Les 9: Identiteit, zelfconcept en coping
Zelfconcept: karakteristieke adaptaties
9.1 Zelfconcept
= beschrijvende kennis die we over onszelf hebben
Ontwikkeling van het zelfconcept
Besef onderscheidt ‘ik’ ‘niet-ik’
Ik = altijd aanwezig eigen lichaam
Niet-ik = niet altijd aanwezig moeder, omgeving, …
- Zelfherkenning (spiegelproef)
Vanaf 18 maanden (15-24m)
- Doen-alsof-spel
- Gebruik van persoonlijke voornaamwoorden (ik, mij, mijn)
Zelfherkenning: voorwaarde voor ontwikkeling van complexere vormen van
zelfbewustzijn
Tijdslijn ontwikkeling:
1) 2 jaar: zichzelf herkennen op groepsfoto
+ beginnend besef van normen, regels, verwachtingen ontstaan van
zelfwaardering (evaluatief ten opzichte van standaard)
2) 2 à 3 jaar: besef van geslacht, leeftijd, familiebanden
3) 5 à 6 jaar: sociale vergelijking besef van eigen talenten en
vaardigheden
+ privaat zelfconcept (= beseffen dat ze bepaalde zaken verborgen
kunnen houden)
1
, Persoonlijkheidspsychologie
geheimen, imaginair vriendje
Kleuter- en kindertijd: zelfconcept gebaseerd op concrete eigenschappen
(geslacht, uiterlijkheden, voorkeuren, bezittingen, vaardigheden, …)
4) Tienerjaren: perspectief nemen, zichzelf kunnen objectiveren, zelfreflectie
Hoe zien anderen mij? Hoe kom ik over bij anderen?
+ periode van extreem zelfbesef schaamte, verlegenheid
Adolescentie: zelfconcept gebaseerd op meer complexe karaktertrekken,
abstracte psychologische eigenschappen, ideologische overtuigingen,…
Zelfschema’s
Zelfconcept
- Continuïteit – coherentie: zorgt ervoor dat je jezelf als dezelfde persoon blijft
beschouwen
- Informatienetwerk in geheugen: informatie over jezelf kan je makkelijk
ophalen uit je geheugen
- Verzameling van stukjes zelfkennis (zelfschema’s)
Zelfschema
= bouwsteen van zelfconcept (specifieke cognitieve representatie)
- Zelfschema’s sturen informatieverwerking m.b.t. zelf en gedrag
Vooral binnen sociale interacties
- Zelfschema’s verwijzen naar huidige, vroegere en toekomstige/mogelijke
‘zelven’
Wie ben ik op dit moment?
Dingen die je vroeger over jezelf dacht
Wie je hoopt te worden
Mogelijke zelven (possible selves)
Representaties van het zelf in de toekomst
Wie je denkt te zullen zijn, wie je hoopt te zullen worden, wie je vreest te
zullen worden
Weerspiegelen hoop, angsten, dromen, fantasieën
Gebaseerd op zelfrepresentaties uit het verleden
Regulerende/mediërende functie: link tussen zelfconcept en gedrag
(brug tussen heden en toekomst)
Hoe je gedrag wordt gestuurd in functie van wie je later wilt worden
2