MD-K 5.14 Neonatale Problematiek
Moduledoel 15. Je legt de pathofysiologie, diagnostiek, risico's en
beleidsopties uit van de volgende neonatale problematiek: polycytemie en
hyperbilirubinemie.
1. Inleiding en context van neonatale problematiek
De transitie van het foetale naar het extra-uteriene leven vereist ingrijpende fysiologische adaptaties
van de neonaat. Tijdens de intra-uteriene fase bevindt de foetus zich in een relatief hypoxische
omgeving, wat wordt gecompenseerd door een hoog circulerend bloedvolume, een hoge
hematocrietwaarde (Ht) en een predominantie van foetaal hemoglobine (HbF) met een hoge
zuurstofaffiniteit (Mfnp H8; Warris, 2021). Direct postpartum moet de neonaat schakelen naar
pulmonale gaswisseling, waarbij de foetale erytrocytenmassa versneld wordt afgebroken en vervangen
door volwassen hemoglobine (HbA).
Wanneer deze fysiologische adaptatie ontspoort, kunnen twee veelvoorkomende maar potentieel
bedreigende neonatale ziektebeelden ontstaan: polycytemie (overmatige erytrocytenmassa leidend tot
hyperviscositeit) en hyperbilirubinemie (overmatige ophoping van bilirubine leidend tot icterus en risico
op neurotoxiciteit). Dit onderwijsdocument biedt een hoogwaardige, wetenschappelijk en klinisch
onderbouwde uitwerking van Moduledoel 15 voor de verloskundige praktijk (De Jonge et al., 2025;
Warris, 2021).
2. Polycytemie bij de Neonaat
2.1 Definitie en Epidemiologie
Neonatale polycytemie wordt gedefinieerd als een veneuze hematocrietwaarde (Ht) ≥ 0,65 (65%) of
een veneuze hemoglobineconcentratie (Hb) ≥ 14,0 mmol/L (gekalibreerd op veneus volbloed bij de à
terme neonaat) (De Jonge et al., 2025; Warris, 2021). De prevalentie bedraagt circa 1% tot 5% onder
gezonde à terme neonaten, maar stijgt significant tot 10–15% bij specifieke risicogroepen zoals
neonaten met foetale groeirestrictie (FGR) of kinderen van moeders met diabetes mellitus (De Jonge et
al., 2025).
Kritische Diagnostische Valkuil: Capillair afgenomen bloed (via een hielprik) heeft door stase in de
microcirculatie een hematocrietwaarde die fysiologisch 5% tot 15% hoger ligt dan veneus bloed. Een
diagnose polycytemie mag daarom NOOIT louter op basis van een capillaire hielprik worden gesteld; een
afwijkende capillaire Ht vereist altijd confirmatie middels een veneuze venapunctie uit een centrale of
perifere ader (Warris, 2021).
Pagina 1
, MD-K 5.14 Neonatale Problematiek | Moduledoel 15
2.2 Pathofysiologie en Oorzaken
De etiologie van neonatale polycytemie wordt onderverdeeld in twee hoofdmechanismen: passieve
transfusie (normale erythropoëse met verhoogd bloedvolume) en actieve/stimulatoire erythropoëse
(intra-uteriene hypoxie of endocriene prikkeling) (De Jonge et al., 2025; Warris, 2021).
Passieve Transfusie (Placentaire / Foetale Transfusie): Vertraagde navelstrengafklemming (delayed
cord clamping > 3 minuten) of 'melken' van de navelstreng verhoogt het neonatale bloedvolume
met 30–40%. Tevens materno-foetale transfusie en twin-to-twin transfusiesyndroom (TTTS, waarbij
de acceptor-twin polycytemisch wordt) (De Jonge et al., 2025).
Actieve Erythropoëse door Intra-uteriene Hypoxie: Chronische foetale hypoxie stimuleert de
foetale nier tot overmatige erythropoëtine-afgifte (EPO). Dit treedt klassiek op bij placental
insufficiëntie, ernstige pre-eclampsie, maternaal roken, chronische hypertensie, postmaterniteit (>
42 weken) en foetale groeirestrictie (FGR / dysmaturiteit) (De Jonge et al., 2025; Mfnp H8).
Endocriene en Metabole Stoornissen: Kinderen van moeders met diabetes mellitus (LGA / infant of
diabetic mother) vertonen foetale hyperinsulinemie. Insuline werkt als een krachtige foetale
groeifactor die, samen met foetale weefselhypoxie door verhoogde metabole behoefte, de
erythropoëse stimuleert. Tevens bij neonatale thyreotoxicose en congenitale
bijnierschorshyperplasie (Mfnp H16; Warris, 2021).
Chromosomale Afwijkingen: Verhoogde incidentie bij trisomie 21 (syndroom van Down), trisomie
18 en trisomie 13 door verstoorde beenmergregulatie (Warris, 2021).
2.3 Klinisch Beeld en Hyperviscositeitssyndroom
De belangrijkste klinische complicatie van polycytemie is het hyperviscositeitssyndroom. Boven een Ht
van 0,65 neemt de viscositeit van het bloed niet-lineair (exponentieel) toe. Dit veroorzaakt een sterk
verhoogde vaatweerstand, stase in de microcirculatie, weefselhypoxie en een verhoogd risico op
microthrombose in vitale organen (De Jonge et al., 2025; Warris, 2021).
Klinische symptomen en orgaancomplicaties omvatten:
Plethora: Een diep donkerrode tot paarsrode huidkleur, voornamelijk zichtbaar bij huilen of rust
(moet worden onderscheiden van perifere acrocyanose).
Neurologische verschijnselen: Lethargie, hypotonie, prikkelbaarheid, zwak zuigen, tremoren en in
ernstige gevallen insulten of cerebrale infasering door verminderde cerebrale perfusie (Warris,
2021).
Cardiopulmonale verschijnselen: Tachypneu, cyanose, apnoes, cardiomegalie en persistente
pulmonale hypertensie van de neonaat (PPHN) door verhoogde pulmonale vaatweerstand (De Jonge
et al., 2025).
Metabole complicaties: Hypoglykemie (door verhoogde glucoseconsumptie door de grote massa
erytrocyten en verstoorde hepatic gluconeogenese) en hypocalciëmie (De Jonge et al., 2025).
Gastro-intestinale complicaties: Slecht verdragen van voeding, buikdistensie, braken en een
verhoogd risico op necrotiserende enterocolitis (NEC) door darmischemie (Warris, 2021).
Renale complicaties: Oligurie, proteïnurie en nieraderthrombose (renaal aderthrombose)
gepresenteerd met hematurie en een bruikbare flankmassa (Warris, 2021).
Pagina 2