Criminaliteit- en veiligheidsbeleid
Week 1 (p. 3): onveiligheid als maatschappelijk probleem; laatmoderniteit en onzekerheid,
onveiligheid, typen onveiligheid, onveiligheid als maatschappelijk probleem (achtergronden en kritiek),
stijging en daling criminaliteit, veiligheidsgevoel, subjectieve onveiligheid, high-crime society,
objectieve vs. subjectieve onveiligheid, wat wil de burger van de overheid, vertrouwen in mens en
organisatie/gezag, aanpak onveiligheid, beleidscyclus, evaluatie.
Week 2 (p. 8): onveiligheidsgevoelens en ontwikkelingen in de veiligheidszorg;
onveiligheidsbeleving (dimensies), determinanten van, onveiligheidsgevoelens in de buurt
(bevindingen), veiligheidsutopie (Boutellier), angst-/slachtoffercultuur, immigratie vluchtelingen en
veiligheid, veranderingen in de veiligheidszorg (zes deelontwikkelingen), veranderingen in
veiligheidsdenken, Bunt en Van Swaanen, agendavorming.
Week 3 (p. 16): nieuwe partijen in de veiligheidszorg; integraal veiligheidsbeleid, jaren ’80
(criminaliteit op beleidsagenda), uitgangspunten bestuurlijke preventie (jaren ’80), uitgangspunten
vanaf 1993, integrale veiligheid, de veiligheidsketen, belang integrale aanpak, integraal
veiligheidsbeleid op lokaal niveau, gemeentelijke instrumenten, problemen in integraal
veiligheidsbeleid, lokale veiligheidsnetwerken, typen naar doel, aansturing, vier typen netwerken,
voordelen en nadelen veiligheidsnetwerken, samenwerking afhankelijk van.., fundamentele vragen,
bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit, elementen, bibob, veranderende positie gemeente,
implementatie veiligheidsbeleid, beleidsuitvoering, factoren die beleidsoutput beïnvloeden (Stickens
en Loyens).
Week 4 (p. 27): burgers als actieve partij in de veiligheidszorg; sociale cohesie, niveaus controle
(Carr), achtergronden actievere rol, responsibilisering overwegingen, zeven vormen van
burgerparticipatie: burgeringrijpen, stille marsen, actie en protest, ogen en oren, adviseur,
zelfredzaamheid, zelfbeheer, bystander intervention model (Latane en Darley), burgeringrijpen
Terpstra, zelfredzaamheid Frans Denkers, burgerwacht/appgroep, onderzoek Vasco Lub,
nadelen/spanningen.
Week 5 (p. 35): publieke en private veiligheidszorg; reassurance policing, politie vs. policing,
pluralisering politiefunctie, stille revolutie, achtergronden groei private sector, private veiligheidszorg,
particuliere opsporing, promotieonderzoek Clarissa Meerts, typen onderzoek in publieke ruimte,
toezichthouders in publieke ruimte, inzet private BOA Terpstra, regulering private vhz, uit boek: risico
georganiseerde criminaliteit voor bedrijfsleven, drie categorieën strategieën, factoren en
omstandigheden belemmering controle bedrijfsleven, gezag nieuwe toezichthouders, fragmentering en
vermarkting.
Week 6 (p. 44): verandering bij de politie; uit boek: bedrijfsmatigheid politie, substantieve en
symbolische legitimiteit, vier strategieën om politie als bedrijfsmatig te presenteren: politie als bedrijf,
presentatiesturing, kwaliteitsmanagement, burger als klant; wat is politiewerk, taak politie, aansturing
politie, gezag en beheer, veranderingen politiebestel, voordelen en nadelen centralisatie,
hoofdprocessen, politiemodellen, standaard model, community policing, oriented policing, focussed
policing, evaluatieonderzoek: interne validiteit, alternatieve verklaringen, onderzoeksdesigns,
Maryland Methods, black box speciale interventies.
,Week 7 (p. 52): mediatisering en de roep om harder straffen; Pauw en Witteman, mediatisering,
gevolgen mediatisering, framing, Keulse casus, Goudse casus, framing high profile cases, Marianne
Vaatstra, typen veranderingen Terpstra, gemediatiseerde arena Terpstra, gevolgen arena, sociale
media, opsporingsberichtgeving, gevolgen.
Week 8 (p. 58): verharding; drie dingen verharding, verandering politiek klimaat, verandering
opvatting burgers, feitelijke verandering aanpak, punitiever strafstelsel, verandering aanpak en
maatregelen, verharding vhz, achtergronden, rol media, argumenten verharding, vergelijking
buitenland, punitiviteitsindex, boek H5: regulering publieke ruimte, aanpak drugsoverlast Venlo,
uitgaansoverlast Eindhoven, aanpak onveiligheid Rotterdam, twee dimensies vier ideaaltypische
vormen regulering, politics of behaviour.
Week 9 (p. 64): technologische ontwikkelingen vhz; surveillance society, doelen techn.
ontwikkelingen, technologie bij politie, gebruik technologie in interventiestrategieën, gevolgen
technologie voor controle, big data policing, gevolgen technologie politiewerk, McGuire twee soorten
bezwaren over noodzaak menselijk ingrijpen, data professionals, SLB Lipsky, publieke waarden,
predictive policing, CAS in de praktijk.
Week 10 (p. 70): grenzen aan veiligheidszorg; risicodenken vhz, strafrecht vs. risicodenken,
risicomanagement, casus uitkeringsfraude, risicoregelreflex, meer en grotere risico's Van Waarden,
vhz als publiek goed, drie kenmerken publiek goed, paradoxen vhz Zedner.
2
,Week 1 – onveiligheid als maatschappelijk probleem
Laatmoderniteit en onzekerheid:
De overgang naar een laatmoderne samenleving is vlg. Gibbens het resultaat van drie al langer
lopende ontwikkelingen:
1. Gaat om een proces van globalisering, waardoor activiteiten en gebeurtenissen die op grote
afstand van elkaar plaatsvinden, directer met elkaar verbonden raken.
2. Sociale activiteiten worden steeds meer losgekoppeld van hun lokale context (disembedding),
waardoor tradities aan gewicht verliezen en een posstraditionele sociale orde ontstaat.
3. De sociale reflexiviteit groeit: de noodzaak om steeds meer te reflecteren op keuzes en
handelingen.
Deze ontwikkelingen leiden tot een groeiende culturele pluriformiteit en fragmentering en een
geleidelijk proces van individualisering. Hierdoor kunnen en moeten individuen steeds meer keuzes
maken uit verschillende levensstijlen -> keuzedwang.
Door het uit elkaar vallen van traditionele banden en het ontstaan van nieuwe relaties en
afhankelijkheden over grotere afstand, wordt onderling vertrouwen minder context- en
persoonsgebonden en meer gebaseerd op abstracte systemen.
De genoemde ontwikkelingen en het daardoor wankelende vertrouwen, leiden ertoe dat de
laatmoderne samenleving zich kenmerkt door onzekerheid en een hoog besef van risico’s onder
burgers.
Het karakter van de risico’s is veranderd. Een groot deel van de huidige risico’s vloeit voort uit of hangt
samen met menselijk handelen.
Er is een cultureel gefragmenteerde onderlaag ontstaan met vele vormen van achterstand.
De ontwikkeling naar een laatmoderne samenleving heeft in veel westerse landen ook consequenties
voor de positie van de overheid. De combinatie van hoog risicobesef, groot beroep op expertise van
abstracte systemen en een gebrek aan vertrouwen in capaciteiten, leidt ertoe dat het gezag en de
legitimiteit van de overheid hebben verloren.
Onveiligheid
Onveiligheid verwijst naar:
- Feitelijke gevaren
- Risico’s of bedreigingen
- Onveiligheidsgevoelens, angst
Een groot deel van de risico’s of bedreigingen proberen we al te dekken door maatregelen te nemen.
Denk aan het op slot zetten van je fiets, het op slot doen van de deur van je huis, etc.
Je kan het negatief of positief definiëren. Negatieve definitie is onveiligheid. Positieve definitie is
veiligheid.
- Onveiligheid heeft betrekking op situaties waarin gevaren en/of bedreigingen voor de mens
bestaan of worden verwacht en waarin het niveau en de aard van bescherming nu of in de
naaste toekomst onvoldoende zijn of als onvoldoende worden ervaren
- Veiligheid verwijst naar het buiten gevaar zijn, naar een gering risico dat een mens of groep
mensen iets ernstigs overkomt
Typen onveiligheid
Onderscheid tussen fysieke en maatschappelijke/sociale onveiligheid. Fysiek is bv een overstroming.
Het is iets waar mensen geen vat op hebben. Bij maatschappelijke/sociale onveiligheid gaat het om de
veiligheid die afhankelijk is van de mensen.
Onderscheid tussen objectieve en subjectieve onveiligheid. Objectief verwijst naar criminaliteitscijfers.
Bij subjectief gaat het meer om hoe mensen zich daarbij voelen.
3
,Een laatste onderscheid is dat van interne en externe onveiligheid. Intern is wat plaatsvindt op NL
grondgebied. Voorheen vooral politie bevoegd. Extern buiten de grenzen van NL. Voorheen vooral het
leger bevoegd. Tegenwoordig is dit onderscheid vager geworden.
Onveiligheid als maatschappelijk probleem
Er zijn enkele achtergronden waardoor onveiligheid een maatschappelijk probleem wordt.
- Er is meer aandacht voor risico’s. We nemen voorzorgsmaatregelen.
- We vragen van de overheid meer voorzorgsmaatregelen.
- Ondanks de daling van criminaliteit, is er niet per definitie een veiliger gevoel in de
samenleving.
- Aanpak onveiligheid leidt niet altijd tot meer veiligheidsgevoelens. Niet alle maatregelen die de
overheid treft, zorgen ervoor dat we ons veiliger voelen.
- Burgers hebben vaak een bepaalde angst. De angst is zelf oorzaak van (objectieve)
onveiligheid (stereotypen). Door de stereotypen zullen de groepen zich er ook naar gedragen.
Er wordt toch van ze verwacht dat ze voor onveiligheid zorgen.
Kritiek:
- Overheid houdt zich bezig met dingen die geen onveiligheid creëren. Denk aan hondenpoep
op straat bestraffen.
- Normen en waarden opgenomen, bv bedelen, maar maakt de samenleving niet per definitie
onveilig (fatsoenrakkerij).
- Leidt tot willekeur. Iedereen heeft angstgevoelens bij andere dingen.
- Burgers zijn voor veel dinge angstig en de overheid kan inspelen op angstmanagement. Doen
alsof er iets aan gedaan wordt, maar gebeurt niet echt.
- Dat leidt tot een semantisch sleepnet: we scharen er zoveel onder, dat het moeilijk te overzien
is wat het inhoudt en waar de overheid zich mee moet bezighouden.
- Vaag onbehagen
Besef van veiligheidsrisico’s blijft een belangrijk thema bij burgers. Uit zich op verschillende manieren:
1. De omvang van de criminaliteit heeft er in de NL samenleving toe bijgedragen dat veel
burgers in hun dagelijks leven voortdurend bedacht zijn op en rekening houden met
criminaliteit en onveiligheid.
2. Er blijft sprake van een wijdverspreid gevoel onder burgers dat de onveiligheid een groot
probleem is, terwijl het niveau van maatschappelijke veiligheid is verbeterd.
Waarom steeg criminaliteit
Er zijn verschillende redenen aan te wijzen waardoor de criminaliteit is gestegen:
1. Meer welvaart en grotere hoeveelheid consumptiegoederen, dus meer gelegenheid (na WO2).
Er werden meer vermogensdelicten gepleegd.
2. Sociale ongelijkheid (sociale en economische onderklasse). Die willen eigenlijk voldoen aan
de standaarden van de maatschappij. Die gaan meer criminaliteit om aan de standaarden te
voldoen. Tevens beperkte binding met samenleving.
3. Ethos van de marktsamenleving (hebzucht)
4. Globalisering. Internationale drugsmarkten staan op de stoep.
5. Vormen van sociale controle en toezicht zijn verdwenen of hebben kracht verloren.
6. Haperende handhaving. Er is een tekort. Ze gaan een selectie maken waar ze voorrang aan
geven. Bv meer moord en doodslag, maar daardoor bijna niet meer aan bv fietsdiefstal.
7. Individualisering en afnemend gezag. Minder mensen geloven en ze accepteren niet zonder
meer het gezag van politie.
o / Op veel terreinen hebben normen en regels duidelijkheid en gezag verloren. Dit stelt
hogere eisen aan zelfbeheersing en normbesef van burgers die niet altijd (in
voldoende mate) aanwezig is.
Waarom daalde criminaliteit
Er zijn ook redenen waarom de criminaliteit weer daalde (sinds 2005)
1. We zijn meer preventiemaatregelen gaat nemen. Voorkomen van bv diefstal.
2. Vergrijzing. Na de babyboom was er een hele grote groep jongeren die criminele dingen deed.
Die jongeren zijn ouder geworden waardoor de cijfers daalden.
4
, 3. Verandering drugsgebruik. Er zijn minder drugsgebruikers waardoor zij minder criminele
dingen doen.
Veiligheidsgevoel
Het gevoel van veiligheid bij mensen is ook wel afhankelijk van de plaats. In plaatsen waar veel
hangjongeren zijn, voelen mensen zich minder veilig.
Jongeren voelen zich vaker onveilig dan ouderen. Dit kan ook afhankelijk zijn van de plekken waar
mensen komen. Tevens is het afhankelijk van de levensstijl. Jongeren doen dingen die meer risico’s
meedragen dan ouderen.
Subjectieve onveiligheid
Er zijn drie soorten te onderscheiden
1. Angst en onveiligheidsgevoelens t.a.v. concrete situaties.
o Besef dat er in concrete situaties meer risico’s zijn.
2. Algemeen besef van risico’s.
o Mensen zijn zich bewust van de bestaande risico’s. Hierdoor passen mensen hun
gedrag aan.
3. Overtuiging dat veiligheid een groot een maatschappelijk en ernstig probleem is.
o Ze zijn zich bewust van het feit dat de samenleving in hun perceptie onveilig is
geworden.
o Niet op specifieke situaties, maar algemeen.
o Komt bv door programma’s op tv en dingen in het nieuws.
High-crime society
Het antwoord op de vraag of NL een high-crime society is, hangt af van hoe je ernaar kijkt. Als je bv
kijkt naar de cijfers, kan je stellen dat het beter is dan 20 jaar geleden, maar slechter dan 40 jaar
geleden.
Politieregistraties kunnen een vertekend beeld geven van de omvang, want is afhankelijk van de mate
waarin de politie op de hoogte raakt van gebeurtenissen en dit vastlegt.
Bevolkingsonderzoek legt criminaliteit vast op basis van slachtofferschap, dit biedt een ander beeld
van de ontwikkeling van criminaliteit.
Er is een groter algemeen risicobesef waar we ons gedrag op aanpassen. Hierdoor is criminaliteit een
normaal sociaal fenomeen geworden. We calculeren ons al in dat als we de fiets niet op slot zetten,
deze gestolen kan worden. op basis hiervan kan je zeggen meer high-crime dan vroeger.
Algemene vs. concrete situaties. Ziet erop wat de burger verwacht van de overheid. In het algemeen
wenst men een harde aanpak, tenzij het bv gaat om iemands eigen kind. In de concrete situatie wilt
men vaak toch iets anders dan in het algemeen.
Meer dan de toename van criminaliteit in de naoorlogse decennia lijken een wijdverspreid risicobesef,
vaag gevoel van onzekerheid en onveiligheid en daarop gerichte handelingspatronen onze
samenleving tot een high-crime society te maken.
Objectieve vs. subjectieve onveiligheid
Er is een bepaalde discrepantie tussen deze twee begrippen. Dit is op maatschappelijk en individueel
niveau.
Bij maatschappelijk noemen we dit gat de reassurance gap. Op individueel niveau noemen we dit gat
de paradox of fear.
- Reassurance gap -> discrepantie tussen het dalen van de cijfers, maar subjectief zien mensen
dit niet zo.
- Paradox of fear -> mensen die de meeste risico’s nemen voelen zich veiliger. Mensen die aan
de minste risico’s worden blootgesteld, voelen zich toch onveiliger.
5
, Wat wil de burger precies van de overheid
Burgers hebben hoge verwachtingen en eisen van de overheid. Ze willen een garantie op veiligheid.
Dit gaat gepaard met hard optreden.
Diepe fascinatie met politie en justitie. Hebben bepaalde verwachtingen, maar komt niet altijd overeen
met de praktijk.
Burgers stellen vrij hoge verwachtingen aan de politie. Ze vinden dat ze voor veiligheid moeten
zorgen. Ze geloven de politie echter niet dat ze dit kunnen garanderen. Er is een afname van gezag
en vertrouwen.
Opvattingen van de burgers over hoe het moet, lopen uiteen
- Enerzijds de wens om hard en repressief op te treden, zo lang het ‘de ander’ betreft die als
bedreigende buitenstander wordt gezien;
- Anderzijds als het om iemand gaat uit eigen kring, wilt men dat de politie bereikbaar en
beschikbaar is, minder hard optreedt.
Hangt samen met een ander verschijnsel -> enerzijds verwachten veel burgers van de overheid
garantie op veiligheid bij verstoringen door mensen die men een lage marginale positie toeschrijft en
zich niet identificeert en anderzijds claimen ze voor zichzelf en hun kinderen het recht op vrijheid,
spanning, avontuur of hardrijden.
Vertrouwen in mensen en organisatie/gezag
We zien wel dat het vertrouwen in politie en rechters hoger is. Dit is wel afhankelijk van aan wie je de
vraag stelt.
- Mensen met migratieachtergrond of laagopgeleid hebben minder vertrouwen
- Politie is geen afspiegeling van de samenleving
Roep om veiligheid -> mensen die de roep om veiligheid doen zijn meestal niet degenen die worden
onderworpen aan de handhaving van de politie.
Profileren -> zijn al die mensen die minder vertrouwen hebben in de politie.
Voor het begrijpen van verlies aan gezag en legitimiteit van de politie zijn twee maatschappelijke
ontwikkelingen belangrijk.
1. Onder invloed van individualisering, de-traditionalisering en groeiende sociale reflexiviteit op
veel terreinen een verschuiving plaats van bevels- naar onderhandelingshuishouding.
- Bevolking mondiger geworden en kritischer gaan denken over gezagsdragers
- Gezag moet verdiend worden op basis van prestaties
2. Processen van uitsluiting resulteren in een nieuwe stedelijke onderklasse.
Massamedia vormen een belangrijke stimulans bij het ontstaan van een nieuwe cultuur van emoties.
De betekenis die politie krijgt in een nieuwe emotie-cultuur biedt grote tegenstrijdigheden:
- Enerzijds hebben burgers hoge verwachtingen en eisen ten aanzien van de politie;
- Anderzijds is het vertrouwen dat ze aan de politie geven tijdelijk en voorwaardelijk.
Ze kunnen zich gemakkelijk afkeren van de emoties en verwachtingen. Klagen gemakkelijk over falen.
Emotiecultuur en dramademocratie horen bij elkaar en geven de politie een onvoorspelbare omgeving
die van het ene naar het andere uiterste kan schieten.
Men is over de eigen en bekende politie vaak positiever dan over politie in het algemeen.
Hoe wordt onveiligheid aangepakt
Er wordt op drie sporen ingezet:
1. Strafrecht
2. Bestuursrecht
3. Beleid
Bij beleid gaat het om beleid dat ervoor kan zorgen dat onveiligheid wordt teruggedrongen. Denk
hierbij aan preventiebeleid, welzijnsbeleid, armoedebeleid, jeugdbeleid.
6
Week 1 (p. 3): onveiligheid als maatschappelijk probleem; laatmoderniteit en onzekerheid,
onveiligheid, typen onveiligheid, onveiligheid als maatschappelijk probleem (achtergronden en kritiek),
stijging en daling criminaliteit, veiligheidsgevoel, subjectieve onveiligheid, high-crime society,
objectieve vs. subjectieve onveiligheid, wat wil de burger van de overheid, vertrouwen in mens en
organisatie/gezag, aanpak onveiligheid, beleidscyclus, evaluatie.
Week 2 (p. 8): onveiligheidsgevoelens en ontwikkelingen in de veiligheidszorg;
onveiligheidsbeleving (dimensies), determinanten van, onveiligheidsgevoelens in de buurt
(bevindingen), veiligheidsutopie (Boutellier), angst-/slachtoffercultuur, immigratie vluchtelingen en
veiligheid, veranderingen in de veiligheidszorg (zes deelontwikkelingen), veranderingen in
veiligheidsdenken, Bunt en Van Swaanen, agendavorming.
Week 3 (p. 16): nieuwe partijen in de veiligheidszorg; integraal veiligheidsbeleid, jaren ’80
(criminaliteit op beleidsagenda), uitgangspunten bestuurlijke preventie (jaren ’80), uitgangspunten
vanaf 1993, integrale veiligheid, de veiligheidsketen, belang integrale aanpak, integraal
veiligheidsbeleid op lokaal niveau, gemeentelijke instrumenten, problemen in integraal
veiligheidsbeleid, lokale veiligheidsnetwerken, typen naar doel, aansturing, vier typen netwerken,
voordelen en nadelen veiligheidsnetwerken, samenwerking afhankelijk van.., fundamentele vragen,
bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit, elementen, bibob, veranderende positie gemeente,
implementatie veiligheidsbeleid, beleidsuitvoering, factoren die beleidsoutput beïnvloeden (Stickens
en Loyens).
Week 4 (p. 27): burgers als actieve partij in de veiligheidszorg; sociale cohesie, niveaus controle
(Carr), achtergronden actievere rol, responsibilisering overwegingen, zeven vormen van
burgerparticipatie: burgeringrijpen, stille marsen, actie en protest, ogen en oren, adviseur,
zelfredzaamheid, zelfbeheer, bystander intervention model (Latane en Darley), burgeringrijpen
Terpstra, zelfredzaamheid Frans Denkers, burgerwacht/appgroep, onderzoek Vasco Lub,
nadelen/spanningen.
Week 5 (p. 35): publieke en private veiligheidszorg; reassurance policing, politie vs. policing,
pluralisering politiefunctie, stille revolutie, achtergronden groei private sector, private veiligheidszorg,
particuliere opsporing, promotieonderzoek Clarissa Meerts, typen onderzoek in publieke ruimte,
toezichthouders in publieke ruimte, inzet private BOA Terpstra, regulering private vhz, uit boek: risico
georganiseerde criminaliteit voor bedrijfsleven, drie categorieën strategieën, factoren en
omstandigheden belemmering controle bedrijfsleven, gezag nieuwe toezichthouders, fragmentering en
vermarkting.
Week 6 (p. 44): verandering bij de politie; uit boek: bedrijfsmatigheid politie, substantieve en
symbolische legitimiteit, vier strategieën om politie als bedrijfsmatig te presenteren: politie als bedrijf,
presentatiesturing, kwaliteitsmanagement, burger als klant; wat is politiewerk, taak politie, aansturing
politie, gezag en beheer, veranderingen politiebestel, voordelen en nadelen centralisatie,
hoofdprocessen, politiemodellen, standaard model, community policing, oriented policing, focussed
policing, evaluatieonderzoek: interne validiteit, alternatieve verklaringen, onderzoeksdesigns,
Maryland Methods, black box speciale interventies.
,Week 7 (p. 52): mediatisering en de roep om harder straffen; Pauw en Witteman, mediatisering,
gevolgen mediatisering, framing, Keulse casus, Goudse casus, framing high profile cases, Marianne
Vaatstra, typen veranderingen Terpstra, gemediatiseerde arena Terpstra, gevolgen arena, sociale
media, opsporingsberichtgeving, gevolgen.
Week 8 (p. 58): verharding; drie dingen verharding, verandering politiek klimaat, verandering
opvatting burgers, feitelijke verandering aanpak, punitiever strafstelsel, verandering aanpak en
maatregelen, verharding vhz, achtergronden, rol media, argumenten verharding, vergelijking
buitenland, punitiviteitsindex, boek H5: regulering publieke ruimte, aanpak drugsoverlast Venlo,
uitgaansoverlast Eindhoven, aanpak onveiligheid Rotterdam, twee dimensies vier ideaaltypische
vormen regulering, politics of behaviour.
Week 9 (p. 64): technologische ontwikkelingen vhz; surveillance society, doelen techn.
ontwikkelingen, technologie bij politie, gebruik technologie in interventiestrategieën, gevolgen
technologie voor controle, big data policing, gevolgen technologie politiewerk, McGuire twee soorten
bezwaren over noodzaak menselijk ingrijpen, data professionals, SLB Lipsky, publieke waarden,
predictive policing, CAS in de praktijk.
Week 10 (p. 70): grenzen aan veiligheidszorg; risicodenken vhz, strafrecht vs. risicodenken,
risicomanagement, casus uitkeringsfraude, risicoregelreflex, meer en grotere risico's Van Waarden,
vhz als publiek goed, drie kenmerken publiek goed, paradoxen vhz Zedner.
2
,Week 1 – onveiligheid als maatschappelijk probleem
Laatmoderniteit en onzekerheid:
De overgang naar een laatmoderne samenleving is vlg. Gibbens het resultaat van drie al langer
lopende ontwikkelingen:
1. Gaat om een proces van globalisering, waardoor activiteiten en gebeurtenissen die op grote
afstand van elkaar plaatsvinden, directer met elkaar verbonden raken.
2. Sociale activiteiten worden steeds meer losgekoppeld van hun lokale context (disembedding),
waardoor tradities aan gewicht verliezen en een posstraditionele sociale orde ontstaat.
3. De sociale reflexiviteit groeit: de noodzaak om steeds meer te reflecteren op keuzes en
handelingen.
Deze ontwikkelingen leiden tot een groeiende culturele pluriformiteit en fragmentering en een
geleidelijk proces van individualisering. Hierdoor kunnen en moeten individuen steeds meer keuzes
maken uit verschillende levensstijlen -> keuzedwang.
Door het uit elkaar vallen van traditionele banden en het ontstaan van nieuwe relaties en
afhankelijkheden over grotere afstand, wordt onderling vertrouwen minder context- en
persoonsgebonden en meer gebaseerd op abstracte systemen.
De genoemde ontwikkelingen en het daardoor wankelende vertrouwen, leiden ertoe dat de
laatmoderne samenleving zich kenmerkt door onzekerheid en een hoog besef van risico’s onder
burgers.
Het karakter van de risico’s is veranderd. Een groot deel van de huidige risico’s vloeit voort uit of hangt
samen met menselijk handelen.
Er is een cultureel gefragmenteerde onderlaag ontstaan met vele vormen van achterstand.
De ontwikkeling naar een laatmoderne samenleving heeft in veel westerse landen ook consequenties
voor de positie van de overheid. De combinatie van hoog risicobesef, groot beroep op expertise van
abstracte systemen en een gebrek aan vertrouwen in capaciteiten, leidt ertoe dat het gezag en de
legitimiteit van de overheid hebben verloren.
Onveiligheid
Onveiligheid verwijst naar:
- Feitelijke gevaren
- Risico’s of bedreigingen
- Onveiligheidsgevoelens, angst
Een groot deel van de risico’s of bedreigingen proberen we al te dekken door maatregelen te nemen.
Denk aan het op slot zetten van je fiets, het op slot doen van de deur van je huis, etc.
Je kan het negatief of positief definiëren. Negatieve definitie is onveiligheid. Positieve definitie is
veiligheid.
- Onveiligheid heeft betrekking op situaties waarin gevaren en/of bedreigingen voor de mens
bestaan of worden verwacht en waarin het niveau en de aard van bescherming nu of in de
naaste toekomst onvoldoende zijn of als onvoldoende worden ervaren
- Veiligheid verwijst naar het buiten gevaar zijn, naar een gering risico dat een mens of groep
mensen iets ernstigs overkomt
Typen onveiligheid
Onderscheid tussen fysieke en maatschappelijke/sociale onveiligheid. Fysiek is bv een overstroming.
Het is iets waar mensen geen vat op hebben. Bij maatschappelijke/sociale onveiligheid gaat het om de
veiligheid die afhankelijk is van de mensen.
Onderscheid tussen objectieve en subjectieve onveiligheid. Objectief verwijst naar criminaliteitscijfers.
Bij subjectief gaat het meer om hoe mensen zich daarbij voelen.
3
,Een laatste onderscheid is dat van interne en externe onveiligheid. Intern is wat plaatsvindt op NL
grondgebied. Voorheen vooral politie bevoegd. Extern buiten de grenzen van NL. Voorheen vooral het
leger bevoegd. Tegenwoordig is dit onderscheid vager geworden.
Onveiligheid als maatschappelijk probleem
Er zijn enkele achtergronden waardoor onveiligheid een maatschappelijk probleem wordt.
- Er is meer aandacht voor risico’s. We nemen voorzorgsmaatregelen.
- We vragen van de overheid meer voorzorgsmaatregelen.
- Ondanks de daling van criminaliteit, is er niet per definitie een veiliger gevoel in de
samenleving.
- Aanpak onveiligheid leidt niet altijd tot meer veiligheidsgevoelens. Niet alle maatregelen die de
overheid treft, zorgen ervoor dat we ons veiliger voelen.
- Burgers hebben vaak een bepaalde angst. De angst is zelf oorzaak van (objectieve)
onveiligheid (stereotypen). Door de stereotypen zullen de groepen zich er ook naar gedragen.
Er wordt toch van ze verwacht dat ze voor onveiligheid zorgen.
Kritiek:
- Overheid houdt zich bezig met dingen die geen onveiligheid creëren. Denk aan hondenpoep
op straat bestraffen.
- Normen en waarden opgenomen, bv bedelen, maar maakt de samenleving niet per definitie
onveilig (fatsoenrakkerij).
- Leidt tot willekeur. Iedereen heeft angstgevoelens bij andere dingen.
- Burgers zijn voor veel dinge angstig en de overheid kan inspelen op angstmanagement. Doen
alsof er iets aan gedaan wordt, maar gebeurt niet echt.
- Dat leidt tot een semantisch sleepnet: we scharen er zoveel onder, dat het moeilijk te overzien
is wat het inhoudt en waar de overheid zich mee moet bezighouden.
- Vaag onbehagen
Besef van veiligheidsrisico’s blijft een belangrijk thema bij burgers. Uit zich op verschillende manieren:
1. De omvang van de criminaliteit heeft er in de NL samenleving toe bijgedragen dat veel
burgers in hun dagelijks leven voortdurend bedacht zijn op en rekening houden met
criminaliteit en onveiligheid.
2. Er blijft sprake van een wijdverspreid gevoel onder burgers dat de onveiligheid een groot
probleem is, terwijl het niveau van maatschappelijke veiligheid is verbeterd.
Waarom steeg criminaliteit
Er zijn verschillende redenen aan te wijzen waardoor de criminaliteit is gestegen:
1. Meer welvaart en grotere hoeveelheid consumptiegoederen, dus meer gelegenheid (na WO2).
Er werden meer vermogensdelicten gepleegd.
2. Sociale ongelijkheid (sociale en economische onderklasse). Die willen eigenlijk voldoen aan
de standaarden van de maatschappij. Die gaan meer criminaliteit om aan de standaarden te
voldoen. Tevens beperkte binding met samenleving.
3. Ethos van de marktsamenleving (hebzucht)
4. Globalisering. Internationale drugsmarkten staan op de stoep.
5. Vormen van sociale controle en toezicht zijn verdwenen of hebben kracht verloren.
6. Haperende handhaving. Er is een tekort. Ze gaan een selectie maken waar ze voorrang aan
geven. Bv meer moord en doodslag, maar daardoor bijna niet meer aan bv fietsdiefstal.
7. Individualisering en afnemend gezag. Minder mensen geloven en ze accepteren niet zonder
meer het gezag van politie.
o / Op veel terreinen hebben normen en regels duidelijkheid en gezag verloren. Dit stelt
hogere eisen aan zelfbeheersing en normbesef van burgers die niet altijd (in
voldoende mate) aanwezig is.
Waarom daalde criminaliteit
Er zijn ook redenen waarom de criminaliteit weer daalde (sinds 2005)
1. We zijn meer preventiemaatregelen gaat nemen. Voorkomen van bv diefstal.
2. Vergrijzing. Na de babyboom was er een hele grote groep jongeren die criminele dingen deed.
Die jongeren zijn ouder geworden waardoor de cijfers daalden.
4
, 3. Verandering drugsgebruik. Er zijn minder drugsgebruikers waardoor zij minder criminele
dingen doen.
Veiligheidsgevoel
Het gevoel van veiligheid bij mensen is ook wel afhankelijk van de plaats. In plaatsen waar veel
hangjongeren zijn, voelen mensen zich minder veilig.
Jongeren voelen zich vaker onveilig dan ouderen. Dit kan ook afhankelijk zijn van de plekken waar
mensen komen. Tevens is het afhankelijk van de levensstijl. Jongeren doen dingen die meer risico’s
meedragen dan ouderen.
Subjectieve onveiligheid
Er zijn drie soorten te onderscheiden
1. Angst en onveiligheidsgevoelens t.a.v. concrete situaties.
o Besef dat er in concrete situaties meer risico’s zijn.
2. Algemeen besef van risico’s.
o Mensen zijn zich bewust van de bestaande risico’s. Hierdoor passen mensen hun
gedrag aan.
3. Overtuiging dat veiligheid een groot een maatschappelijk en ernstig probleem is.
o Ze zijn zich bewust van het feit dat de samenleving in hun perceptie onveilig is
geworden.
o Niet op specifieke situaties, maar algemeen.
o Komt bv door programma’s op tv en dingen in het nieuws.
High-crime society
Het antwoord op de vraag of NL een high-crime society is, hangt af van hoe je ernaar kijkt. Als je bv
kijkt naar de cijfers, kan je stellen dat het beter is dan 20 jaar geleden, maar slechter dan 40 jaar
geleden.
Politieregistraties kunnen een vertekend beeld geven van de omvang, want is afhankelijk van de mate
waarin de politie op de hoogte raakt van gebeurtenissen en dit vastlegt.
Bevolkingsonderzoek legt criminaliteit vast op basis van slachtofferschap, dit biedt een ander beeld
van de ontwikkeling van criminaliteit.
Er is een groter algemeen risicobesef waar we ons gedrag op aanpassen. Hierdoor is criminaliteit een
normaal sociaal fenomeen geworden. We calculeren ons al in dat als we de fiets niet op slot zetten,
deze gestolen kan worden. op basis hiervan kan je zeggen meer high-crime dan vroeger.
Algemene vs. concrete situaties. Ziet erop wat de burger verwacht van de overheid. In het algemeen
wenst men een harde aanpak, tenzij het bv gaat om iemands eigen kind. In de concrete situatie wilt
men vaak toch iets anders dan in het algemeen.
Meer dan de toename van criminaliteit in de naoorlogse decennia lijken een wijdverspreid risicobesef,
vaag gevoel van onzekerheid en onveiligheid en daarop gerichte handelingspatronen onze
samenleving tot een high-crime society te maken.
Objectieve vs. subjectieve onveiligheid
Er is een bepaalde discrepantie tussen deze twee begrippen. Dit is op maatschappelijk en individueel
niveau.
Bij maatschappelijk noemen we dit gat de reassurance gap. Op individueel niveau noemen we dit gat
de paradox of fear.
- Reassurance gap -> discrepantie tussen het dalen van de cijfers, maar subjectief zien mensen
dit niet zo.
- Paradox of fear -> mensen die de meeste risico’s nemen voelen zich veiliger. Mensen die aan
de minste risico’s worden blootgesteld, voelen zich toch onveiliger.
5
, Wat wil de burger precies van de overheid
Burgers hebben hoge verwachtingen en eisen van de overheid. Ze willen een garantie op veiligheid.
Dit gaat gepaard met hard optreden.
Diepe fascinatie met politie en justitie. Hebben bepaalde verwachtingen, maar komt niet altijd overeen
met de praktijk.
Burgers stellen vrij hoge verwachtingen aan de politie. Ze vinden dat ze voor veiligheid moeten
zorgen. Ze geloven de politie echter niet dat ze dit kunnen garanderen. Er is een afname van gezag
en vertrouwen.
Opvattingen van de burgers over hoe het moet, lopen uiteen
- Enerzijds de wens om hard en repressief op te treden, zo lang het ‘de ander’ betreft die als
bedreigende buitenstander wordt gezien;
- Anderzijds als het om iemand gaat uit eigen kring, wilt men dat de politie bereikbaar en
beschikbaar is, minder hard optreedt.
Hangt samen met een ander verschijnsel -> enerzijds verwachten veel burgers van de overheid
garantie op veiligheid bij verstoringen door mensen die men een lage marginale positie toeschrijft en
zich niet identificeert en anderzijds claimen ze voor zichzelf en hun kinderen het recht op vrijheid,
spanning, avontuur of hardrijden.
Vertrouwen in mensen en organisatie/gezag
We zien wel dat het vertrouwen in politie en rechters hoger is. Dit is wel afhankelijk van aan wie je de
vraag stelt.
- Mensen met migratieachtergrond of laagopgeleid hebben minder vertrouwen
- Politie is geen afspiegeling van de samenleving
Roep om veiligheid -> mensen die de roep om veiligheid doen zijn meestal niet degenen die worden
onderworpen aan de handhaving van de politie.
Profileren -> zijn al die mensen die minder vertrouwen hebben in de politie.
Voor het begrijpen van verlies aan gezag en legitimiteit van de politie zijn twee maatschappelijke
ontwikkelingen belangrijk.
1. Onder invloed van individualisering, de-traditionalisering en groeiende sociale reflexiviteit op
veel terreinen een verschuiving plaats van bevels- naar onderhandelingshuishouding.
- Bevolking mondiger geworden en kritischer gaan denken over gezagsdragers
- Gezag moet verdiend worden op basis van prestaties
2. Processen van uitsluiting resulteren in een nieuwe stedelijke onderklasse.
Massamedia vormen een belangrijke stimulans bij het ontstaan van een nieuwe cultuur van emoties.
De betekenis die politie krijgt in een nieuwe emotie-cultuur biedt grote tegenstrijdigheden:
- Enerzijds hebben burgers hoge verwachtingen en eisen ten aanzien van de politie;
- Anderzijds is het vertrouwen dat ze aan de politie geven tijdelijk en voorwaardelijk.
Ze kunnen zich gemakkelijk afkeren van de emoties en verwachtingen. Klagen gemakkelijk over falen.
Emotiecultuur en dramademocratie horen bij elkaar en geven de politie een onvoorspelbare omgeving
die van het ene naar het andere uiterste kan schieten.
Men is over de eigen en bekende politie vaak positiever dan over politie in het algemeen.
Hoe wordt onveiligheid aangepakt
Er wordt op drie sporen ingezet:
1. Strafrecht
2. Bestuursrecht
3. Beleid
Bij beleid gaat het om beleid dat ervoor kan zorgen dat onveiligheid wordt teruggedrongen. Denk
hierbij aan preventiebeleid, welzijnsbeleid, armoedebeleid, jeugdbeleid.
6