Bloedverlies & Rouwverwerking
Module MD-K 5.3: Bloedverlies in het 2e en 3e trimester
Module MD-K 5.4: Perinataal Verlies en Rouwverwerking
Niveau: HBO+ (Academische verloskunde / klinische verloskunde)
Aantal vragen: 30 Meerkeuzevragen (inclusief uitgebreide antwoordsleutel)
____________________________________________________
Instructies voor de student
Deze oefentoets is ontworpen om uw kennis en klinisch inzicht te toetsen over bloedverlies in de
second helft van de zwangerschap (ante partum hemorragie) en de bijbehorende psychosociale
aspecten rondom perinataal verlies en rouwverwerking op HBO+ niveau.
• Beantwoord de 30 meerkeuzevragen zonder gebruik te maken van hulpbronnen.
• Er is telkens slechts één antwoord het meest juist.
• Onder de toets vindt u de volledige antwoordsleutel met een uitgebreide pathofysiologische en
psychosociale toelichting per vraag.
Veel succes met het maken van deze oefentoets!
, Oefentoets MD-K 5.3: Bloedverlies en Rouw | HBO+ Niveau
Deel 1: Bloedverlies in het tweede en derde trimester
Vraag 1. Vanaf welke zwangerschapsduur spreekt men formeel van een ante partum
hemorragie (bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap)?
A) Vanaf 12 weken zwangerschapsduur
B) Vanaf 20 weken zwangerschapsduur
C) Vanaf 24 weken zwangerschapsduur
D) Vanaf 28 weken zwangerschapsduur
Vraag 2. Wat is het primaire pathofysiologische mechanisme achter het helderrode, pijnloze
bloedverlies bij een placenta praevia in het derde trimester?
A) Een acute stollingsstoornis in het retroplacentaire vaatbed door massaal verbruik van
fibrinogeen.
B) Het oprekken van het nieuw gevormde onderste uterussegment, waarbij de niet-elastische
placenta deels loslaat van de decidua.
C) Een traumatische scheur in de foetale vaten die velamenteus over het ostium internum
verlopen.
D) Infiltratie van bloed in het myometrium waardoor de uteruswand bezwijkt onder druk.
Vraag 3. Welke klinische combinatie van symptomen is kenmerkend voor een placenta
praevia bij palpatie en inspectie?
A) Acute, hevige en continu aanhoudende buikpijn met een hypertone, plankharde uterus.
B) Pijnloos, helderrood vaginaal bloedverlies met een soepele baarmoeder bij palpatie.
C) Gering donkerrood bloedverlies gepaard met snelle foetale nood en maternale shock.
D) Direct foetaal bloedverlies direct na het breken van de vliezen met foetale bradycardie.
Vraag 4. Wat is de definitie en de onderliggende pathofysiologie van een abruptio placentae
(solutio placentae)?
A) Een abnormaal lage implantatie van de placenta over of nabij het ostium internum.
B) Het onbeschermd verlopen van foetale bloedvaten door de vliezen heen over het ostium
internum.
C) De voortijdige loslating van een normaal geïmplanteerde placenta door een bloeding in de
decidua basalis.
D) Een mechanische scheur in de baarmoederwand ter hoogte van een eerdere
keizersnedelitteken.
Vraag 5. Wat is een 'Cuvelaire uterus' en bij welke pathologie kan dit optreden?
A) Een abnormaal gevormde, tweehoornige baarmoeder die lichte bloedingen veroorzaakt bij
placenta circumvallata.
B) Een extreem pijnlijke en paarsblauwe baarmoeder door infiltratie van bloed in het
myometrium bij een abruptio placentae.
Pagina