Klinische Oefentoets op HBO+ Niveau
MD-K 1.8: Prenatale Controles
30 Meerkeuzevragen (Kennis & Casuïstiek) inclusief Uitgebreide Pathofysiologische
Toelichting
Deel A: Vragenlijst (30 Meerkeuzevragen)
Vraag 1 (Kennis)
Welke handgreep van Leopold is specifiek ontworpen om de fundushoogte te meten en vast te
stellen welk kindsdeel (hoofd of stuit) zich in de fundus uteri bevindt?
A) Leopold I
B) Leopold II
C) Leopold III
D) Leopold IV
Vraag 2 (Casus)
Tijdens de palpatie van de fundus (Leopold I) voelt de verloskundige een breed, zacht en
onregelmatig gevormd kindsdeel dat zonder duidelijke grens overgaat in de foetale romp en
meebeweegt. Welk kindsdeel is dit?
A) Het caput (hoofd)
B) Het sacrum (de stuit)
C) Een schouder
D) Een knietje of voetje
Vraag 3 (Kennis)
Met welke specifieke handgreep van Leopold palpeert de verloskundige de flanken van de
uterus om de ligging van de foetale rug en de kleine delen te lokaliseren?
A) Leopold I
B) Leopold II
C) Leopold III
D) Leopold IV
Pagina 1
, Oefentoets op HBO+ Niveau: MD-K 1.8: Prenatale Controles
Vraag 4 (Casus)
Bij een zwangere vrouw voelt de verloskundige met de rechterhand vlak boven de symfyse
pubis een hard, rond kindsdeel dat soepel heen en weer bewogen kan worden (ballottement).
Welke handgreep van Leopold voert zij hier uit, en wat betekent de uitkomst?
A) Leopold III (Pawlik's greep); het hoofd ligt voor en is nog beweeglijk boven de bekkeningang
(cmibi).
B) Leopold IV; het hoofd ligt voor en is vast ingedaald (cvibi).
C) Leopold II; de rug ligt voor en bevindt zich aan de linkerkant.
D) Leopold I; de stuit ligt voor en is ingedaald.
Vraag 5 (Kennis)
Wat is het belangrijkste klinische onderscheid bij de palpatie met de vierde handgreep van
Leopold (Leopold IV)?
A) Het bepalen of het kindsdeel in de fundus een stuit of een hoofd is.
B) Het beoordelen van de mate van indaling van het voorliggende deel door te kijken of de
tastende handen naar elkaar toe buigen (convergeren) of uiteenwijken (divergeren).
C) Het meten van de afstand tussen de symfyse en de fundus in centimeters.
D) Het lokaliseren van de foetale hartslag.
Vraag 6 (Casus)
De verloskundige voert de vierde handgreep van Leopold uit bij een zwangere van 39 weken.
Haar tastende handen glijden langs het onderste uterussegment en divergeren (wijken uiteen)
doordat zij stuiten op de verbreding van het foetale hoofd. Wat is de klinische betekenis van
deze bevinding?
A) Het hoofd ligt nog volledig los boven de bekkeningang (cmibi).
B) Het hoofd is vast ingedaald in de bekkeningang (cvibi).
C) Er is sprake van een stuitligging met opgeslagen benen.
D) De uterus vertoont een pathologische Ring van Bandl.
Vraag 7 (Kennis)
Wat zijn de twee strikte klinische randvoorwaarden waaraan de zwangere moet voldoen voordat
de verloskundige de handgreep van Osborne betrouwbaar kan uitvoeren?
A) Een volle blaas en een zittende houding.
B) Een lege blaas en het volledig opheffen van de lumbale lordose (bekken gekanteld).
C) Een lege maag en rugligging met gestrekte benen.
D) Een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken en linker zijligging.
Vraag 8 (Casus)
Bij een primigravida van 38 weken is het foetale hoofd nog niet ingedaald. De verloskundige
voert de handgreep van Osborne uit. Bij neerwaartse druk op het hoofd voelt zij dat de foetale
schedel over de voorzijde van de symfyse pubis heen uitpuilt (promineert). Wat is de klinische
betekenis van deze positieve Osborne?
A) Het hoofd past probleemloos in de bekkeningang; er is geen mechanische belemmering.
Pagina 2