probleem 1
Leerdoelen
Wat is de verhouding tussen de juridische en empirische bestudering van het recht?
De verschillen tussen de juridische en empirische bestudering van het recht worden eerst geaccentueerd aan de
hand van deze vier dimensies om ze vervolgens te nuanceren.
- Eerste dimensie
De eerste dimensie waarop de juridische en empirische bestudering van het recht van elkaar worden onderscheiden
betreft de onderzoeksdoelen: wat de onderzoeker wil bereiken.
De juridische bestudering van het recht kan primair worden gekarakteriseerd als praktijkgericht. Deze praktische
oriëntatie komt voort uit de zoektocht van juristen naar de best mogelijke antwoorden op rechtsvragen binnen een
bestaand rechtssysteem. Hierbij gaat het om vragen als hoe het recht moet worden toegepast, geïnterpreteerd en
verder ontwikkeld.
De juridische bestudering van het recht kan daarmee worden opgevat als een commentaar op de rechtspraktijk die
eventueel vergezeld gaat van adviezen over rechtsvorming. Dit commentaar kan worden gegeven in de vorm van
annotaties, preadviezen of handboeken. De focus op de uitleg en hantering van gedragsnormen binnen een gegeven
juridische context wijst tevens op de normatieve insteek van de juridische bestudering van het recht.
De empirische bestudering van het recht houdt eerder verband met het streven om kennis te genereren door
middel van het beschrijven van de rechtspraktijk, het begrijpen van het functioneren ervan en het verklaren van de
oorzaken en gevolgen van recht in de samenleving. De inzichten die dit oplevert kunnen een bijdrage leveren aan de
oplossing van problemen die spelen in de rechtspraktijk, maar dat hoeft niet. De nadruk ligt meer op het genereren
van kennis over hoe het er feitelijk in de rechtspraktijk aan toegaat dan op hoe het eraan toe zou moeten gaan.
Het is de bedoeling dat waarnemingen op een zo objectief mogelijke manier worden gedaan. Dit betekent niet dat
het uitgangspunt van de empirische bestudering van het recht is dat de waarden van de onderzoeker geen enkele rol
spelen. Persoonlijke waarden dringen namelijk door in de keuze van onderzoeksvragen, theoretische perspectieven
en onderzoeksmethoden. Echter juist vanwege het besef dat er niet zoiets bestaat als ‘a view from nowhere’ is het
streven van de empirische onderzoeker erop gericht om de sociale werkelijkheid zo objectief mogelijk te bestuderen
gegeven de gemaakte keuzes.
- Tweede dimensie
De tweede dimensie gaat over het gehanteerde perspectief: intern of extern.
Aan de juridische bestudering van het recht wordt vaak een intern perspectief toegeschreven. Dit houdt in dat de
rechtswetenschapper de regels van een juridisch systeem volgt waarin de redelijke afweging van belangen, waarden
en doeleinden centraal staat.
De empirische bestudering van het recht wordt eerder in verband gebracht met een extern perspectief. Een
onderzoeker die een extern perspectief hanteert, observeert de gedragingen, emoties, opvattingen en belangen van
deelnemers aan de rechtspraktijk van buitenaf en probeert deze te beschrijven en verklaren zonder zelf een
normatieve positie in te nemen ten opzichte van de gedragingen en betekenissen die onderzochten aan hun eigen
handelen toeschrijven.
- Derde dimensie
De derde dimensie in het onderscheid tussen een juridische en empirische bestudering van het recht heeft
betrekking op de gehanteerde methode.
In de juridische bestudering van het recht wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de hermeneutische methode die
vooral gangbaar is binnen de geesteswetenschappen. In de hermeneutische methode staat de interpretatie van
, teksten centraal. Hierbij kan nader onderscheid worden gemaakt tussen de interpretatie van de letterlijke betekenis
van wetgeving, de bedoelingen van de wetgever of de bedoelingen van de wet.
Kenmerkend voor de empirische bestudering van het recht is dat daarbij gebruik wordt gemaakt van
onderzoeksmethoden uit de sociale wetenschappen. Dit houdt in dat gegevens op systematische wijze worden
verzameld en geanalyseerd en dat er uitgebreid verantwoording wordt afgelegd over methodologische keuzes. In
dit geval wordt voldaan aan de zogenoemde replicatiestandaard. Deze standaard houdt in dat iedereen in principe
in staat moet zijn om onderzoek dat door een ander is verricht te begrijpen, beoordelen, verder te ontwikkelen of te
reproduceren zonder aanvullende informatie van de onderzoeker.
- Vierde dimensie
De vierde dimensie in het onderscheid tussen een juridische en empirische bestudering van het recht betreft de
kennisclaims die worden gemaakt (het proces van kennisverwerving en de rechtvaardiging van dat proces).
Kennisclaims kunnen gebaseerd zijn op autoriteitsargumenten of onpersoonlijke waarheidsclaims en kunnen tijds-
of plaatsgebonden zijn of juist meer universele pretenties hebben.
In de juridische bestudering van het recht spelen autoriteitsargumenten mee in de acceptatie van kennisclaims.
Belangrijke kwesties worden aan een Hooggerechtshof voorgelegd met als doel dat deze een richtinggevende
uitspraak kan doen, waar de rechtspraktijk weer even mee voort kan. Ook worden opinies over juridische kwesties
serieuzer genomen naarmate de jurist die ze heeft opgeschreven meer aanzien geniet binnen de juridische
gemeenschap. Daarnaast blijven kennisclaims die volgen uit de juridische bestudering van het recht vaak bewust
beperkt tot een specifieke casus of het geldende rechtssysteem waar ze betrekking op hebben. Met andere
woorden: de kennisclaims zijn veelal tijds- en plaatsgebonden.
In de empirische bestudering van het recht is er geen hogere autoriteit die vaststelt welke kennis valide is of niet.
Kennisclaims zijn eerder gebaseerd op onpersoonlijke criteria zoals de validiteit en objectiviteit van waarnemingen
van de onderzoeker. Daarnaast is het uitgangspunt van empirisch onderzoek om na te gaan of de gevallen die zijn
onderzocht representatief zijn voor een grotere categorie of populatie. Dit betekent dat het doel van empirisch
onderzoek is om kennis te genereren die generaliseerbaar is naar andere tijden of plaatsen.
Nuancering
De onderzoeksdoelen van de juridische bestudering van het recht zijn gekarakteriseerd als praktisch en normatief.
Deze karakterisering is maar gedeeltelijk juist omdat niet al het juridisch onderzoek positiefrechtelijk van aard is. Er
bestaat ook rechtstheoretisch onderzoek en juridisch onderzoek met een natuurrechtelijke insteek, waarin de
aandacht eerder uitgaat naar eigenschappen van het recht die specifieke jurisdicties overstijgen.
Bovendien speelt de objectieve beschrijving van bestaande wet- en regelgeving en van verschillen tussen juridische
praktijken en systemen ook een wezenlijke rol in positiefrechtelijk onderzoek, bijvoorbeeld als in rechtsvergelijkend
onderzoek rechtsstelsels of specifieke rechtsfiguren in verschillende landen onderling vergeleken worden. Dit
betekent dat beschrijvend en objectief onderzoek ook een plek heeft in de juridische bestudering van het recht.
De karakterisering van empirisch onderzoek als beschrijvend en/of verklarend en objectief verdient eveneens
nuancering.
Allereerst is er ook veel empirisch onderzoek dat specifiek is gericht op de bestudering van vragen die relevant zijn
voor de rechtspraktijk. Bovendien wordt er binnen de empirische bestudering van het recht ook uitgesproken
normatief onderzoek verricht. Dit geldt bijvoorbeeld voor ‘critical legal studies’ die veelal tot doel hebben om
onderdrukkende en uitsluitende denkbeelden en uitgangspunten bloot te leggen die in het recht zijn vervat. Dit
betekent dat praktisch en normatief onderzoek ook een plek hebben in de empirische bestudering van het recht.
Ook het onderscheid tussen een intern juridisch perspectief en een extern empirisch perspectief is minder scherp
dan het wellicht in eerste instantie lijkt. Enerzijds kan een extern perspectief op verschillende manieren doordringen
in de juridische bestudering van het recht.
Allereerst zijn er rechtswetenschappers die in hun onderzoek een intern perspectief combineren met empirische
inzichten. Anderzijds kan een intern perspectief doordringen in de empirische bestudering van het recht wanneer
empirisch onderzoekers zelf een juridische achtergrond hebben of als ze, net als de deelnemers aan de
rechtspraktijk, de regels van een juridisch systeem als vertrekpunt van hun onderzoek nemen.