Klinische Oefentoets op HBO+ Niveau
MD-K 1.11: Baring en begeleiding - 30 Oefenvragen
1. Oefenvragen (Vragen 1 t/m 30)
Vraag 1. [MD-K 1.11]
Wat is het fysiologische mechanisme achter het 'tekenen' (verlies van de slijmprop vermengd met bloed) aan
het begin van de baring?
A) Het barsten van de vruchtvliezen door stijgende intra-uteriene druk.
B) De ontsluiting en cervixverwijding die fijne capillairen in de portio doet scheuren.
C) Een acute daling van de oxytocinespiegel in het bloed.
D) Mechanische compressie van de vena cava inferior door de foetale schedel.
Vraag 2. [MD-K 1.11]
Welk hormoon, geproduceerd in de hypothalamus en uitgescheiden door de neurohypofyse, stimuleert de
krachtige en regelmatige contracties van het myometrium tijdens de baring?
A) Progesteron.
B) Oxytocine.
C) Prolactine.
D) Relaxine.
Vraag 3. [MD-K 1.11]
In welk tijdperk van de baring vindt de ontsluiting van de baarmoedermond (cervix) van 0 tot 10 cm plaats, en
in welke twee fasen is dit tijdperk onderverdeeld?
A) Eerste tijdperk; Latente fase en Actieve fase.
B) Tweede tijdperk; Transformatiefase en Uitdrijvingsfase.
C) Derde tijdperk; Ontsluitingsfase en Placentaire fase.
D) Vierde tijdperk; Latente fase en Postplacentaire fase.
Vraag 4. [MD-K 1.11]
Wat verstaat men onder de 'verstrijking' van de baarmoedermond (portio)?
A) Het zachter en soepeler worden van het bindweefsel van de cervix.
B) Het dunner en korter worden van het cervixkanaal totdat deze volledig is opgenomen in het onderste
uterussegment.
C) Het openstaan van de baarmoedermond in centimeters.
Pagina 1
, Klinische Oefentoets | MD-K 1.11: Baring en begeleiding
D) Het indalen van het foetale hoofd door de cervixmond.
Vraag 5. [MD-K 1.11]
Tijdens een obstructieve baring (bijv. mechanische wanverhouding) ontstaat er een scherpe, voelbare en
zichtbare groef op de buik van de moeder tussen het actieve bovensegment en het passieve onderste
uterussegment. Wat is de medische term voor deze pathologische ring?
A) Ring van Bandl.
B) Ring van Ferguson.
C) Osborne-ring.
D) Cervixgrens van Naegele.
Vraag 6. [MD-K 1.11]
Wat is de fysiologische trigger voor de 'reflectoire persdrang' in het tweede tijdperk van de baring, en hoe
wordt deze neuro-endocriene reflex genoemd?
A) De daling van progesteron; Naegele-reflex.
B) De mechanische rek van de bekkenbodem door de foetale schedel; Ferguson-reflex.
C) De compressie van de ureters; Küstner-reflex.
D) Het barsten van de vruchtvliezen; SROM-reflex.
Vraag 7. [MD-K 1.11]
Wat betekenen de afkortingen SROM, AROM en PROM in de verloskunde?
A) Spontaneous Rupture of Membranes; Artificial Rupture of Membranes; Premature Rupture of
Membranes.
B) Slow Rupture of Membranes; Active Rupture of Membranes; Prolonged Rupture of Membranes.
C) Spontaneous Rotational Obstetric Movement; Active Rotational Obstetric Movement; Prolonged
Rotational Obstetric Movement.
D) Systemische Ruptuur; Abdominale Ruptuur; Perineale Ruptuur.
Vraag 8. [MD-K 1.11]
Wat is de klinische implicatie wanneer bij gebroken vliezen groen of bruinachtig vruchtwater wordt
geconstateerd?
A) Dit is fysiologisch en duidt op een gezonde darmwerking van de foetus.
B) Dit wijst op meconiumhoudend vruchtwater, een symptoom van mogelijke foetale nood (hypoxie), en is
een indicatie voor overdracht naar de tweede lijn.
C) Dit wijst op een actieve Candida-infectie in de baarmoeder.
D) Dit duidt op een Rhesus-antagonisme met actieve hemolyse.
Vraag 9. [MD-K 1.11]
Pagina 2