Goederenrecht
Casus 1: natrekking
a) ShippingParts BV huurt een grote 3D-printer van 3D-Engineering BV. 3D gaat failliet
curator zegt huurovereenkomst op en vordert afgifte volgens art. 5:2 BW. ShippingParts
verweert: zegt dat zij eigenaar is, omdat 3D-printer integraal onderdeel is geworden van de
fabriekshal waar de machine sinds aanschaf staat. Het is met schroeven vastgemaakt aan de
vloer. Bovendien stelt zij dat de 3D printer essentieel en onmisbaar is voor het
productieproces van ShippingParts.
Is SP eigenaar van de 3D-printer?
3D-Engeneering is de verhuurder en daardoor ook de eigenaar/bezitter. ShippingParts is de
huurder, dus de houder. De 3D-printer is een roerende zaak, zoals neergelegd in art. 3:3 lid 2
BW. Het gaat in casu om natrekking (bestanddelen). SP is eigenaar van de grond en door art.
5:20 BW ook eigenaar van de fabriek. Deze duurzame verbinding is in HR Portacabin verder
uitgelegd.
Engineering is de eigenaar van de printer. Eigendom staat in art. 5:1 lid 1 BW. SP is de houder,
want het bedrijf oefent de feitelijke macht over de printer uit voor een ander; art. 3:107 lid 3
BW. Het gaat hier om middellijk bezit. De eigenaar stelt revindicatie in volgens art. 5:2 BW. Er
moet gekeken worden of er sprake is van natrekking: art. 5:3, 5:4, 5:14 lid 1 BW + arresten
Depex/curatoren en Glencore II.
Als eerst moet worden bepaald wat de hoofdzaak is en wat het bestanddeel is. De
fabriekshal is een onroerende zaak volgens art. 3:3 lid 1 BW. Dit zijn altijd hoofdzaken. De
printer is een roerende zaak volgens art. 3:3 lid 2 BW. Er moet dus gekeken worden of de 3D-
printer bestanddeel is geworden van de fabriekshal en of er dus sprake is van natrekking
volgens art. 5:3 BW. Art. 5:14 is niet van belang, want het gaat om een roerend + onroerende
zaak.
Definitie bestanddeel staat in art. 3:4 BW. Volgens het arrest Glencore II zijn beide leden
zelfstandige criteria (eerst lid 2 toetsen, dan lid 1):
lid 1: verkeersopvatting. Het gaat hier om onderlinge verbanden tussen zaken. Het komt
aan op de vraag, wat de verkeersopvatting ten aanzien van de feitelijke samenhang tussen
gebouw en machine meebrengt: of gebouw en machine in constructief opzicht specifiek op
elkaar zijn afgestemd dan wel of het gebouw - als fabrieksgebouw in het algemeen - bij
ontbreken van de machine als onvoltooid moet worden beschouwd (afstemmingscriterium +
voltooiingscriterium/compleetheidscriterium). Deze criteria volgen uit het arrest
Dépex/curatoren Bergel:
R.o. 3.7: “Met het oog op het na verwijzing te verrichten onderzoek wordt het
volgende opgemerkt. Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording
van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting tezamen als één zaak