Diagnose
● perifeer bloed
○ leukocytose met volledig spectrum van myeloïde cellen (van myeloblasten tot rijpe
neutrofiele granulocyten)
■ rijpe neutrofielen en myelocyten > blasten en promyelocyten
● beenmergonderzoek (nietnoodzakelijk voor diagnose !)
○ ↑ WBC (van myeloïde reeks)
○ hypercellulair met granulocytaire hyperplasie
○ soms gepaard met myelofibrose
● moleculair / genetisch onderzoek
○ karyotype onderzoek van bloed & beenmerg
■ Philadelphia chromosoom (t(9;22))
○ RT-PCR onderzoek
■ meting van BCR/ABL mRNA fusietranscript op bloed → gebruikt om omvang van de
ziekte op te volgen + effect van behandeling beoordelen
● bijkomende afwijkingen
○ soms normochrome, normocytaire anemie met weinig reticulocyten
■ want BM is gefocust op aanmaak van WBC, waardoor er minder erythropoiese
plaatsvindt
○ soms trombocytose
■ bloedplaatjes normaal of↑ (dusgeentrombocytopeniebij CML)
○ basofilie
○ verhoogd serum vit B12
○ vaak verhoogde LDH en hyperuricemie
Verloop van ziekte
2 fasen
1. chronische fase
● goede QoL
● goed effect van behandeling, meestal ambulant
2. transformatiefase
● CML verandert van karakter (metamorfose) + evolutie naar een myelofibrose of naar een
acute, moeilijk behandelbare fase
○ acceleratie
■ nog steeds beeld van chronische fase CML in perifeer bloed en BM
■ maar vluggere groei + minder respons op behandeling
○ blastenfase (vroeger: blastencrisis)
■ omvorming naar een beeld dat niet onderscheiden kan worden van acute
leukemie
■ vroeger: bij 70% van de CML
● ⅔ myeloide blastenfase
○ blasten hebben myeloïde karakter, zoals bij AML
● ⅓ lymfoblastische transformatie
○ blasten hebben lymfoïde karakter, zoals bij ALL
Moleculaire fysiopathologie
● typische chromosomale afwijking: t(9;22) =Philadelphia translocatie→ resulterend in BCR-ABL
fusiegentranscript
○ vroeger: classificatie van CML onder de leukemieën
■ door consistente bevinding van deze chromosomale afwijking
○ nu: classificatie van CML bij de myeloproliferatieve neoplasieën
73
, ■ d oor gemeenschappelijke kenmerken tussen de chronische fase van CML en de
andere myeloproliferatieve neoplasieën
● hepatosplenomegalie tgv extra-medullaire hematopoiese
● stamcelziekte
● verhoogd risico op evolutie naar acute leukemie
CML ontstaat in de hematopoietische stamcel
●
○ niet alleen de granulocytaire reeks is ingenomen door de proliferatie (en de chromosomale
translocatie)
○ ook de monocytaire reeks, megakaryocytaire reeks, erytroïde reeks en soms de lymfocytaire
reeks
■ gezien een deel van de blastenfasen een lymfoid karakter vertonen, is CML een
stamcelziekte met mogelijke penetratie in de lymfoide reeks
Behandeling
Chronische fase CML
targeted therapie met tyrosine kinase inhibitoren (TKI)
● werking
○ specifieke inhibitoren van de tyrosine kinase activiteit van de BCR/ABL fusieproteïne door
blokkade van de ATP-binding site van het ABL-gedeelte
● types
○ 1e generatie:imatinib (Glivec ®)
○ dasatinib (Sprycel ®), nilotinib (Tasigna ®), bosutinib (Bosulif ®), ponatinib (Iclusig ®)
● effecten
○ patiënten met CML in chronische fase naar hematologische en volledige cytogenetische
remissie brengen
○ overlevingsvoordeel
■ hoog percentage volledige cytogenetische remissie (verdwijnen van Philadelphia
chromosoom)
■ hoog percentage moleculaire respons (reductie / verdwijnen van BCR/ABL
fusietranscript)
■ lager percentage van evolutie naar een blastenfase
○ bij 50% van de patiënten mogelijk om de medicatie blijvend te stoppen
● voordelen: weinig toxisch effect + hoge activiteit !
allogenehematopoietische stamceltransplantatie
● verlaten als vroege behandelingsoptie bij patiënten met chronische fase CML
○ vervangen door targeted therapie met TKI
● evt. therapeutische optie bij patiënten die resistent zijn voor tyrosine kinase inhibitoren
Blastenfase CML
moeilijkere behandeling
● tyrosine kinase inhibitoren (dasatinib & ponatinib)
● allogene stamceltransplantatie
Chronische lymfatische leukemie (CLL)
chronisch: eerder trage proliferatie (maanden tot jaren)
●
● lymfatisch: van uitgerijpte WBC van het type lymfocyten
● leukemie: resulterend in een verhoogd aantal van dergelijke cellen in het bloed
74
,pathogenese
1. monoklonale neoplastische proliferatie van kleine, (rijpe) lymfocyten
● meestal B-lymfocyten
● soms (rijpe) T-lymfocyten (vroeger: T-CLL, nu andere terminologieën)
2. opstapeling van lymfocyten in het beenmerg, perifeer bloed en de lymfoïde organen (lymfeklier,
lever, milt)
● vergevorderde gevallen: beenmerginsufficiëntie
3. gepaard met immuundeficiëntie tgv vermindering van humorale en cellulaire afweer
CLL gedraagt zich als een indolent non-Hodgkin lymfoom
⇒
⇒ WHO-classificatie bij de mature B-celneoplasieën
Klinische presentatie
leeftijd: ouderen
●
● symptomen
○ vaak asymptomatisch → toevallige vondst bij routine bloedonderzoek
○ symptomen vanbeenmerginsufficiëntie(bij vergevorderdegevallen)
■ anemie met moeheid
■ neutropenie met bacteriële of schimmelinfecties
■ trombocytopenie met bloedingen
○ immuundeficiëntie
■ verminderde humorale immuniteit
● hypogammaglobuline in het serum
● (recidiverende) bacteriële infecties (bv. pneumonieën)
■ verminderde cellulaire immuniteit
● herpes zoster of zona (soms als eerste symptoom bij CLL)
○ zwelling tgvlymfadenopathie
○ klachten van splenomegalie (bij vergevorderde gevallen)
■ buikpijn, last met vertering
○ huidinfiltratie (bij minderheid)
● klinisch onderzoek
○ symmetrisch vergrootte lymfeklieren, pijnloos
○ splenomegalie & hepatomegalie (bij vergevorderde gevallen)
Diagnose
perifeer bloed
● lymfocytose:≥ 5 * 109 / l B-lymfocyten
● relatieve lymfocytose: > 70% van de WBC zijn kleine lymfocyten
● onderscheid areactieve lymfocytose bij CLL vs. reactieve lymfocytose
○ areactief: monoklonale cellen
■ overmaat van één type immonoglobulinen op het membraan van CLL-lymfocyten
(kappa of lambda)
○ reactief: polyklonale cellen
■ normale kappa/lambda verhouding (= 2)
75
, ● DDmonoklonale B-cellymfocytose (MBL)
○ B-celpopulatie in bloed < 5 * 109 / l + geen hepatosplenomegalieof lymfadenopathie of
extramedullaire ziekte
○ 1% kans / jaar op evolutie naar CLL
beenmerg
● lymfocytaire infiltratie
○ monoklonaal
■ lymfocyten in BM dragen dezelfde kenmerken als de lymfocyten in het perifeer bloed
○ lage immunoglobulinedensiteit
■ lager dan andere B-cellymfomen
● CLL-lymfocyten dragen CD5 op hun membraan
andere mogelijke afwijkingen
● ↓ RBC: normochrome, normocytaire anemie
● auto-immune hemolyse
● ↓ TRC: trombocytopenie
● neutropenie
● hypogammaglobulinemie = verminderde concentratie van serum-immunoglobulinen
● paraproteïnemie
Verloop
● overleving is gecorreleerd met de graad van progressie van de ziekte
○ meeste patiënten vertonen geen bijzondere klachten
○ > 10 jaar overleving
● prognose schatten obv evt. inherente ongunstige groeieigenschappen van CLL
○ bv. factoren zoals deletie van de korte arm van chromosoom 18 of een TP53 mutatie
● evolutie
○ normaal geen transformatie naar acute leukemie (↔ CML)
○ soms transformatie naar…
■ prolymfocytaire leukemie (PLL)
■ een meer agressieve vorm van lymfoom (bv. grootcellig lymfoom =Richter syndroom)
○ soms graduele evolutie zonder transformatie
■ patiënten sterven van infecties tgv BM-insufficiëntie en immuundeficiëntie
■ patiënten sterven van een andere oorzaak dan CLL
Behandeling
indicaties: meestal geen nood aan behandeling, tenzij…
● toename in grootte van de lymfeklieren, al dan niet met klachten die eraan verbonden zijn
● tekens van BM-insufficiëntie (bv. trombocyten < 100 * 109 / l)
● splenomegalie, die symptomen veroorzaakt of leidt tot hypersplenisme
● auto-immune hemolytische anemie en/of auto-immune trombocytopenie
● sterke toename in aantal WBC (bv. > 100 * 109 / l)
● ongunstige merkers (bv. del (17p) en/of TP53 mutatie)
behandelopties
● chemotherapie op achtergrond verdwenen
● orale niet-chemotherapeutica
○ ibrutinib (Imbruvica ®)= BTK-inhibitor
■ werking: inhibitor van Bruton’s tyrosine kinase (BTK), een tyrosine kinase die van
groot belang is voor B-lymfocytproliferatie
76
, nieuwe BTK-inhibitoren: acalabrutinib (Calquence®), zanubrutinib (Brukinsa®)
■
○ venetoclax (Venclyxto ®)= Bcl2-inhibitor
■ werking: inhibitor van Bcl-2
■ vaak in combinatie metrituximab
● werking: monoklonaal antilichaam gericht tegen CD20, die aanwezig is op het
oppervlak van B-lymfocyten
● bij auto-immune hemolytische anemie of auto-immune trombocytopenie
○ therapie met corticosteroïden
evt. supportieve therapie
●
○ antibacteriële middelen, allopurinol, transfusies, infusies van gammaglobuline
Prolymfocytaire leukemie (PLL)
variant van CLL, waarbij de lymfocyten groter zijn en een minder gecondenseerde, minder rijpe kern
=
hebben met prominente nucleool
Hairy cell leukemie (HCL)
hairy cells (= een bijzondere klasse van B-lymfocyten met harige uitsteeksels van het cytoplasma) in het
=
perifeer bloed, beenmerg en de geïnfiltreerde organen (o.a. milt)
77
,XI. Myelodysplastische neoplasieën (MDS)
myelo = beenmerg; dysplasie = slijtage van beenmerg
Myelodysplastische neoplasieën (MDS)
= groep van verworven neoplastische aandoeningen van het beenmerg, die zich kenmerken door…
● kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen van de verschillende hematologische reeksen (erytroid,
megakaryocytair, granulo-monocytair)
○ door ineffectieve hematopoiese gekenmerkt door cytopenie(ën), terwijl het beenmerg een
normale / verhoogde cellulariteit vertoont
○ morfologische tekens die wijzen op verminderde / veranderde kwaliteit van bloedcellen
■ tgv erytroïde reeks
● ringsideroblasten
● kernanomalieën thv erytroblasten
■ trombocyten
● voorlopers (megakaryocyten) vertonen abnormale vormen
● vaak gestoorde bloedplaatjesfunctie (trombopathie)
■ granulocyten
● verminderde / afwezige granulatie
● gestoorde chemotactische, fagocytaire en adhesieve functies
● ziekten van de hematopoietische stamcel
● toenemende beenmerginsufficiëntie
● verhoogd risico op evolutie naar eenacute myeloideleukemie (AML)
● vnl voorkomend bij oudere patiënten
vroeger:“preleukemie”
● foute term: insinueert dat MDS altijd evolueert tot acute leukemie
● niet waar, want…
○ sommige patiënten overlijden aan MDS, voordat ze leukemie kunnen ontwikkelen
○ sommige patiënten kennen lange overleving, zonder evolutie naar AML
orzaken: secundair na chemotherapie en/of radiotherapievoor andere ziekten (bv. multiple myeloom,
o
borstcarcinoom)
Classificatie
WHO-classificatie
● volwassenen: 8 entiteiten van MDS
● kinderen: 3 entiteiten van MDS
groepen onderscheiden obv…
● hoeveelheid blasten in het bloed en beenmerg
○ < 5% in beenmerg en < 2% in perifeer bloed ⇒MDS withlow blasts (MDS-LB)
○ 5-19% in beenmerg en 2-19% in perifeer bloed ⇒MDSwith increased blasts (MDS-IB)
○ prognose is gecorreleerd met het % blasten: kans op evolutie naar AML is groter bij MDS-IB
● aanwezigheid van een geïsoleerde deletie van de lange arm van chromosoom 5 (del(5q))
● aanwezigheid van bepaalde mutaties
○ bv. mutatie van SF3B1
■ genproduct speelt rol in (pre-)mRNA splicing
● = verwijderen van intron-sequenties uit pre-mRNA om mRNA te vormen dat
alleen bestaat uit coderende exonsequenties
78
, ■ mutatie leidt tot…
● aberrante mRNA splicing met down-regulatie van genen die betrokken zijn in
mitochondriaal ijzermetabolisme
● defectieve heemsynthese en ijzerstapeling in de mitochondriën → beeld van
sideroblastische anemie
■ MDS met laag aantal blasten en SF3B1-mutatie (MDS-SF3B1)komt grotendeels
overeen met vroegere categorie van MDS met ringsideroblasten (MDS-RS)
histologische kenmerken van het beenmerg (bv. hypoplasie, fibrose)
●
extra categorie: myelodysplastische / myeloproliferatieveneoplasieën
● = aandoeningen met zowel tekenen van myelodysplasie als van myeloproliferatieve aandoeningen
● chronische myelomonocytaire leukemie (CMML)
○ afwijkingen zoals MDS + perifeer jonge myeloïde cellen en verhoogde bloedmonocytose
○ DD chronische myeloïde leukemie (CML)
■ verschillende prognoses: mediane overleving van 20-40 maanden bij CMML
■ CMML vertoont geen Philadelphia chromosoom
Klinische presentatie
● symptomen van beenmerginsufficiëntie
○ anemie
○ infecties
○ bloedingen
● CAVE sommige bloedingen en infecties zijn niet in verhouding met aantal trombocyten en
neutrofielen
○ doordat trombocyten en neutrofielen ook vaak kwalitatieve stoornissen vertonen
○ gevolg: normaal / licht gedaald aantal trombocyten of neutrofielen kan gepaard gaan met
zware stoornis in de functie ervan
● soms ook…
○ splenomegalie
○ lymfadenopathie
○ tandvleeshypertrofie = gingivale hypertrofie
Diagnose
● perifeer bloed
○ cytopenie, bicytopenie of pancytopenie
○ monocytose (bij chronische myelomonocytaire leukemie (CMML))
○ macrocytaire of microcytaire anemie
○ laag reticulocytenaantal (BM-insufficiëntie)
○ soms vormabnormaliteiten van granulocyten (ontkorreling) en/of bloedplaatjes (te groot/klein)
● beenmerg
○ karyotype afwijkingen en mutaties
Behandeling
bij laag risico MDS(bv. < 5% blasten in BM)
● conservatieve behandeling
○ transfusies (RBC, bloedplaatjes)
■ indien multiple transfusies: ijzerchelatietherapie (bv. deferasirox) om
ijzeroverbelasting te vermijden
○ AB bij infecties en neutropene koorts
79
● perifeer bloed
○ leukocytose met volledig spectrum van myeloïde cellen (van myeloblasten tot rijpe
neutrofiele granulocyten)
■ rijpe neutrofielen en myelocyten > blasten en promyelocyten
● beenmergonderzoek (nietnoodzakelijk voor diagnose !)
○ ↑ WBC (van myeloïde reeks)
○ hypercellulair met granulocytaire hyperplasie
○ soms gepaard met myelofibrose
● moleculair / genetisch onderzoek
○ karyotype onderzoek van bloed & beenmerg
■ Philadelphia chromosoom (t(9;22))
○ RT-PCR onderzoek
■ meting van BCR/ABL mRNA fusietranscript op bloed → gebruikt om omvang van de
ziekte op te volgen + effect van behandeling beoordelen
● bijkomende afwijkingen
○ soms normochrome, normocytaire anemie met weinig reticulocyten
■ want BM is gefocust op aanmaak van WBC, waardoor er minder erythropoiese
plaatsvindt
○ soms trombocytose
■ bloedplaatjes normaal of↑ (dusgeentrombocytopeniebij CML)
○ basofilie
○ verhoogd serum vit B12
○ vaak verhoogde LDH en hyperuricemie
Verloop van ziekte
2 fasen
1. chronische fase
● goede QoL
● goed effect van behandeling, meestal ambulant
2. transformatiefase
● CML verandert van karakter (metamorfose) + evolutie naar een myelofibrose of naar een
acute, moeilijk behandelbare fase
○ acceleratie
■ nog steeds beeld van chronische fase CML in perifeer bloed en BM
■ maar vluggere groei + minder respons op behandeling
○ blastenfase (vroeger: blastencrisis)
■ omvorming naar een beeld dat niet onderscheiden kan worden van acute
leukemie
■ vroeger: bij 70% van de CML
● ⅔ myeloide blastenfase
○ blasten hebben myeloïde karakter, zoals bij AML
● ⅓ lymfoblastische transformatie
○ blasten hebben lymfoïde karakter, zoals bij ALL
Moleculaire fysiopathologie
● typische chromosomale afwijking: t(9;22) =Philadelphia translocatie→ resulterend in BCR-ABL
fusiegentranscript
○ vroeger: classificatie van CML onder de leukemieën
■ door consistente bevinding van deze chromosomale afwijking
○ nu: classificatie van CML bij de myeloproliferatieve neoplasieën
73
, ■ d oor gemeenschappelijke kenmerken tussen de chronische fase van CML en de
andere myeloproliferatieve neoplasieën
● hepatosplenomegalie tgv extra-medullaire hematopoiese
● stamcelziekte
● verhoogd risico op evolutie naar acute leukemie
CML ontstaat in de hematopoietische stamcel
●
○ niet alleen de granulocytaire reeks is ingenomen door de proliferatie (en de chromosomale
translocatie)
○ ook de monocytaire reeks, megakaryocytaire reeks, erytroïde reeks en soms de lymfocytaire
reeks
■ gezien een deel van de blastenfasen een lymfoid karakter vertonen, is CML een
stamcelziekte met mogelijke penetratie in de lymfoide reeks
Behandeling
Chronische fase CML
targeted therapie met tyrosine kinase inhibitoren (TKI)
● werking
○ specifieke inhibitoren van de tyrosine kinase activiteit van de BCR/ABL fusieproteïne door
blokkade van de ATP-binding site van het ABL-gedeelte
● types
○ 1e generatie:imatinib (Glivec ®)
○ dasatinib (Sprycel ®), nilotinib (Tasigna ®), bosutinib (Bosulif ®), ponatinib (Iclusig ®)
● effecten
○ patiënten met CML in chronische fase naar hematologische en volledige cytogenetische
remissie brengen
○ overlevingsvoordeel
■ hoog percentage volledige cytogenetische remissie (verdwijnen van Philadelphia
chromosoom)
■ hoog percentage moleculaire respons (reductie / verdwijnen van BCR/ABL
fusietranscript)
■ lager percentage van evolutie naar een blastenfase
○ bij 50% van de patiënten mogelijk om de medicatie blijvend te stoppen
● voordelen: weinig toxisch effect + hoge activiteit !
allogenehematopoietische stamceltransplantatie
● verlaten als vroege behandelingsoptie bij patiënten met chronische fase CML
○ vervangen door targeted therapie met TKI
● evt. therapeutische optie bij patiënten die resistent zijn voor tyrosine kinase inhibitoren
Blastenfase CML
moeilijkere behandeling
● tyrosine kinase inhibitoren (dasatinib & ponatinib)
● allogene stamceltransplantatie
Chronische lymfatische leukemie (CLL)
chronisch: eerder trage proliferatie (maanden tot jaren)
●
● lymfatisch: van uitgerijpte WBC van het type lymfocyten
● leukemie: resulterend in een verhoogd aantal van dergelijke cellen in het bloed
74
,pathogenese
1. monoklonale neoplastische proliferatie van kleine, (rijpe) lymfocyten
● meestal B-lymfocyten
● soms (rijpe) T-lymfocyten (vroeger: T-CLL, nu andere terminologieën)
2. opstapeling van lymfocyten in het beenmerg, perifeer bloed en de lymfoïde organen (lymfeklier,
lever, milt)
● vergevorderde gevallen: beenmerginsufficiëntie
3. gepaard met immuundeficiëntie tgv vermindering van humorale en cellulaire afweer
CLL gedraagt zich als een indolent non-Hodgkin lymfoom
⇒
⇒ WHO-classificatie bij de mature B-celneoplasieën
Klinische presentatie
leeftijd: ouderen
●
● symptomen
○ vaak asymptomatisch → toevallige vondst bij routine bloedonderzoek
○ symptomen vanbeenmerginsufficiëntie(bij vergevorderdegevallen)
■ anemie met moeheid
■ neutropenie met bacteriële of schimmelinfecties
■ trombocytopenie met bloedingen
○ immuundeficiëntie
■ verminderde humorale immuniteit
● hypogammaglobuline in het serum
● (recidiverende) bacteriële infecties (bv. pneumonieën)
■ verminderde cellulaire immuniteit
● herpes zoster of zona (soms als eerste symptoom bij CLL)
○ zwelling tgvlymfadenopathie
○ klachten van splenomegalie (bij vergevorderde gevallen)
■ buikpijn, last met vertering
○ huidinfiltratie (bij minderheid)
● klinisch onderzoek
○ symmetrisch vergrootte lymfeklieren, pijnloos
○ splenomegalie & hepatomegalie (bij vergevorderde gevallen)
Diagnose
perifeer bloed
● lymfocytose:≥ 5 * 109 / l B-lymfocyten
● relatieve lymfocytose: > 70% van de WBC zijn kleine lymfocyten
● onderscheid areactieve lymfocytose bij CLL vs. reactieve lymfocytose
○ areactief: monoklonale cellen
■ overmaat van één type immonoglobulinen op het membraan van CLL-lymfocyten
(kappa of lambda)
○ reactief: polyklonale cellen
■ normale kappa/lambda verhouding (= 2)
75
, ● DDmonoklonale B-cellymfocytose (MBL)
○ B-celpopulatie in bloed < 5 * 109 / l + geen hepatosplenomegalieof lymfadenopathie of
extramedullaire ziekte
○ 1% kans / jaar op evolutie naar CLL
beenmerg
● lymfocytaire infiltratie
○ monoklonaal
■ lymfocyten in BM dragen dezelfde kenmerken als de lymfocyten in het perifeer bloed
○ lage immunoglobulinedensiteit
■ lager dan andere B-cellymfomen
● CLL-lymfocyten dragen CD5 op hun membraan
andere mogelijke afwijkingen
● ↓ RBC: normochrome, normocytaire anemie
● auto-immune hemolyse
● ↓ TRC: trombocytopenie
● neutropenie
● hypogammaglobulinemie = verminderde concentratie van serum-immunoglobulinen
● paraproteïnemie
Verloop
● overleving is gecorreleerd met de graad van progressie van de ziekte
○ meeste patiënten vertonen geen bijzondere klachten
○ > 10 jaar overleving
● prognose schatten obv evt. inherente ongunstige groeieigenschappen van CLL
○ bv. factoren zoals deletie van de korte arm van chromosoom 18 of een TP53 mutatie
● evolutie
○ normaal geen transformatie naar acute leukemie (↔ CML)
○ soms transformatie naar…
■ prolymfocytaire leukemie (PLL)
■ een meer agressieve vorm van lymfoom (bv. grootcellig lymfoom =Richter syndroom)
○ soms graduele evolutie zonder transformatie
■ patiënten sterven van infecties tgv BM-insufficiëntie en immuundeficiëntie
■ patiënten sterven van een andere oorzaak dan CLL
Behandeling
indicaties: meestal geen nood aan behandeling, tenzij…
● toename in grootte van de lymfeklieren, al dan niet met klachten die eraan verbonden zijn
● tekens van BM-insufficiëntie (bv. trombocyten < 100 * 109 / l)
● splenomegalie, die symptomen veroorzaakt of leidt tot hypersplenisme
● auto-immune hemolytische anemie en/of auto-immune trombocytopenie
● sterke toename in aantal WBC (bv. > 100 * 109 / l)
● ongunstige merkers (bv. del (17p) en/of TP53 mutatie)
behandelopties
● chemotherapie op achtergrond verdwenen
● orale niet-chemotherapeutica
○ ibrutinib (Imbruvica ®)= BTK-inhibitor
■ werking: inhibitor van Bruton’s tyrosine kinase (BTK), een tyrosine kinase die van
groot belang is voor B-lymfocytproliferatie
76
, nieuwe BTK-inhibitoren: acalabrutinib (Calquence®), zanubrutinib (Brukinsa®)
■
○ venetoclax (Venclyxto ®)= Bcl2-inhibitor
■ werking: inhibitor van Bcl-2
■ vaak in combinatie metrituximab
● werking: monoklonaal antilichaam gericht tegen CD20, die aanwezig is op het
oppervlak van B-lymfocyten
● bij auto-immune hemolytische anemie of auto-immune trombocytopenie
○ therapie met corticosteroïden
evt. supportieve therapie
●
○ antibacteriële middelen, allopurinol, transfusies, infusies van gammaglobuline
Prolymfocytaire leukemie (PLL)
variant van CLL, waarbij de lymfocyten groter zijn en een minder gecondenseerde, minder rijpe kern
=
hebben met prominente nucleool
Hairy cell leukemie (HCL)
hairy cells (= een bijzondere klasse van B-lymfocyten met harige uitsteeksels van het cytoplasma) in het
=
perifeer bloed, beenmerg en de geïnfiltreerde organen (o.a. milt)
77
,XI. Myelodysplastische neoplasieën (MDS)
myelo = beenmerg; dysplasie = slijtage van beenmerg
Myelodysplastische neoplasieën (MDS)
= groep van verworven neoplastische aandoeningen van het beenmerg, die zich kenmerken door…
● kwantitatieve en kwalitatieve afwijkingen van de verschillende hematologische reeksen (erytroid,
megakaryocytair, granulo-monocytair)
○ door ineffectieve hematopoiese gekenmerkt door cytopenie(ën), terwijl het beenmerg een
normale / verhoogde cellulariteit vertoont
○ morfologische tekens die wijzen op verminderde / veranderde kwaliteit van bloedcellen
■ tgv erytroïde reeks
● ringsideroblasten
● kernanomalieën thv erytroblasten
■ trombocyten
● voorlopers (megakaryocyten) vertonen abnormale vormen
● vaak gestoorde bloedplaatjesfunctie (trombopathie)
■ granulocyten
● verminderde / afwezige granulatie
● gestoorde chemotactische, fagocytaire en adhesieve functies
● ziekten van de hematopoietische stamcel
● toenemende beenmerginsufficiëntie
● verhoogd risico op evolutie naar eenacute myeloideleukemie (AML)
● vnl voorkomend bij oudere patiënten
vroeger:“preleukemie”
● foute term: insinueert dat MDS altijd evolueert tot acute leukemie
● niet waar, want…
○ sommige patiënten overlijden aan MDS, voordat ze leukemie kunnen ontwikkelen
○ sommige patiënten kennen lange overleving, zonder evolutie naar AML
orzaken: secundair na chemotherapie en/of radiotherapievoor andere ziekten (bv. multiple myeloom,
o
borstcarcinoom)
Classificatie
WHO-classificatie
● volwassenen: 8 entiteiten van MDS
● kinderen: 3 entiteiten van MDS
groepen onderscheiden obv…
● hoeveelheid blasten in het bloed en beenmerg
○ < 5% in beenmerg en < 2% in perifeer bloed ⇒MDS withlow blasts (MDS-LB)
○ 5-19% in beenmerg en 2-19% in perifeer bloed ⇒MDSwith increased blasts (MDS-IB)
○ prognose is gecorreleerd met het % blasten: kans op evolutie naar AML is groter bij MDS-IB
● aanwezigheid van een geïsoleerde deletie van de lange arm van chromosoom 5 (del(5q))
● aanwezigheid van bepaalde mutaties
○ bv. mutatie van SF3B1
■ genproduct speelt rol in (pre-)mRNA splicing
● = verwijderen van intron-sequenties uit pre-mRNA om mRNA te vormen dat
alleen bestaat uit coderende exonsequenties
78
, ■ mutatie leidt tot…
● aberrante mRNA splicing met down-regulatie van genen die betrokken zijn in
mitochondriaal ijzermetabolisme
● defectieve heemsynthese en ijzerstapeling in de mitochondriën → beeld van
sideroblastische anemie
■ MDS met laag aantal blasten en SF3B1-mutatie (MDS-SF3B1)komt grotendeels
overeen met vroegere categorie van MDS met ringsideroblasten (MDS-RS)
histologische kenmerken van het beenmerg (bv. hypoplasie, fibrose)
●
extra categorie: myelodysplastische / myeloproliferatieveneoplasieën
● = aandoeningen met zowel tekenen van myelodysplasie als van myeloproliferatieve aandoeningen
● chronische myelomonocytaire leukemie (CMML)
○ afwijkingen zoals MDS + perifeer jonge myeloïde cellen en verhoogde bloedmonocytose
○ DD chronische myeloïde leukemie (CML)
■ verschillende prognoses: mediane overleving van 20-40 maanden bij CMML
■ CMML vertoont geen Philadelphia chromosoom
Klinische presentatie
● symptomen van beenmerginsufficiëntie
○ anemie
○ infecties
○ bloedingen
● CAVE sommige bloedingen en infecties zijn niet in verhouding met aantal trombocyten en
neutrofielen
○ doordat trombocyten en neutrofielen ook vaak kwalitatieve stoornissen vertonen
○ gevolg: normaal / licht gedaald aantal trombocyten of neutrofielen kan gepaard gaan met
zware stoornis in de functie ervan
● soms ook…
○ splenomegalie
○ lymfadenopathie
○ tandvleeshypertrofie = gingivale hypertrofie
Diagnose
● perifeer bloed
○ cytopenie, bicytopenie of pancytopenie
○ monocytose (bij chronische myelomonocytaire leukemie (CMML))
○ macrocytaire of microcytaire anemie
○ laag reticulocytenaantal (BM-insufficiëntie)
○ soms vormabnormaliteiten van granulocyten (ontkorreling) en/of bloedplaatjes (te groot/klein)
● beenmerg
○ karyotype afwijkingen en mutaties
Behandeling
bij laag risico MDS(bv. < 5% blasten in BM)
● conservatieve behandeling
○ transfusies (RBC, bloedplaatjes)
■ indien multiple transfusies: ijzerchelatietherapie (bv. deferasirox) om
ijzeroverbelasting te vermijden
○ AB bij infecties en neutropene koorts
79