Strafprocesrecht
Zelfstudievragen
Vraag 1 Hoe past het arrest HR 1 december 2020, NJ 2021/169 in de jurisprudentiële
ontwikkeling van artikel 359a Sv? Betrek in uw antwoord HR 30 maart 2004, NJ 2004/376,
m.nt. Buruma (Afvoerpijp) en HR 19 februari 2013, NJ 2013/308.
HR 1 december 2020, NJ 2021/169 bouwt voort op de jurisprudentie van artikel 359a Sv,
waarbij nadruk wordt gelegd op het criterium van rechtstreekse beïnvloeding van de
verdachte. Het arrest bevestigt dat bewijsuitsluiting slechts mogelijk is bij een causaal
verband tussen het vormverzuim en het verkregen bewijs.
- HR 30 maart 2004 (Afvoerpijp) introduceerde de criteria voor sanctietoepassing:
normschending, ernst van het verzuim, en nadeel.
- HR 19 februari 2013 verfijnde deze lijn met drie specifieke categorieën voor
bewijsuitsluiting (zie vraag 3). Het arrest uit 2020 bevestigt deze strikte benadering.
Vraag 2 Bij het toepassen van de sanctie bewijsuitsluiting als reactie op onrechtmatig
handelen van opsporingsambtenaren in het vooronderzoek, dient rekening te worden
gehouden met een aantal factoren. Wat zijn deze factoren en hoe worden zij uitgelegd door
de Hoge Raad?
De Hoge Raad noemt de volgende factoren:
Het belang van de geschonden norm: Is de geschonden norm essentieel voor een eerlijk
proces?
De ernst van het verzuim: Hoe ernstig is het onrechtmatig handelen?
Het veroorzaakte nadeel: Heeft de verdachte concreet nadeel ondervonden?
Deze factoren worden toegepast om proportionele sancties te bepalen, waarbij
bewijsuitsluiting uitzonderlijk blijft en gericht is op het waarborgen van eerlijkheid in de
procedure.
Vraag 3 Welke drie categorieën van bewijsuitsluiting onderscheidt de Hoge Raad in zijn arrest
van 19 februari 2013? Geef bij elke categorie een voorbeeld.
De Hoge Raad onderscheidt in HR 19 februari 2013 drie categorieën bewijsuitsluiting:
Rechtstreekse schending van een eerlijk proces: Bijv. een onrechtmatige doorzoeking waarbij
bewijs wordt verkregen dat direct de verdachte schaadt.
Preventieve uitsluiting: Gericht op het voorkomen van toekomstige schendingen, zoals
structureel onrechtmatig handelen door opsporingsambtenaren.
Rechtsstatelijke normschending: Wanneer een fundamenteel recht wordt geschonden, zoals
marteling.
, Vraag 4 Welke categorieën van bewijsuitsluiting onderscheidt de Hoge Raad in zijn arrest van
1 december 2020?
In HR 1 december 2020 bevestigt de Hoge Raad de eerdergenoemde drie categorieën, maar
benadrukt de noodzaak van een strikte toetsing van het causaal verband en legt nog meer
nadruk op het concrete nadeel dat de verdachte moet hebben geleden om bewijsuitsluiting
te rechtvaardigen.
Vraag 5 Dient volgens de Hoge Raad altijd een belangenafweging door de rechter plaats te
vinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, de Hoge Raad stelt dat niet altijd een belangenafweging vereist is. In gevallen van
schending van fundamentele rechten kan een belangenafweging achterwege blijven, omdat
de ernst van het verzuim voldoende is om een sanctie te rechtvaardigen.
Vraag 6 In zijn artikel identificeert Borgers een aantal argumenten waarom aan
vormverzuimen rechtsgevolgen zouden moeten worden verbonden, of waarom dat juist
achterwege zou moeten worden gelaten. Welke argumenten zijn dat?
Borgers noemt de volgende argumenten: Voor rechtsgevolgen: Vergroten van naleving van
rechtsregels, herstel van geschonden rechten, en het waarborgen van een eerlijk proces.
Tegen rechtsgevolgen: Voorkomen van vertraging, het proportionaliteitsbeginsel, en de rol
van de rechter die niet moet treden in het beleid van de uitvoerende macht
Vraag 7 Daarnaast identificeert hij een drietal ‘perspectieven’ die nader houvast kunnen
bieden bij de discussie over hoe deze argumenten gewaardeerd dienen te worden en of
artikel 359a Sv ruimhartig of juist restrictief dient te worden toegepast. Welke perspectieven
zijn dat?
De drie perspectieven van Borgers zijn:
Herstellend perspectief: Gericht op herstel van het nadeel van de verdachte.
Instrumenteel perspectief: Gericht op preventie en het stimuleren van naleving van regels.
Normerend perspectief: Gericht op het geven van een rechtsstatelijk signaal over de
onaanvaardbaarheid van bepaald gedrag
Vraag 8 In zijn artikel vraagt Borgers zich af of de strafrechter wel de best geëquipeerde
instantie is om naleving van de wet en het recht door de strafvorderlijke overheid te
bewerkstelligen. Wat bedoelt hij hiermee?
Borgers stelt dat de strafrechter niet altijd de best geëquipeerde instantie is om naleving van
de wet af te dwingen, omdat de rechter vaak slechts achteraf een individuele zaak
beoordeelt en niet beschikt over instrumenten om structureel toezicht op
opsporingsdiensten te houden. Andere instanties, zoals toezichthouders of de wetgever, zijn
mogelijk beter uitgerust om systemische problemen aan te pakken.