Week 1 + hoorcollege 1
Beperkte genotsrechten
Vruchtgebruik (art. 3:201 BW): het recht om goederen die aan een ander toebehoren te
gebruiken en de vruchten daarvan te genieten, terwijl een ander (de bloot eigenaar)
juridisch eigenaar blijft. Voorbeeld: de langstlevende partner mag in de woning blijven
wonen (vruchtgebruik), terwijl de kinderen de woning erven (bloot eigenaar).
- Vruchtgebruik kan op allerlei goederen worden gevestigd, ook een roerende zaak
(hierin verschilt vruchtgebruik van de andere drie beperkte rechten) +
algemeenheid van goederen (art. 3:222 BW).
- De duur van het vruchtgebruik is beperkt tot het leven van de vruchtgebruiker
(art. 3:202 lid 2 BW). 2 uitzonderingen in art. 3:203 lid 2 en 3 BW. Bij
rechtspersonen is de duur maximaal dertig jaar.
- De vruchtgebruiker mag bewonen, verhuren, exploiteren, bewerken etc. Maar: de
bestemming moet worden gerespecteerd (art. 3:208 lid 1 BW).
- De vruchtgebruiker draagt de gewone lasten en onderhoudskosten en moet zich
gedragen als een goed vruchtgebruiker; de bloot eigenaar draagt in beginsel de
buitengewone lasten. Er bestaat geen wettelijke verplichting tot betaling voor het
gebruik.
Substitutie: het recht van vruchtgebruik kan ook betrekking hebben op wat er in de
plaats komt van het oorspronkelijke goed waarop het vruchtgebruik rustte. Art. 3:213 lid
1 BW noemt:
1. Hetgeen in de plaats van het vruchtgebruikgoed treedt doordat daarover
bevoegdelijk wordt beschikt à bijv. een vruchtgebruik rust op een schilderij, en
dat wordt met toestemming verkocht. Dan rust het vruchtgebruik voortaan op de
verkoopopbrengst.
2. Hetgeen door inning van een aan vruchtgebruik onderworpen vordering wordt
ontvangen à bijv. er is een vruchtgebruik op een vordering van 10.000 euro. Als
die wordt geïnd, komt er geld binnen. Dan rust het vruchtgebruik op dat
ontvangen geld.
3. Vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het vruchtgebruikgoed treden
waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering à bijv. het
vruchtgebruik rust op een auto en die raakt total loss. Dan komt er een
schadevergoeding van de verzekering. Het vruchtgebruik rust dan op die
vordering/uitkering.
,Er is geen sprake van substitutie wanneer het vruchtgebruikgoed wordt vervreemd door
de hoofdgerechtigde. In dat geval blijft de vruchtgebruiker zijn recht namelijk in beginsel
op het oorspronkelijke goed uitoefenen.
Erfdienstbaarheden (art. 5:70 BW): een last, waarmede een onroerende zaak (het
dienend erf) ten behoeve van een andere onroerende zaak (het heersend erf) is
bezwaard. Voorbeeld: recht op overpad, recht van goot, recht van uitzicht, recht van
overbouw, recht van leidingen.
- Er moet sprake zijn van een onroerende zaak. Kan ook gaan om een opstal, los
van het grondstuk waarop deze zich bevindt.
- ‘Last’: moet iets dulden of niet doen/passieve verplichting (art. 5:71 lid 1 BW). 2
uitzonderingen in lid 1 tweede zin en lid 2 = 1) ziet op de situatie waarin er een
erfdienstbaarheid wordt afgesproken die een negatieve verplichting heeft, maar
waarbij een kleine positieve verplichting wordt toegevoegd. Voorbeeld: A spreekt
met B af dat B het erf van A mag gebruiken om naar het dorp te lopen (negatieve
verplichting) maar B moet ook een brugje aanleggen die over het perceel gaat
omdat er een beekje ligt (positieve verplichting). 2) er kan worden bepaald dat de
eigenaar van het dienende erf verplicht is een werk te onderhouden dat nodig is
voor de erfdienstbaarheid (onderhoudsverplichtingen).
- Er moet een dienend erf (perceel waarop de last rust) en een heersend erf
(perceel dat voordeel geeft van de erfdienstbaarheid) zijn. Het is niet noodzakelijk
dat heersend en dienende erf aan elkaar grenzen.
- Dienend erf = zaakgevolg en heersend erf = afhankelijkheid.
- De eigenaar van het heersend erf moet enig voordeel van de erfdienstbaarheid
hebben.
- Volgende eigenaren moeten ook de erfdienstbaarheid dulden.
- Duur: in beginsel eeuwigdurend, zolang beide erven bestaan.
- Er is geen wettelijke vergoedingsplicht; onderhoud rust doorgaans op de eigenaar
van het heersend erf, tenzij anders bepaald.
Erfpacht (art. 5:85 BW): erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid
geeft eens anders onroerende zaak te houden en te gebruiken. Hiervan kan sprake zijn
als je bijvoorbeeld een huis hebt “gekocht”. Soms heb je het niet gekocht maar ben je
erfpachter, zo kan de gemeente controle houden + inkomstenbron.
- Geldt alleen voor onroerende zaken. Geen registergoederen, zoals een
hypotheek.
- Je bent eigenaar van de gebouwen en/of werken, maar niet van de grond.
- De erfpachter heeft in beginsel hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar (art.
5:89 lid 1 BW) = gebruiken, bewonen, vruchten genieten (art. 5:90 lid 1 BW),
verhuren (art. 5:94 lid 1 BW) bebouwen en beplanten (art. 5:89 lid 3 BW).
, - Maar: hij moet de bestemming respecteren (art. 5:89 lid 2 BW). Onder
bestemming moet je verstaan: datgene waarvoor de onroerende zaak wordt
gebruikt. Voorbeeld: als je door erfpacht een huis krijgt om te wonen, mag je er
geen winkel of club van maken. De bestemming mag door de erfpachter NIET
worden gewijzigd.
- Onder vruchten wordt verstaan: 1) letterlijk vruchten en 2) burgerlijke vruchten à
rechten die ontstaan tot betrekking tot een goed zoals; rente.
- De canon betalen dit KAN (art. 5:85 lid 2 BW): een vergoeding die een erfpachter
betaald aan de grondeigenaar voor het gebruik van diens onroerende zaak. Een
vergoeding kan in een akte worden afgesproken. Dit is geen verplichting.
- Duur: bepaalde of onbepaalde tijd (art. 5:86 BW), afhankelijk van het contract.
Kenmerkend voor het recht van erfpacht is dat de erfpachter in beginsel hetzelfde genot
van de zaak heeft als een eigenaar, inclusief een eigenaarsbevoegdheid als
vruchtrekking. Het erfpacht is het recht dat op de eigendom de zwaarste druk legt. In
beginsel is de erfpachter dus rechthebbende op vruchten tijdens de duur van het
erfpachtrecht. De erfpachter is ook rechthebbende van de voordelen van roerende aard
die de zaak oplevert, zoals een door een ander gevonden schat.
Opstal (art. 5:101 BW): een zakelijk recht om in, op of boven de onroerende zaak van
een ander gebouwen, werken of beplantingen te hebben of te verkrijgen. Voorbeeld:
woning, garage, schuur etc. op andermans grond.
- Moet sprake zijn van een onroerende zaak.
- Het doel van opstalrecht is gelegen in het doorbreken van het
goederenrechtelijke natrekkingsbeginsel. Natrekking is de regel dat de eigenaar
van een zaak automatisch eigenaar wordt van alles wat duurzaam met die zaak is
verenigd, zoals gebouwen op de grond. Normaal zou je door natrekking geen
eigenaar kunnen zijn van een gebouw, werk, bepaling etc. op de grond van een
ander, maar door opstal kan dat wel.
- Het recht van opstal leidt tot een horizontale scheiding van het eigendom grond
en opstal.
- 2 varianten: het zelfstandige en het afhankelijke opstalrecht (art. 5:101 lid 2 BW).
• Zelfstandige: een zelfstandig opstalrecht is een overdraagbaar zakelijk
recht om eigenaar te zijn van gebouwen op andermans grond, los van
contracten. Vb.: de duur van het recht wordt bepaald door een aanbieder
van energie die opzoek is naar daken en gronden voor windmolens. Als hij
zo’n locatie heeft gevonden, gaat hij met de eigenaar van de onroerende
zaak een opstalrecht vestigen.
• Afhankelijk: opstalrecht wordt toegevoegd aan een ander recht, zoals
huur. Denk ook aan erfpacht van gronden door de gemeente in
, binnensteden. Als het hoofdrecht ophoudt met bestaan, stopt het
afhankelijk recht ook op met bestaan.
- De opstaller is bevoegd gebouwen, werken en beplantingen te gebruiken en weg
te nemen. In de akte kan dit echter beperkt worden. Maar de opstaller is alleen
eigenaar van gebouwen, werken of beplantingen en NIET van de onroerende zaak
waarop is gebouwd.
- De opstaller is ook bevoegd de zaak waarop zijn recht rust te verhuren en te
verpachten.
- Art. 5:103 BW: … die voor het volle genot van zijn recht nodig zijn.
- Bij einde: wegnemen of laten staan + recht op vergoeding.
- Duur: bepaalde tijd of onbepaalde tijd (art. 5:104 lid 2 en 5:86 BW). Bij afhankelijk
opstalrecht: duur hoofdrecht is sowieso maximumduur opstalrecht.
- Retributie betalen (art. 5:101 lid 3 BW).
Verschil erfpacht en vruchtgebruik
1. Erfpacht heeft enkel betrekking op onroerende zaken, vruchtgebruik op alle types
van goederen.
2. Erfpacht is voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd. Vruchtgebruik is voor bepaalde
tijd of onbepaalde tijd, maar sowieso begrensd door leven vruchtgebruiker of 30
jaar voor rechtspersonen.
3. Vruchtgebruik heeft vaak betrekking op familierechtelijke kwesties. Vb.:
langstlevende echtgenoot krijgt vruchtgebruik van de erfenis of ouders schenken
huis aan kinderen maar houden vruchtgebruik.
Hoe kan men beperkte genotsrechten vestigen?
Alles wat geldt voor de overdracht van een goed, geldt ook voor de vestiging van een
beperkt recht op dat goed (art. 3:98 BW à schakelbepaling). De OTLB
(overdraagbaarheid, titel, levering en beschikkingsbevoegdheid) is belangrijk voor
vestiging. Maar bij vestiging noemen we deze OTVB (levering = vestigingshandeling).
De vestigingshandeling is het maken van een notariële akte die wordt ingeschreven in
het openbare register (art. 3:89 BW).
Vruchtgebruik op roerende zaken: volgens art. 3:98 BW vindt al hetgeen in die afdeling is
bepaald omtrent de overdracht van een goed, overeenkomstige toepassing op de
vestiging van een beperkt recht op een zodanig goed. De vestigingseisen zijn: OTVB, en
de toepasselijke vestigingsformaliteit is te vinden in art. 3:90 BW à bezitsverschaiing.
Voor vruchtgebruik op onroerende zaken natuurlijk art. 3:89 BW gebruiken.
Verbintenisrechtelijke alternatieve voor beperkte rechten, in het bijzonder voor
erfdienstbaarheid