Fibrosis
Hoofdstuk 1: Wat gaat er fout bij een CF-patiënt?
- Luchtwegklachten: Hoesten, Slijm ophoesten, Kortademigheid en
Infecties
- Neusklachten: Verstopte neus, Hoofdpijn en Verminderde reuk (door
neuspoliepen)
- Darmklachten: Darmverstopping en Verminderde groei (door slechtere
voedselvertering).
- Eventuele Andere klachten: Verminderde vruchtbaarheid, Uitdroging
(door hoge zout- en vochtafvoer via zweetklieren), IJzertekort in het bloed
en Problemen met maag, lever en alvleesklier
Hierbij zijn de betrokken organen dus de: Longen, Alvleesklier, Darmen, Lever en
de Maag. Het gaat voornamelijk mis in de weefsels en cellen van deze organen:
- Longen: Longweefsel wordt aangetast door taaislijm.
- Alvleesklier: Exocriene klierweefsel raakt verstopt door slijm, waardoor
verteringssappen niet goed kunnen afvloeien.
- Darmen: Bindweefsel in de darmen veroorzaakt verstoppingen.
- Longen: Cellen produceren slijm.
- Alvleesklier: Exocriene cellen maken spijsverteringsenzymen.
- Darmen: Cellen in bindweefsel spelen een belangrijke rol in het
wondgenezingsproces.
Functie van die cellen:
- Kraakbeencellen: Zorgen voor flexibiliteit en stevigheid in het
kraakbeen. Deze cellen liggen in rijen en moeten stevig zijn voor
bescherming en flexibiliteit.
- Botcellen: Bieden stevigheid aan het bot. Deze cellen moeten de juiste
voedingsstoffen bevatten om een stevige structuur en vorm te behouden.
- Spiercellen: Verantwoordelijk voor beweging in skeletspieren. Spiercellen
bevatten myofibrillen die spiercontractie en beweging mogelijk maken.
- Witte bloedcellen: Beschermen het lichaam tegen ziekten, virussen en
bacteriën; ondersteunen het immuunsysteem. Witte bloedcellen moeten
informatie opslaan in de celkern om doelgericht ziekteverwekkers aan te
vallen.
- Zenuwcellen: Functie als bouwstenen van de zenuwen en de hersenen.
Ze zijn complex en moeten informatie kunnen opslaan en doorsturen, met
een goed functionerende celkern.
De cel functioneert als een biochemische fabriek waarin moleculen continu
worden opgebouwd en afgebroken, en getransporteerd naar verschillende delen
van de cel. Daarnaast zetten cellen signalen om in acties, wat essentieel is voor
hun werking. Dit complexe proces gebeurt niet vanzelf; er is altijd een "machine"
, nodig om deze taken uit te voeren. Eiwitten spelen hierin een cruciale rol, omdat
zij verantwoordelijk zijn voor het uitvoeren van deze werkzaamheden. De
instructies voor het aanmaken van deze eiwitten zijn vastgelegd in het DNA, dat
de basis vormt voor alle cel activiteiten.
Wat gaat er fout bij een CF-patiënt?
Bij cystic fibrosis (CF) functioneren verschillende organen niet goed, waaronder
de longen, lever, alvleesklier, darmen en maag. In de longen wordt taaislijm
geproduceerd, dat de luchtwegen verstopt en leidt tot problemen in de
longblaasjes en het longweefsel. In de alvleesklier raken de afvoerkanaaltjes
voor voedingsstoffen verstopt door dit slijm, waardoor de productie van
spijsverteringsenzymen afneemt. Dit heeft ook gevolgen voor de lever, maag en
darmen, omdat de vertering in de darmen vermindert. Het probleem ontstaat
doordat kinderen met CF van beide ouders een afwijkend gen erven, waardoor
een essentieel eiwit voor het transport van chloor en water door slijmvliescellen
niet wordt aangemaakt. Dit leidt tot een tekort aan vocht in het slijm, waardoor
het taai wordt en de functie van meerdere organen wordt aangetast.
Hoofdstuk 2: Waardoor produceert een CF-patiënt taai slijm?
Eiwitten spelen een cruciale rol in diverse celtypes en hun functies:
- Kraakbeencellen (chondrocyten): Deze cellen vormen een netwerk
van collageenvezels, wat zorgt voor de structuur van het kraakbeen.
Binnen deze vezels onderhouden ze de celstructuur met proteoglycanen,
speciale suikereiwitten.
- Botcellen: In botcellen is collageen een belangrijk eiwit dat de botmatrix
vormt. Deze eiwitten, opgebouwd uit aminozuren, zijn essentieel voor de
ontwikkeling en stevigheid van botten.
- Spiercellen: Eiwitten zijn de belangrijkste voedingsstoffen voor spiergroei
en herstel. Een adequate eiwitinname bevordert de spiereiwitsynthese en
vermindert de afbraak van spierweefsel. Witte bloedcellen: Eiwitten in het
bloed, zoals albumine, spelen een sleutelrol bij het transport van
voedingsstoffen. Fibrinogeen is cruciaal voor de bloedstolling, terwijl
ferritine ijzer opslaat, dat nodig is voor hemoglobine, het eiwit dat zuurstof
vervoert. Ook immuunglobulinen (antistoffen) beschermen tegen ziektes.
- Zenuwcellen: Eiwitten reguleren zenuwcellen door zich te binden aan
receptoren en instructies te geven. De interactie tussen eiwitten bepaalt
de reacties van zenuwcellen op signalen.
Eiwitten in celmembranen vervullen verschillende essentiële functies:
- Receptoren: Eiwitten fungeren als receptoren voor hormonen en ionen,
die signalen van buiten de cel ontvangen.