikel 46 Sr in 1994
18. Roermondse helikopterontsnapping: begin van uitvoering/ strafbare poging
19. Akenberg Fransson: Harmonisatie EU normen. Gaat over art. 51 Handvest.
20. Kinsa: Ruimere strafbaarstelling mag niet ingaan tegen expliciete doelstelling van een
richtlijn (2002/90/EG) (hulp bij illegale binnenkomst) om te komen tot een precieze
strafbaarstelling als in richtlijn opgenomen.
21. De Gevangenisvoedsel-arresten zijn hiervan een illustratief voorbeeld, waar de Hoge
Raad oordeelde dat de verdachte moest hebben beseft dat zijn
handelen noodzakelijkerwijs het gevolg van wederrechtelijke bevoordeling met zich
meebracht. Dit benadrukt dat oogmerk niet de 'diepste bedoeling' hoeft te zijn, maar
wel een 'noodzakelijkheidsbewustzijn' vereist. De verdachte moet hebben beseft dat
het gevolg noodzakelijk was en daarmee gewild, wat een hogere drempel is dan het
'waarschijnlijkheidsbewustzijn' of 'mogelijkheidsbewustzijn' van voorwaardelijk
opzet. Dit arrest toonde de spanning tussen de letter van de wet en de strekking,
waarbij werd beargumenteerd dat de strafbepaling weliswaar geforceerd kon
worden toegepast, maar in haar geheel niet voor het geval bestemd was.
22. Verpleegster-arrest: Toont dat culpa objectief wordt beoordeeld en zelfstandige
schuld vereist is. Dit arrest is ook een voorbeeld dat de rechter kijkt naar de
standaard van een professional, niet wat iemand dacht. In deze zaak werd een
verpleegster veroordeeld voor dood door schuld, omdat zij bij een operatie een
verkeerd flesje had aangereikt. De Hoge Raad oordeelde dat de
verpleegster aanmerkelijk tekortgeschoten was in haar plicht tot oplettendheid, gelet
op haar opleiding, de aard van haar werkzaamheden en het vertrouwen dat in haar
werd gesteld. Dit arrest benadrukt het normatieve karakter van culpa, waarbij de
beoordeling niet primair psychisch, maar objectiverend is, gericht op de
beroepsuitoefening als zodanig. De Garantenstellung, voortkomend uit iemands
specifieke positie, speelt hierbij een belangrijke rol. Culpa is hierdoor meer een
normatief oordeel over 'tekortschieten' dan een geestesgesteldheid.
1. Melk- water arrest: geen strafrechtelijke aansprakelijkheid zonder verwijtbaarheid
(AVAS)
2. Salabiaku- uitspraak: (weerlegbaarheid bij objectieve feiten). Het Salabiaku-arrest
leert dat een delict soms objectief kan worden bestraft, maar dat de verdachte de
mogelijkheid moet hebben om te weerleggen dat er geen verwijtbaarheid bestond.
Bij objectieve feiten (bezit betekent strafbaar bezit) mag de wet veronderstellen dat
er opzet of schuld is, maar de verdachte moet dat kunnen weerleggen. Het systeem
moet redelijke grenzen hebben.
3. Ezel-arrest: illustreert nogmaals de inkleuring van opzet. Onderstreept het belang
van de context van de specifieke strafbaarstelling bij de interpretatie en het bewijs
van opzet, en toont aan dat opzet in de hedendaagse rechtspraktijk mede kan
worden bepaald door specifieke regels en omstandigheden die relevant zijn voor de
strafbaarstelling. In het Ezel-arrest oordeelde de Hoge Raad dat voor smalende
godslastering niet genoeg is dat een uiting beledigend overkomt; vereist is dat de
dader de bedoeling had om God te smaden, mede vanwege de vrijheid van
meningsuiting.
4. Oldsmobile-arrest: Man wilde zijn vrouw doden en liet haar uitlaatgassen inademen.
Ze overlijdt niet, maar is zwaargewond. Opzet is een ruim en algemeen begrip: als
iemand bewust gevaarlijk handelt of onverschillig is voor de gevolgen, kan hij ook
verantwoordelijk zijn voor andere of minder ernstige gevolgen dan hij precies
bedoelde. Opzet hoeft niet exact gericht te zijn op één concreet gevolg, het mag ook
ruimer zijn.
5. Inrijden op agent-arrest: Het Inrijden-op-agent-arrest bevat de feitelijke en
inhoudelijke voorloper van het voorwaardelijk opzetbegrip van art. 51 Sr.
6. Cicero-arrest: introductie formulering ‘bewust aanvaarden van de aanmerkelijk kans
op een strafrechtelijk relevant gevolg’.
7. HIV-jurisprudentie: personen werden vervolgd voor poging tot doodslag na onveilig
seksueel contact, wetende dat zij het Hiv-virus droegen. Hoewel de statistische kans
op overdracht klein was (minder dan één procent), maar met potentieel zeer ernstige
gevolgen, overwoog de Hoge Raad dat de 'aanmerkelijke kans' niet afhankelijk is van
de aard van het gevolg. Het moet in alle gevallen gaan om een kans die naar
algemene ervaringsregels als aanmerkelijk wordt beschouwd, waarbij de aard van de
gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Dit
benadrukt de objectieve benadering van het kansvereiste binnen het voorwaardelijk
opzet.
8. Het HIV I-arrest uit 2003 heeft de constructie en afbakening van voorwaardelijk
opzet verder gepreciseerd. Dit arrest stelt dat de enkele wetenschap van een
aanmerkelijke kans niet automatisch leidt tot voorwaardelijk opzet, omdat er ook
sprake kan zijn van bewuste schuld. Indien de verdachte weliswaar weet heeft van de
aanmerkelijke kans, maar er desondanks van uitgaat dat het gevolg niet zal intreden,
, is er sprake van (grove) onachtzaamheid, oftewel bewuste schuld, en niet van
voorwaardelijk opzet.
9. Iboga natuurgenezeres: Hier had de verdachte wetenschap van het reële risico op
complicaties en de dood, maar ging desondanks door met de behandelingen zonder
haar werkwijze aan te passen. Dit leidde tot de conclusie dat zij de mogelijkheid van
het gevolg op de koop toe had genomen (voorbeeld voorwaardelijk opzet).
10. Porsche-arrest: De vraag die in dit arrest centraal stond, was: is er sprake van
voorwaardelijke opzet? De Hoge Raad vond van niet. In hoger beroep werd de
verdachte veroordeeld wegens doodslag, waarbij het Hof voorwaardelijke opzet
bewezen achtte. In cassatie werd de uitspraak van het hof vernietigd. De Hoge Raad
was van mening, omdat de verdachte de eerste paar inhaalpogingen had afgebroken,
dat hij zich bewust was van het risico op een aanrijding en dat hij het risico kennelijk
niet heeft aanvaard. Hij bleef volgens de Hoge Raad geloven in een goede afloop.
De Hoge Raad wees een veroordeling voor doodslag af bij een zaak waarin een
bestuurder door extreem roekeloos rijgedrag een fataal ongeval had veroorzaakt.
Het wilsaspect van opzet werd benadrukt; de verdachte moest de aanmerkelijke kans
op de dood van anderen bewust hebben aanvaard en op de koop toe hebben
genomen. Hierbij werd ook rekening gehouden met het risico voor het leven van de
verdachte zelf, wat vragen oproept over de relevantie daarvan in de context van
opzettelijke levensberoving. Nuancering: Na het Porsche-arrest zijn er arresten
geweest waarin wel doodslag in het verkeer werd aangenomen, vooral bij zeer
agressief gedrag dat lijkt op doelbewuste gewelddadige handelingen. Bijvoorbeeld
het opzettelijk hard remmen met een ander voertuig vlak achter de dader of het
gericht inrijden op personen.
11. Gevaarlijk dier-arrest: De Hoge Raad heeft de 'aanmerkelijke kans' in 2018 in dit
arrest nader gepreciseerd als een 'reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid'. De kans
moet in concreto worden bezien, rekening houdend met de gegeven
omstandigheden.
12. Nijmeegse scooterzaak: reikwijdte begrip medeplegen: rollen hoeven niet volstrekt
inwisselbaar te zijn, aangezien vluchten een ‘logisch’ gevolg is bij mogelijke
ontdekking en dus als het ware onderdeel van het gemeenschappelijk plan is.
13. Veghelse schietpartij: De Hoge Raad stelt geen hoge eisen aan het bewijs van
voorwaardelijk opzet in dergelijke gevallen en accepteert een betrekkelijk globaal
opzet, zoals het accepteren van de aanmerkelijke kans dat 'andere personen' dan het
beoogde slachtoffer zouden worden getroffen, zoals in de Veghelse schietpartij (HR
17 september 2002).
14. Gasbrander-zaak: Gaat over een verdachte die met een gasbrander naast een auto
werd betrapt, deze weggooide, en er een sterke gaslucht werd waargenomen. De
handelingen, inclusief het weggooien van de gasbrander, duidden op een voltooide
poging waarbij de verdachte alles had gedaan om een brand of explosie te
veroorzaken
, 15. In de Gasexplosie-zaak het opendraaien van de gaskraan en het wachten in de
directe omgeving reeds als een begin van uitvoering van brandstichting beschouwd.
16. Cito-criterium: Als het gedrag er voor een buitenstaander uitziet alsof het misdrijf
gaat plaatsvinden, is er sprake van een poging = uiterlijke verschijningsvorm.
Noemen op tentamen. Van een begin van uitvoering is sprake indien concrete
gedragingen worden verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op
voltooiing van het misdrijf.
17. Grenswisselkantoor: de Hoge Raad oordeelde dat het enkele zich begeven naar een
bank in een gestolen auto met wapens en pruiken, zonder de auto te verlaten of een
handeling te verrichten die naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht is op de
voltooiing van de afpersing, GÉÉN begin van uitvoering is. Dit restrictieve arrest
benadrukte de noodzaak van een concrete gedraging die direct gericht is op de
voltooiing van het misdrijf. Het droeg tevens bij aan de invoering van het
voorbereidingsdelict in artikel 46 Sr in 1994
18. Roermondse helikopterontsnapping: begin van uitvoering/ strafbare poging
19. Akenberg Fransson: Harmonisatie EU normen. Gaat over art. 51 Handvest.
20. Kinsa: Ruimere strafbaarstelling mag niet ingaan tegen expliciete doelstelling van een
richtlijn (2002/90/EG) (hulp bij illegale binnenkomst) om te komen tot een precieze
strafbaarstelling als in richtlijn opgenomen.
21. De Gevangenisvoedsel-arresten zijn hiervan een illustratief voorbeeld, waar de Hoge
Raad oordeelde dat de verdachte moest hebben beseft dat zijn
handelen noodzakelijkerwijs het gevolg van wederrechtelijke bevoordeling met zich
meebracht. Dit benadrukt dat oogmerk niet de 'diepste bedoeling' hoeft te zijn, maar
wel een 'noodzakelijkheidsbewustzijn' vereist. De verdachte moet hebben beseft dat
het gevolg noodzakelijk was en daarmee gewild, wat een hogere drempel is dan het
'waarschijnlijkheidsbewustzijn' of 'mogelijkheidsbewustzijn' van voorwaardelijk
opzet. Dit arrest toonde de spanning tussen de letter van de wet en de strekking,
waarbij werd beargumenteerd dat de strafbepaling weliswaar geforceerd kon
worden toegepast, maar in haar geheel niet voor het geval bestemd was.
22. Verpleegster-arrest: Toont dat culpa objectief wordt beoordeeld en zelfstandige
schuld vereist is. Dit arrest is ook een voorbeeld dat de rechter kijkt naar de
standaard van een professional, niet wat iemand dacht. In deze zaak werd een
verpleegster veroordeeld voor dood door schuld, omdat zij bij een operatie een
verkeerd flesje had aangereikt. De Hoge Raad oordeelde dat de
verpleegster aanmerkelijk tekortgeschoten was in haar plicht tot oplettendheid, gelet
op haar opleiding, de aard van haar werkzaamheden en het vertrouwen dat in haar
werd gesteld. Dit arrest benadrukt het normatieve karakter van culpa, waarbij de
beoordeling niet primair psychisch, maar objectiverend is, gericht op de
beroepsuitoefening als zodanig. De Garantenstellung, voortkomend uit iemands
specifieke positie, speelt hierbij een belangrijke rol. Culpa is hierdoor meer een
normatief oordeel over 'tekortschieten' dan een geestesgesteldheid.