Paragraaf 1 – Idee en oorsprong van de rechtsstaat
Een rechtstaat is een staat waarin je als burger met grondrechten wordt beschermd tegen
machtsmisbruik en willekeur va de overheid. Deze bescherming bestaat niet of nauwelijks in een
autoritaire staat, waarin één machthebber of een kleine groep mensen bepaalt wat de regels zijn.
Nederland is een democratische rechtsstaat. Nederland is ook een sociale rechtstaat; er zijn allerlei
wetten en voorzieningen om de welvaart en het welzijn van de burgers te bevorderen.
In een rechtsstaat heerst relatief veel sociale vrede en sociale cohesie. Vertrouwen en
wederkerigheid in een rechtsstaat gaat hand in hand; burgers houden zich vaak aan de wet in
verwachting dat anderen dat ook doen. Er zijn ook regels voor de overheid -> rechtszekerheid.
In de achttiende eeuw was in Europa de eeuw van de verlichting en van het verlangen naar
maatschappelijk geluk.
Europa kende vanaf de zestiende eeuw weinig gelukkige perioden. Er waren veel
godsdienstoorlogen tussen katholieken en protestanten, waardoor hele landen, regio’s, steden,
dorpen en families werden verscheurd. De macht van de Europese koningen was haast onbegrensd.
Burgers hadden nauwelijks rechten. Er was veel armoeden, uitbuiting en grote sociale ongelijkheid.
Door in de vijftiende eeuw uitgevonden drukpers kon nieuwe kennis snel en breed worden
verspreid. -> het bestaan wereldbeeld en mensbeeld begonnen te wankelen…. Lees boek voor meer
geschiedenis.
Volgens de ‘contractfilosofen’ Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau moeten
mensen een sociaal contract sluiten, waarin ze tot afspraken komen om in natuurlijke vrijheid en
gelijkheid te kunnen leven.
De eerste taak van een staat moet zijn om de veiligheid van burgers te garanderen en hun
eigendommen te beschermen. De staat zou daarom een geweldsmonopolie krijgen -> de staat mag
als enige geweld gebruiken. Dit leidde tot veel vragen of de staat hier dan geen misbruik van zou
gaan maken. Maar de staat moet zich aan de wetten van de burgers houden. De Franse filosoof
Charles Montesqieu stelde de trias politica voor; machtenscheiding tussen de wetgevende,
uitvoerende en de rechtsprekende macht.
De contractfilosofen kwamen tot de volgende grondbeginselen van de rechtsstaat.
Het beginsel van de grondrechten: alle mensen zijn in vrijheid en gelijkheid geboren en
moeten ook zo kunnen samenleven.
Het soevereiniteits- en democratiebeginsel: mensen sluiten gezamenlijk een vredesakkoord
-> sociaal contract.
Het legaliteitsbeginsel: er is een staat die het sociaal contract tussen mensen kan
afdwingen, maar die strikt gebonden is aan de wetten die de partijen zelf hebben opgesteld.
Het beginsel van de trias politica: de macht van de staat wordt voor de zekerheid verder
begrensd door interne scheiding van staatsmacht.
Amerikaanse constitutie -> De onafhankelijkheidsverklaring, de grondwet en de 'Bill of Rights'.
In 1789 volde de Franse Revolutie met de strijdkreet: 'Vrijheid, gelijkheid, broederschap of de dood!'
Werd de Franse Republiek uitgeroepen. Datzelfde jaar werd de Verklaring van de Rechten van de
, Mens en Burger opgesteld. Die moest zorgen voor een rechtvaardigere en gelukkigere samenleving.
Daarin werden de grondrechten van ieder mens vastgelegd....
Paragraaf 2.2 - Grondwet en grondrechten
De Grondwet in Nederland:
Legt de fundamentele rechten van burgers vast;
Begrenst de macht van de staat en garandeert daarmee de vrijheden van de burgers
Geeft aan hoe de belangrijkste organen van de staat (koning, ministers, parlement,
rechterlijke macht) in grote lijnen zijn georganiseerd.
Drukt de eenheid van de natie uit; binnen een staatsverband vormen alle burgers ondanks
verschillen een eenheid.
Nederland kreeg in 1798 de Staatsregeling van de Bataafse Republiek, daarin werd bepaald dat elke
burger gelijk is voor de wet en onschendbare grondrechten heeft. (Soort voorloper van grondwet).
Er waren veel staatsgrepen in 1813, na de val van Napoleon kwam er rust. Een jaar later werd
Nederland een Constitutionele monarchie, een koninkrijk met een grondwet. Willem I mocht geen
absolute vorst zijn maar kreeg de soevereine macht. Er was een parlementair stelsel in de vorm van
een Staten-Generaal, maar daarin zat vooral de adel. Er waren voor de burgers amper grondrechten
behalve godsdienstvrijheid.
In 1848 werd door de liberale Kamerlid Thorbecke de basis van onze latere rechtsstaat gelegd. De
macht van de koning werd ingeperkt in de grondwet, Vanaf dat moment was de koning
‘onschendbaar’: buiten het spel van de macht gezet. Ministers hebben de verantwoordelijkheid voor
wetgeving en beleid.
De democratie werd vergroot door censuskiesrecht: mannelijke burgers die belasting betaalden
mogen stemmen bij verkiezingen voor de Tweede Kamer. (1848).
De staat had volgens Thorbecke maar één taak: de vrijheid van de burger te dienen. Hoe ze daarmee
omgaan is aan henzelf, overheid moet zich niet bemoeien. De negentiende-eeuwse staat wordt ook
wel een nachtwakersstaat genoemd, een staat die zich voornamelijk inzet voor bewaking van de
veiligheid van de burgers en de noodzakelijke voorwaarden realiseert voor economische groei.
De nachtwakerstaat zorgde voor sociale onrust: arbeiders gingen gebukt onder uitbuiting, armoede
en een hoge kindersterfte. Hierdoor ontstond er een klassenstrijd. De sociale onrust leidde
uiteindelijk tot wijzigingen in de grondwet: Een van de gevolgen was het ontstaan van algemeen
kiesrecht. In 1917 voor alle mannen, in 1919 ook voor alle vrouwen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte de Duitse bezetting een einde aan de grondrechten van de
burgers. Vrijheidsrechten zoals vrijheid van meningsuiting en drukpers en vrijheid van vereniging en
vergadering golden niet meer. Hele bevolkingsgroepen werden zonder proces vermoord of in
concentratiekampen gezet. In de nieuwe grondwet (1983) waren een paar nieuwe onderdelen, zoals
bescherming van burgers tegen discriminatie en recht op sociale zekerheid.
Het eerste deel grondwet – grondrechten van de burgers.
Tweede deel grondwet – organisatie van de staatsinstellingen en het bestuur van ons land.