MD-K 5.5 Hoogstaand Caput à Terme
Uitwerking Moduledoel:
Moduledoel 6. Je legt de pathofysiologie, prevalentie, risico’s en beleidsopties uit van een
hoogstaand caput à terme.
Definitie, prevalentie en epidemiologie
Van een hoogstaand caput à terme — klinisch ook wel aangeduid als Caput Beweeglijk Boven
BekkenIngang (CBBBI) — is sprake wanneer het grootste deel van het foetale hoofd zich rond of na een
zwangerschapsduur van 37+0 weken nog boven de bekkeningang bevindt en niet is ingedaald in het
benige bekken (Hodge 1 of hoger) (De Jonge et al., 2025; Kruit & Roon, 2025).
In een ongecompliceerde zwangerschap daalt bij de westerse/Europese nullipara het caput normaal
gesproken vanaf een zwangerschapsduur van 36 weken, maar vaak al eerder, geleidelijk in het bekken in
(De Jonge et al., 2025). Het persisteren van een hoogstaand caput à terme bij een Europese primigravida
vereist daarom klinische waakzaamheid, aangezien dit een eerste aanwijzing kan zijn voor een
anatomische of mechanische baringsbelemmering (De Jonge et al., 2025).
Er bestaan echter belangrijke fysiologische variaties in de prevalentie van indaling:
Multiparae: Bij multiparae blijft het caput rond de à terme datum zeer frequent beweeglijk op of
boven de bekkeningang staan. Dit wordt veroorzaakt door een slappere uterus- en buikwand,
waardoor er meer ruimte is in de buikholte en de foetus pas aan het begin van of tijdens de baring
indaalt (De Jonge et al., 2025).
Etnische variatie: Bij niet-Europese nulliparae (in het bijzonder bij vrouwen van Afrikaanse/negroïde
afkomst) daalt het caput ante partum vaak niet in als gevolg van een sterkere lumbale lordose en
een specifieke bekkenkanteling (De Jonge et al., 2025).
Ruim bekken / Klein kind: Bij een ruim maternaal bekken in combinatie met een relatief kleine
foetus ontbreekt de mechanische drang tot vroegtijdige fixatie in de bekkeningang (De Jonge et al.,
2025).
2. Pathofysiologie en Differentiële Diagnostiek van Oorzaken
Het niet-indalen van de schedel à terme kan berusten op fysiologische varianten, maar kan eveneens
veroorzaakt worden door maternale of foetale pathologie die de passage naar of afsluiting van de
bekkeningang belemmert (De Jonge et al., 2025).
Categorie Oorzaak / Risicofactor Pathofysiologisch Mechanisme
Maternale Factoren Fysiologische variatie Slappe buik- en uteruswand bij
Pagina 1
, MD-K 5.5 Hoogstaand caput à terme | Onderwijsdocument
multiparae; sterke lumbale lordose.
Maternale Factoren Blaas- / Dectumobstructie Volle blaas of gevulde ampulla recti
blokkeert fysiek de indaling van het
caput.
Maternale Factoren Obstructie bekkeningang Placenta praevia
(totalis/partialis/marginalis), laagliggende
placenta of cervicaal myoom verhindert
contact tussen caput en bekken.
Maternale Factoren Bekkenafwijkingen Vernauwd bekken (bv. dwarsvernauwd
bekken, platypelloïd bekken, status na
bekkenfractuur of rachitis).
Vruchtwater Polyhydramnion Overmatige hoeveelheid vruchtwater
leidt tot een uitgerekte uterus en
overmatige beweeglijkheid van de
foetus.
Foetale Factoren Macrosomie / Disproportie Relatieve of absolute Cefalopelviene
Disproportie (CPD) tussen de foetale
schedel en het maternale bekken.
Foetale Factoren Deflexie- en Standsafwijkingen Kruinligging (distantia fronto-occipitalis
12 cm), voorhoofdsligging, hoge
rechtstand of wandbeenligging
(asynclitisme).
Foetale Factoren Foetale afwijkingen Hydrocefalus, nektumoren of congenitale
malformaties die de schedelomvang of
flexie beïnvloeden.
Foetale Factoren Uitgezakt klein deel Nevenliggend of uitgezakt handje/armpje
naast het caput verhindert diepe
indaling.
Pagina 2