,
,Hoofdstuk 1 - Inleiding in de ontwikkelingspsychologie
1.2 Nature en nurture
Ontwikkeling ontstaat uit de voortdurende interactie tussen erfelijke aanleg (nature) en omgeving en ervaring
(nurture). Geen van beide verklaart ontwikkeling volledig. Genetische aanleg beïnvloedt
ontwikkelingsmogelijkheden, terwijl opvoeding, onderwijs, voeding, sociale relaties en culturele context mede
bepalen hoe deze mogelijkheden worden gerealiseerd.
Nature: genetische en biologische aanleg.
Nurture: omgeving, leren en ervaringen.
Ontwikkeling: resultaat van voortdurende interactie tussen beide.
1.3 Sensitieve perioden
Een sensitieve periode is een ontwikkelingsfase waarin een kind bijzonder ontvankelijk is voor bepaalde
ervaringen of leerprocessen. Het ontbreken van optimale stimulatie tijdens zo'n periode kan ontwikkeling
bemoeilijken, maar betekent niet automatisch dat latere ontwikkeling onmogelijk is. Neuroplasticiteit maakt
aanpassing en leren gedurende de levensloop mogelijk.
1.4 Stapsgewijze en vloeiende ontwikkeling
Ontwikkeling kan continu verlopen of relatief discontinu worden beschreven. Bij een vloeiende ontwikkeling
veranderen vaardigheden geleidelijk; bij een stapsgewijze ontwikkeling worden kwalitatief verschillende
ontwikkelingsfasen onderscheiden. Deze indeling is vooral theoretisch: feitelijke ontwikkeling vertoont vaak
zowel continuiteit als kwalitatieve veranderingen.
1.5 Ontwikkelingsperioden
Ontwikkelingsperioden zijn analytische indelingen van de levensloop. Ze helpen om typische veranderingen en
ontwikkelingstaken te beschrijven, maar hebben geen absoluut biologisch begin- of eindpunt. Individuele
ontwikkeling varieert aanzienlijk.
Binnen het basisonderwijs zijn vooral de ontwikkeling van kleuters en schoolgaande kinderen relevant.
Lichamelijke, cognitieve, sociaal-emotionele en psychologische ontwikkeling verlopen daarbij onderling
samenhangend.
1.6 Ontwikkelingsopgaven en opvoedingstaken
Een ontwikkelingsopgave is een vaardigheid of aanpassing die binnen een bepaalde levensfase van het
individu wordt verwacht. Een opvoedingstaak betreft wat opvoeders moeten bieden om deze ontwikkeling te
ondersteunen.
Voor het onderwijs zijn vooral belangrijk:
toenemende zelfstandigheid;
sociale competentie;
leren omgaan met regels en verwachtingen;
ontwikkelen van leer- en probleemoplossende vaardigheden.
De leerkracht ondersteunt ontwikkeling door eisen af te stemmen op het ontwikkelingsniveau en door een
stimulerende leeromgeving te creëren.
, 1.7 Visies op ontwikkeling
Ontwikkeling kan vanuit verschillende theoretische perspectieven worden verklaard. Geen enkel model
verklaart alle ontwikkelingsverschijnselen volledig. Theorieën verschillen vooral in de factoren die zij als
doorslaggevend beschouwen.
Belangrijke perspectieven leggen nadruk op:
leren en gedrag;
interactie tussen persoon en omgeving;
biologische en neurologische ontwikkeling;
cognitieve processen.
Een wetenschappelijk onderbouwde interpretatie vereist daarom kritisch vergelijken van verklaringsmodellen.
1.8 Behavioristische benadering
Het behaviorisme verklaart gedrag voornamelijk vanuit waarneembare gedragsveranderingen en
leerprocessen. Gedrag wordt beïnvloed door consequenties en omgevingsprikkels. Vooral conditionering en
bekrachtiging zijn relevant.
Bij positieve bekrachtiging wordt gedrag gevolgd door een consequentie die de kans op herhaling verhoogt.
Straf is daarentegen gericht op het verminderen van gedrag. Voor onderwijs betekent dit dat de consequenties
van gedrag systematisch kunnen worden gebruikt om gewenst gedrag te versterken.
1.9 Systeemtheoretische benadering
De systeemtheoretische benadering beschouwt ontwikkeling als het resultaat van voortdurende wederzijdse
beïnvloeding tussen het kind en verschillende omgevingssystemen. Het kind ontwikkelt zich dus niet los van
gezin, school, leeftijdsgenoten en bredere maatschappelijke context.
Een gedragsprobleem kan daarom niet uitsluitend als een eigenschap van het kind worden geïnterpreteerd.
Ook relaties, verwachtingen, groepsdynamiek en de onderwijscontext kunnen bijdragen aan het ontstaan en
voortbestaan van gedrag.
1.10 Neurowetenschappelijke benadering
De neurowetenschappelijke benadering bestudeert ontwikkeling vanuit veranderingen in hersenen en
zenuwstelsel. Hersenontwikkeling omvat onder andere rijping, verbindingen tussen neuronen en
neuroplasticiteit. Ervaringen beïnvloeden mede de ontwikkeling en organisatie van neurale netwerken.
Voor het onderwijs zijn vooral relevant:
ontwikkeling van aandacht en werkgeheugen;
rijping van executieve functies;
neuroplasticiteit;
invloed van slaap, stress en omgeving op leren.
Neurowetenschappelijke kennis moet kritisch worden toegepast. Een biologische bevinding verklaart niet
automatisch het complexe gedrag van een individueel kind.
,Hoofdstuk 1 - Inleiding in de ontwikkelingspsychologie
1.2 Nature en nurture
Ontwikkeling ontstaat uit de voortdurende interactie tussen erfelijke aanleg (nature) en omgeving en ervaring
(nurture). Geen van beide verklaart ontwikkeling volledig. Genetische aanleg beïnvloedt
ontwikkelingsmogelijkheden, terwijl opvoeding, onderwijs, voeding, sociale relaties en culturele context mede
bepalen hoe deze mogelijkheden worden gerealiseerd.
Nature: genetische en biologische aanleg.
Nurture: omgeving, leren en ervaringen.
Ontwikkeling: resultaat van voortdurende interactie tussen beide.
1.3 Sensitieve perioden
Een sensitieve periode is een ontwikkelingsfase waarin een kind bijzonder ontvankelijk is voor bepaalde
ervaringen of leerprocessen. Het ontbreken van optimale stimulatie tijdens zo'n periode kan ontwikkeling
bemoeilijken, maar betekent niet automatisch dat latere ontwikkeling onmogelijk is. Neuroplasticiteit maakt
aanpassing en leren gedurende de levensloop mogelijk.
1.4 Stapsgewijze en vloeiende ontwikkeling
Ontwikkeling kan continu verlopen of relatief discontinu worden beschreven. Bij een vloeiende ontwikkeling
veranderen vaardigheden geleidelijk; bij een stapsgewijze ontwikkeling worden kwalitatief verschillende
ontwikkelingsfasen onderscheiden. Deze indeling is vooral theoretisch: feitelijke ontwikkeling vertoont vaak
zowel continuiteit als kwalitatieve veranderingen.
1.5 Ontwikkelingsperioden
Ontwikkelingsperioden zijn analytische indelingen van de levensloop. Ze helpen om typische veranderingen en
ontwikkelingstaken te beschrijven, maar hebben geen absoluut biologisch begin- of eindpunt. Individuele
ontwikkeling varieert aanzienlijk.
Binnen het basisonderwijs zijn vooral de ontwikkeling van kleuters en schoolgaande kinderen relevant.
Lichamelijke, cognitieve, sociaal-emotionele en psychologische ontwikkeling verlopen daarbij onderling
samenhangend.
1.6 Ontwikkelingsopgaven en opvoedingstaken
Een ontwikkelingsopgave is een vaardigheid of aanpassing die binnen een bepaalde levensfase van het
individu wordt verwacht. Een opvoedingstaak betreft wat opvoeders moeten bieden om deze ontwikkeling te
ondersteunen.
Voor het onderwijs zijn vooral belangrijk:
toenemende zelfstandigheid;
sociale competentie;
leren omgaan met regels en verwachtingen;
ontwikkelen van leer- en probleemoplossende vaardigheden.
De leerkracht ondersteunt ontwikkeling door eisen af te stemmen op het ontwikkelingsniveau en door een
stimulerende leeromgeving te creëren.
, 1.7 Visies op ontwikkeling
Ontwikkeling kan vanuit verschillende theoretische perspectieven worden verklaard. Geen enkel model
verklaart alle ontwikkelingsverschijnselen volledig. Theorieën verschillen vooral in de factoren die zij als
doorslaggevend beschouwen.
Belangrijke perspectieven leggen nadruk op:
leren en gedrag;
interactie tussen persoon en omgeving;
biologische en neurologische ontwikkeling;
cognitieve processen.
Een wetenschappelijk onderbouwde interpretatie vereist daarom kritisch vergelijken van verklaringsmodellen.
1.8 Behavioristische benadering
Het behaviorisme verklaart gedrag voornamelijk vanuit waarneembare gedragsveranderingen en
leerprocessen. Gedrag wordt beïnvloed door consequenties en omgevingsprikkels. Vooral conditionering en
bekrachtiging zijn relevant.
Bij positieve bekrachtiging wordt gedrag gevolgd door een consequentie die de kans op herhaling verhoogt.
Straf is daarentegen gericht op het verminderen van gedrag. Voor onderwijs betekent dit dat de consequenties
van gedrag systematisch kunnen worden gebruikt om gewenst gedrag te versterken.
1.9 Systeemtheoretische benadering
De systeemtheoretische benadering beschouwt ontwikkeling als het resultaat van voortdurende wederzijdse
beïnvloeding tussen het kind en verschillende omgevingssystemen. Het kind ontwikkelt zich dus niet los van
gezin, school, leeftijdsgenoten en bredere maatschappelijke context.
Een gedragsprobleem kan daarom niet uitsluitend als een eigenschap van het kind worden geïnterpreteerd.
Ook relaties, verwachtingen, groepsdynamiek en de onderwijscontext kunnen bijdragen aan het ontstaan en
voortbestaan van gedrag.
1.10 Neurowetenschappelijke benadering
De neurowetenschappelijke benadering bestudeert ontwikkeling vanuit veranderingen in hersenen en
zenuwstelsel. Hersenontwikkeling omvat onder andere rijping, verbindingen tussen neuronen en
neuroplasticiteit. Ervaringen beïnvloeden mede de ontwikkeling en organisatie van neurale netwerken.
Voor het onderwijs zijn vooral relevant:
ontwikkeling van aandacht en werkgeheugen;
rijping van executieve functies;
neuroplasticiteit;
invloed van slaap, stress en omgeving op leren.
Neurowetenschappelijke kennis moet kritisch worden toegepast. Een biologische bevinding verklaart niet
automatisch het complexe gedrag van een individueel kind.