Klinische Oefentoets op HBO+ Niveau
MD-K 1.9: Het Bekken
30 Meerkeuzevragen (Kennis & Casuïstiek) inclusief Pathofysiologische Toelichting
Deel A: Vragenlijst (30 Meerkeuzevragen)
Vraag 1 (Kennis)
Uit welke drie benige segmenten, die tijdens de puberteit fysiologisch fuseren in het
acetabulum, bestaat het heupbeen (os coxae) van het menselijk bekken?
A) Os sacrum, os coccygis en os pubis.
B) Os ilium (darmbeen), os ischii (zitbeen) en os pubis (schaambeen).
C) Crista iliaca, promontorium en symfyse.
D) Spina iliaca, tuber ischiadicum and acetabulum.
Vraag 2 (Kennis)
Wat is de anatomische betekenis van de spina ischiadica in de verloskundige bekkenpraktijk?
A) Het is het hoogste punt van de darmbeenkam.
B) Het is de botknobbel waarop men zit.
C) Het is de prominente botspina aan de achter-onderzijde van het os coxae die de grens vormt
van de nauwe bekkenmidden/bekkenengte en dient als referentiepunt voor het vlak van Hodge
3.
D) Het is de verbinding tussen het sacrum en het coccygis.
Vraag 3 (Casus)
Tijdens een vaginaal toucher voelt de verloskundige dat de benige foetale schedel zich bevindt
ter hoogte van de spinae ischiadicae (station 0). Welk vlak van Hodge is dit, en wat is de
mechanische betekenis?
A) Hodge 1; het hoofd is nog mobiel boven het bekken.
B) Hodge 2; het hoofd is halverwege de bekkenholte.
C) Hodge 3; het hoofd is vast ingedaald (engaged) en is de nauwste doorgang van het klein
bekken gepasseerd.
D) Hodge 4; het hoofd bevindt sich op de bekkenbodem.
Vraag 4 (Kennis)
Wat zijn de exacte anatomische grenzen van het vlak van Hodge 1 (H1)?
A) Van de bovenrand van de symfyse naar het promontorium van het os sacrum; dit is het vlak
van de bekkeningang.
Pagina 1
, Oefentoets op HBO+ Niveau: MD-K 1.9: Het Bekken
B) Van de onderrand van de symfyse parallel aan H1.
C) Ter hoogte van de spinae ischiadicae.
D) Door de top van het os coccygis.
Vraag 5 (Casus)
De gynaecoloog beoordeelt de bekkeningang van een zwangere vrouw. Welke specifieke
diameter, lopend van het promontorium naar de achterzijde van de symfyse pubis, vormt de
kleinste en meest kritische voor-achterwaartse doorgang (conjugata) van de bekkeningang, en
kan niet handmatig worden gemeten?
A) Conjugata vera (conjugata obstetrica)
B) Conjugata diagonalis
C) Conjugata transversa
D) Diameter interspinosa
Vraag 6 (Kennis)
Welk ligament van het bekken verloopt van het os sacrum en os coccygis naar de spina
ischiadica, en begrenst hiermee het foramen ischiadicum majus?
A) Ligamentum sacrotuberale
B) Ligamentum sacroiliacum anterior
C) Ligamentum sacrospinale
D) Ligamentum sacrococcygeum
Vraag 7 (Casus)
Een barende vrouw bevindt zich in de actieve uitdrijvingsfase. Zij ligt plat op haar rug met haar
heupen in extreme abductie en exorotatie (knieën wijd naar buiten gedrukt). Welk
biomechanisch effect heeft deze houding op de diameters van haar bekken?
A) Het opent de bekkenuitgang (Hodge 4) tot het maximum.
B) Het opent de bekkeningang (Hodge 1), maar versmalt de bekkenuitgang (Hodge 4) doordat
de zitbeensknobbels (tubera ischiadica) naar elkaar toe worden getrokken.
C) Het vergroot alle bekkenmaten met fysiologisch 30%.
D) Het heft de beweeglijkheid van het sacro-coccygeale gewricht volledig op.
Vraag 8 (Kennis)
Welke specifieke baringshouding of biomechanische interventie ('knees together, ankles out')
wordt geadviseerd om de bekkenuitgang (Hodge 4) en de interspinaalruimte te maximaliseren
bij een dreigende schouderdystocie of stagnerende uitdrijving?
A) Extreme exorotatie en abductie van de heupen.
B) Interne rotatie (endorotatie) van de heupen door de knieën naar elkaar toe te brengen en de
enkels/voeten naar buiten te draaien.
C) Rugligging met gestrekte benen.
D) Zijligging met opgetrokken knieën.
Pagina 2