12.1 Organisatie ven het zenuwstelsel
Alle dieren moeten kunnen reageren op inwendige en omgevingsfactoren
Informatie verzamelen: signaal via sensorische neuronen
Gegevens verwerken: communicatie/interpretatie via interneuronen
Op gepaste manier reageren: signaal via motorische neuronen
Het zenuwstelsel:
Verbindt sensorische receptoren en motorische effectoren
(spieren/klieren)
Bestaat uit neuronen en ondersteunende cellen
Neuronen: geleiding van de zenuwimpulsen
Vertebraten hebben 3 types neuronen of zenuwcellen:
1) Sensorische neuronen (afferente neuronen)
Dragen de impulsen naar het centraal zenuwstelsel (CNS)
2) Motorische neuronen (efferente neuronen)
Dragen impulsen van CNS naar effectoren (spieren, klieren)
3) Interneuronen (associatieneuronen)
Voorzien in meer complexe reflexen en associatieve functies
(leren en geheugen); schakelneuron tussen sensorisch en
motorisch neuron
(neuro)gliacellen: structurele en functionele ondersteuning van de
neuronen, vele types kleiner dan
neuronen maar veel talrijker
Neuronen hebben een
gemeenschappelijke basisstructuur
Cellichaam = vergroot deel
dat de kern bevat
Dendrieten = meerdere,
cytoplasmatische uitlopers
die stimuli ontvangen
Axon = enige, lange extensie
die impulsen geleidt weg van
het cellichaam (kan
vertakken)
,Het centrale zenuwstelsel (CZS) omvat de hersenen en het
ruggenmerg
Het perifeer zenuwstelsel (PZS) bestaat uit sensorische en motorische
neuronen
Het somatisch of willekeurig zenuwstelsel stimuleert de
skeletspieren
Het autonoom of
vegetatief
(onwillekeurig)
zenuwstelsel stimuleert
gladde spieren, hartspieren
en klieren
Sympatisch en
parasympatisch ZS
vecht & vlucht reactie
versus rust
Neuronen worden structureel en functioneel ondersteund door gliacellen
Schwann cellen (PZS) en
oligodendocyten (CZS) produceren
de myelineschede rond axonen
, gemyeliniseerde axonen de witte
stof, niet-gemyeliniseerde dendrieten
/cellichamen vormen de grijze stof
In het PZS worden (gemyeliniseerde) axonen gebundeld tot
zenuwen DS
12.2 Mechanisme van de zenuwimpuls
Er bestaat een potentiaalverschil over de plasmamembraan van elke cel
Negatieve pool = cytoplasmatische zijde
Positieve pool = extracellulaire vloeistof zijde
Wanneer een neuron niet wordt gestimuleerd, onderhoudt het de
rustpotentiaal
Varieert tussen – 40 tot – 90 millivolt (mV)
Gemiddeld – 70 mV
De binnenzijde van de cel is dus meer negatief geladen dan de buitenzijde
omdat:
1) De natrium-kalium pomp twee K+ binnenhaalt in de cel voor elke
drie Na+ die ze naar buiten pompt – onderhoudt
concentratiegradient
2) K+ gemakkelijker lekt door de membraan dan Na+ via porie-achtige
kanalen