Strafprocesrecht
Week 3
1. Bij een dynamische verkeerscontrole worden specifieke auto’s gecontroleerd, vooral van
personen van wie de politie denkt dat zij crimineel actief zijn. Dat gebeurt ogv bepaalde
risicokenmerken. Bij een dynamische verkeerscontrole pikken burgerauto’s bij zogenaamde
sleutelplaatsen (plaatsen waarvan bekend is dat criminelen zich daar ophouden) bepaalde
auto’s op en volgen zij deze tot een plaats waar een herkenbare surveillanceauto de auto’s
staande kan houden en controleren. De bedoeling is dat het een willekeurige
verkeerscontrole lijkt—> daarmee wordt voorkomen dat de inzittenden merken dat zij bij
een sleutelplaats zijn opgepikt
2. Artikel 160 WVW
3. Ja, aangezien het uiteindelijke doel is om een strafvorderlijke beslissing te nemen
4. “Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de politie de haar toekomende
controlebevoegdheden van de Wegenverkeerswet 1994 uitsluitend heeft aangewend ten
behoeve van opsporingsactiviteiten, derhalve voor een ander doel dan waarvoor die
bevoegdheden zijn gegeven, hetgeen détournement de pouvoir ofwel strijd met het beginsel
van zuiverheid van oogmerk oplevert. Er is dus sprake van een bij het voorbereidend
onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv.”
Het hof sprak de verdachte vrij. De Hoge Raad oordeelde dat het optreden van de politie
geen détournement de pouvoir oplevert. In rechtsoverweging 3.4 overwoog de Hoge Raad
dat
“Vooropgesteld moet worden dat het uitoefenen van controlebevoegdheden als bedoeld in
art. 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 verband dient te houden met de naleving van de bij
of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften. Indien daadwerkelijk inzage is gevorderd
in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig, mag worden aangenomen dat
de bevoegdheden van art. 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 zijn uitgeoefend ter controle
van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. Zolang een
dergelijke controlebevoegdheid, uitgevoerd door een daartoe bevoegde
opsporingsambtenaar, mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of
krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in het eerste en het vierde
lid van art. 160 WVW 1994 is die uitoefening derhalve in beginsel rechtmatig, ook indien die
bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop
deze bepalingen niet zien.”
5. Alcoholcontrole, fraudeonderzoek, arbeidsinspectie voor illegale arbeid
6. Volgens het Hof was het optreden van politie acceptabel, omdat de politie niet selecteerde
op grond van nationaliteit of etniciteit, maar op het kenteken. De Hoge Raad ging daarin niet
mee omdat selecteren op de nationaliteit van een kenteken ook indirect discrimineert jegens
de inzittenden van dat voertuig
, Analyse
Bij verkeerscontroles kan een dergelijke bevinding in het bijzonder in beeld komen indien de
selectie van het voor een verkeerscontrole in aanmerking komend voertuig uitsluitend of in
overwegende mate is gebaseerd op etnische of religieuze kenmerken van de bestuurder of
andere inzittenden, dan wel op hun nationaliteit. Bij etnisch profileren gaat het dus puur om
uiterlijke kenmerken, zonder dat er objectieve gronden zijn voor verdenking. Juridisch gezien
kan dit in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod. Het kan direct o.g.v.
religieuze dingen etc. Ook indirect. Kan hierbij art. 160 jo. 159 WvW noemen.
Bij het inzetten van een opsporingsbevoegdheid moet er een verdachte zijn, inclusief
concrete en aanwijsbare omstandigheden die maken dat een persoon als verdachte wordt
aangemerkt. Bij toezichtbevoegdheden, ofwel verkeerscontroles bestaat geen element m.b.t.
het subject, de bevoegdheid kan in principe tegen eenieder worden ingezet. Hier hoeft geen
sprake te zijn van een concrete verdenking. Juist daarom maken ze een selectiebeslissing en
door de vrije keuze, kan het zijn dat de ambtenaar een beslissing neemt die hij niet zou
moeten nemen. Deze vrijheid van de toezichtbevoegdheden maakt het risico op etnisch
profileren groter dan in de context van opsporingsbevoegdheden.
Bij toezicht is het ongericht; tegen eenieder worden opgezet. Er is een grotere ruimte
waardoor bewust of onbewust etnisch geprofileerd kan worden. Iedereen mag gecontroleerd
worden; ongericht.
Bij opsporing heb je een verdachte nodig; objectieve redenen om iemand te selecteren.
De redenen dat etnisch profileren problematisch is:
1. Vertrouwensrelatie tussen burger en overheid kan slechter worden en bovendien
zorgen voor polarisatie. Er is sprake van een aantasting van de legitimiteit en een
schending van het gelijkheidsbeginsel. In strijd met fundamentele rechten.
2. Vanuit het perspectief van de individuele burger is het heel ingrijpend om te maken
te hebben met etnisch profileren. Personen voelen zich niet serieus genomen,
geïntimideerd, machteloos en zo verder. Voor de overheid is het schadelijk om zich
hier schuldig aan te maken. Dit maakt de documentaire ‘Verdacht’ duidelijk:
gevoelens van uitsluiting en wantrouwen tegenover de politie. Etnisch profileren is
ineffectief; gebaseerd op vooroordelen i.p.v. objectieve aanwijzingen.
3. Wordt gefocust op bepaalde groepen, dus niet op de echte criminelen die strafbare
feiten plegen. Dit heeft veel effect voor de hele rechtsproces.
4. Weinig effectief; geen effectief middel van opsporing.
5. In strijd met art. 1 Gw etc.
In Europese rechtspraak is het uitgangspunt dat een zwaarwegende reden nodig is wanneer
een factor zoals nationaliteit, etniciteit en religie een rol speelt in hoe de overheid handelt.
Dit is dus strenger dan de Nederlandse rechtspraak en het kader dat door de HR wordt
geschetst. HR Dynamische verkeerscontrole: verkeerscontroles zijn rechtmatig zolang ze
primair gericht zijn op verkeersveiligheid. Er is te veel ruimte voor subjectieve interpretatie,
waardoor de grens tussen verkeershandhaving en strafrechtelijke opsporing te dun is. De HR
had meer waarborgen moeten inbouwen om te voorkomen dat etnische kenmerken als
grondslag dienen voor controle. Op grond hiervan is er veel kritiek.