bouwplan
7.1 Definitie van een dier
Van Dale: “niet tot de planten behorend levend wezen, m.n. zo een
dat begaafd is met gevoel en willekeurige beweging”
Wikiwoordenboek: “met zintuigen uitgerust meercellig organisme
dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige
organismen
7.2 Organismen groeperen
7.3 Definitie van een dier
Wat onderscheidt een dier van andere levende organismen?
Meercellig eencellig
Heterotroof autotroof
Flexibele celmembraan rigide celwand
, Actieve voortbeweging sessiel
Kunnen zich seksueel voortplanten
Hebben een blastulastadium tijdens de ontwikkeling
7.4 Belangrijkste kenmerken – animalia
Dieren zijn meercellig en hebben meer dan een celtype
Dieren zijn heterotroof
Dieren hebben geen rigide celwanden
Dieren bewegen zich actief voort
(meeste) dieren kunnen zich seksueel voortplanten
Dieren doorlopen het blastulastadium tijdens hun embryonale
ontwikkeling
7.5 Bijkomende kenmerken
Grote diversiteit in vorm
Grote diversiteit in habitat
Organisatie van cellen in weefsels (!)
7.6 Gemeenschappelijke kenmerken
Heterotroof: dieren moeten andere organismen opnemen voor
voeding, als bron van energie en organische moleculen
Herbivoren eten autotrofen
Carnivoren eten andere heterotrofen (dieren)
Detrivoren eten decomposerende, dode organismen
Alle dieren zijn multicellulair, geranschikt in weefsels (niet bij
sponzen) en organen
Cellen hebben geen celwand a flexibel; worden samengehouden
door extracellulaire structurele proteinen zoals collageen – ook
intercellulaire juncties
Kunnen meestal bewegen: ontwikkeling van spieren en
zenuwstelsel – vliegen!
Seksuele voortplanting – haploide gameten – grote eieren –
beweeglijke spermatozoyten
Karakteristiek patroon van embryonale ontwikkeling met aanleg
van verschillende weefsels: zygote – mitotische delingen t.v.v.
morula – blastula – gastrula
Erg divers in vorm en habitat – 90% in invertebraat (geen vertebra
of wervels)
7.7 Variatie in lichaamsbouwplan
Bestaansproblemen steeds dezelfde:
Verkrijgen voedsel en zuurstof