13.1 Ademhaling
Cellulaire of “interne” “externe” ademhaling
ademhaling
= biomedisch proces dat O2 = opname O2 en afgave CO2
verbruikt en CO2 produceert Gebeurt meestal in speciale
systemen
Ademhalingsorganen =
plaatsen waar O2 in het bloed
komt en CO2 door het bloed
wordt afgegeven = plaatsen
van gasuitwisseling
13.2 Principes gasuitwisseling
Gaswisseling gebeurt:
Altijd in een vloeibaar milieu, zelfs in landvertebraten (dun
waterlaagje bedekt ademhalingsepitheel van longen)
Via diffusie
Diffusiesnelheid tussen 2 milieus wordt bepaald door de diffusiewet van
Fick
S = diffusiesnelheid
D = diffusieconstante (grootte, permeabiliteit, …)
A = oppervlakte waarover de diffusie plaats vindt D ⋅ A ⋅ Δp
S=
d
Δp = drukverschil over membraan tussen 2 regio’s
d = afstand waarover de diffusie opgaat
Gassen diffunderen rechtstreeks in unicellulaire organismen gebruiken
vaak cilia om waterstroom te verzekeren verhoogd drukverschil
Multicellulaire dieren hebben aangepaste systemen
13.3 Kieuwademhaling
Kieuwen zijn gespecialiseerde weefselextensies die in onmiddellijk
contact staan met het water
Groot oppervlak en dunne wand
Extern of intern
Bij vele Protostomia: veel Mollusca, deel Annelida, Crustacea
Bij Deutrostomia: Echinodermata, vissen, larvale amfibieën
Externe kieuwen zijn niet bedekt in eerste vissen en larvale amfibieën (+
axolotl)
, Nadelen: moeten constant in beweging gehouden worden om
contact met vers O2 rijk water te verzekeren en worden makkelijk
beschadigd
Sommige aquatische dieren hebben branchiale kamers met stationaire
kieuwen
Kieuwen van beenvissen zitten tussen de orale holte en de operculaire of
kieuwholtes
Deze holtes functioneren als pompen die alternerend uitzetten
Water gaat in de mond, over de kieuwen en terug uit de vis door het
open operculum
O2 rijk water wordt over kieuwen gebracht via:
Bucale drukpomp – operculaire zuigpomp
Ramventilatie (tonijn)
Aan elke kant van het hoofd 3 tot 7 (meestal 4) kieuwbogen
opgebouwd uit 2 rijen van kieuwfilamenten bestaan uit lamellen
Water stroomt over lamel in één richting
Binnen elke lamel stroomt het bloed in tegenovergestelde richting van de
waterstroom = tegenstroomuitwisseling creëert maximale
oxygenatie van bloed
13.4 Huidademhaling
Voorwaarde: dunne en vochtige huid
Typisch voor vele kleine Protostomia: platwormen, rondwormen,
vele gelede wormen
Bij vertebraten vooral amfibieën, al dan niet in combinatie met
longademhaling
Ook bij sommige aquatische reptielen (schildpadden)