• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 139 pages
Summary

Samenvatting Ontdek de ruimte! – Een thematische lessenreeks voor groep 2

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 139 pages

Op reis naar de sterren – Een doelgerichte ruimtereis door groep 2 Dit document bevat een complete thematische lessenreeks voor groep 2 rondom het thema ‘Op reis in de ruimte’. Gedurende acht weken maken de kinderen op een speelse en betekenisvolle manier kennis met de zon, de maan, de planeten, sterren en kometen, ruimtewezens, raketten en astronauten. De lessen sluiten aan bij de belevingswereld en nieuwsgierigheid van kleuters en bieden ruimte voor verwondering, onderzoek, spel en creativiteit. De activiteiten in dit document zijn gebaseerd op de activiteiten en themaplanning van GO! en zijn vervolgens vertaald naar een praktische lessenreeks voor groep 2. De activiteiten zijn geparafraseerd en waar nodig aangepast, aangevuld en verder uitgewerkt, zodat ze direct uitvoerbaar zijn in de dagelijkse praktijk. Bij het uitwerken van de lessen is gebruikgemaakt van de principes van EDI 2.0 voor het jonge kind. EDI wordt hierbij niet ingezet als een schoolse lesstructuur, maar als middel om doelgericht en kwalitatief onderwijs te bieden. Korte instructiemomenten worden afgewisseld met handelend leren, spel, onderzoek en verwerking in de hoeken. Iedere week staat een duidelijk doel en een bijpassende woordenschat centraal. De kinderen maken kennis met nieuwe begrippen tijdens korte kringactiviteiten, waarbij de leerkracht voordoet, samen met de kinderen oefent en vervolgens kansen creëert om de vaardigheden zelfstandig toe te passen tijdens de werkles en het spel. Een terugkerend onderdeel is de grote gezamenlijke woordenschattekening. Gedurende de week wordt de tekening samen met de kinderen opgebouwd. Nieuwe woorden krijgen een plek in het verhaal en worden visueel ondersteund. Hierdoor ontstaat een betekenisvolle kapstok waarnaar gedurende de hele week kan worden terugverwezen. Naast de kringlessen bevat iedere week activiteiten voor verschillende hoeken en ontwikkelingsgebieden. De kinderen kunnen de aangeboden kennis verwerken in onder andere de themahoek, ontdekhoek, boekenhoek, taalhoek, rekenhoek, bouwhoek en knutselhoek. Hierdoor komen de doelen meerdere keren en op verschillende manieren terug. De lessen zijn zo beschreven dat iedere leerkracht ermee aan de slag kan. Per activiteit worden het doel, de benodigde materialen, de lesfasen en de praktische uitvoering beschreven. Ook wordt aangegeven waarop de leerkracht tijdens spel en werkles kan observeren, zodat het aanbod kan worden aangepast aan wat de kinderen nodig hebben. Het document vormt daarmee een praktische leidraad voor een rijke, doelgerichte en betekenisvolle ruimtereis met groep 2, waarin kinderen vooral mogen verwonderen, ontdekken, spelen, onderzoeken en steeds een stukje meer leren over de wereld om hen heen.

Content preview

OP
RUIMTE
REIS
2026

,Thema: Op reis in de ruimte
Opbouw van het thema
Kinderen zijn van nature nieuwsgierig naar alles wat zich boven hen afspeelt.
Wanneer zij naar de lucht kijken, zien zij de zon, de maan en soms zelfs
sterren. Veel kinderen stellen vragen als: Waarom wordt het donker?, Kun je op
de maan wonen? of Hoe kom je in de ruimte? Vanuit deze natuurlijke
verwondering nemen we de kinderen mee op een ontdekkingsreis door het
heelal.

Tijdens dit thema bouwen de kinderen stap voor stap kennis op over de ruimte.
We starten dichtbij de belevingswereld van de kinderen met de zon en de maan.
Vervolgens ontdekken we ons zonnestelsel, leren we over sterren en kometen en
fantaseren we over ruimtewezens. Daarna verdiepen we ons in raketten en
astronauten: hoe reizen mensen eigenlijk naar de ruimte en wat doen zij daar?
Aan het einde van het thema keren we terug naar onze eigen planeet aarde en
kijken we samen terug op alles wat we hebben geleerd.
Gedurende het thema staat spelend en ontdekkend leren centraal. De kinderen
krijgen de ruimte om te onderzoeken, te experimenteren, te bouwen, te tekenen,
te tellen, te praten en samen te spelen. Door middel van verhalen,
kringgesprekken, onderzoekjes, spelactiviteiten en creatieve opdrachten worden
verschillende ontwikkelingsgebieden aangesproken.

Themaverhaal
De kinderen ontvangen aan het begin van het thema een brief van astronaut
Nova. Astronaut Nova heeft hulp nodig bij een bijzondere ruimtemissie. Samen
met de kinderen gaat zij op reis door het heelal. Iedere week bezoeken de
kinderen een nieuw onderdeel van de ruimte. Ze verzamelen kennis, voeren
opdrachten uit en bereiden zich steeds verder voor op hun grote ruimtereis.
In de klas ontstaat een ruimtecentrum waar kinderen kunnen spelen,
onderzoeken en ontdekken. De speelhoek verandert gedurende het thema mee
met de verschillende fasen van de reis. Zo bouwen de kinderen eerst een raket,
reizen zij langs planeten en sterren en keren zij uiteindelijk weer veilig terug
naar de aarde.

,Doelen van het thema
Binnen dit thema werken de kinderen aan:

Wereldorië ntatie
Kennismaken met de zon, de maan, de aarde en de planeten.
Ontdekken dat dag en nacht ontstaan door de zon.
Leren dat de aarde onderdeel is van een zonnestelsel.
Kennismaken met sterren, kometen, raketten en astronauten.
Verwondering ontwikkelen over de ruimte.

Taalontwikkeling
Uitbreiden van de woordenschat rondom het thema ruimte.
Vertellen over eigen ervaringen, ideeë n en ontdekkingen.
Luisteren naar verhalen en hierover in gesprek gaan.
Oefenen met rijmen, beginklanken, klankgroepen en fonemisch bewustzijn.

Rekenontwikkeling
Tellen, vergelijken en ordenen.
Werken met hoeveelheden en getallen.
Patronen herkennen en voortzetten.
Meten, wegen en onderzoeken.
Orië nteren in tijd en volgorde.

Motorische ontwikkeling
Knippen, plakken, verven, bouwen en construeren.
Schrijven en tekenen binnen betekenisvolle activiteiten.
Bewegen tijdens ruimteopdrachten en astronautentrainingen.

Sociaal-emotionele ontwikkeling
Samenwerken tijdens onderzoeken en spel.
Luisteren naar elkaar en ideeë n delen.
Zelfvertrouwen ontwikkelen door presenteren en vertellen.
Verwondering en nieuwsgierigheid stimuleren.

, Thema planning
Oriënteren Kennis input

Week 1 – De zon Week 3 – Planeten
De kinderen verwonderen zich over de zon. We maken een reis door ons zonnestelsel.
Wat doet de zon? Waarom hebben we de De kinderen leren dat de aarde één van de
zon nodig? We ontdekken het verschil acht planeten is. Ze ontdekken verschillen
tussen dag en nacht en onderzoeken licht in grootte, kleur en eigenschappen van de
en warmte. planeten.

Week 2 – De maan Week 4 – Sterren en kometen
De kinderen maken kennis met de maan. De kinderen onderzoeken de sterrenhemel.
Hoe ziet de maan eruit? Waarom Ze leren over sterrenbeelden, vallende
verandert de vorm van de maan? We sterren en kometen. Ook kijken we naar hoe
ontdekken kraters, maanfasen en reizen in mensen vroeger sterren gebruikten om
gedachten naar de maan. hun weg te vinden.


Verdiepen en verwerken: Evalueren en presenteren

Week 5 – Ruimtewezens Week 8 – Terug naar de aarde
In deze verdiepingsweek staat fantasie We sluiten onze ruimtereis af. De kinderen
centraal. Bestaan er ruimtewezens? Hoe kijken terug op wat zij geleerd hebben,
zouden zij eruitzien? Kinderen ontwerpen presenteren hun werk en richten een
eigen ruimtewezens en bedenken verhalen ruimtemuseum in waarin zij hun
over leven op andere planeten. ontdekkingen laten zien.

Week 6 – Raketten Eindproduct
Hoe kom je eigenlijk in de ruimte? De Aan het einde van het thema openen de
kinderen ontdekken hoe raketten werken, kinderen hun eigen Ruimtemuseum. Hier
bouwen hun eigen raketten en voeren presenteren zij hun werkstukken,
proefjes uit rondom lanceren, snelheid en onderzoeken, tekeningen, verhalen en
beweging. bouwwerken aan ouders, verzorgers of
andere groepen. De kinderen vertellen zelf
Week 7 – Astronauten wat zij hebben geleerd tijdens hun reis
De kinderen leren wat astronauten doen, door de ruimte en ontvangen als afsluiting
hoe zij leven in de ruimte en welke een officieel Ruimtereis Diploma.
vaardigheden zij nodig hebben. Door Zo sluiten we het thema af met een
middel van astronautentrainingen ervaren betekenisvolle presentatie waarin de
de kinderen hoe bijzonder werken in de kinderen kunnen laten zien hoeveel zij
ruimte is. hebben ontdekt tijdens hun avontuur Op
reis in de ruimte.

Table of contents

  1. 01 OP RUIMTE REIS 1
    1. Opbouw van het thema 2
    2. Themaverhaal 2
    3. Eindproduct 4
  2. 02 Week 1 de zon 5
    1. Waarom beginnen we met de zon? 6
    2. IKEA-rad beginklanken. De kinderen draaien aan het rad en benoemen de afbeelding. Vraag: Met welke klank begint dit woord? Kinderen zoeken vervolgens een andere afbeelding met dezelfde beginletter. 7
  3. 03 Circuit 8
    1. Week: 1 - de zon Fase: verwonderen Thema: Op reis in de ruimte 8
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 8
    3. Ik kan hoeveelheden tot en met ten minste 12 representeren Ik kan hoeveelheden onder ten minste 12 verkort tellen in groepjes van 2,5 of 10 8
    4. Beredeneerd aanbod taal 8
    5. Ik kan de beginklank van mijn naam vervangen voor een andere beginklank Herhalen letters Z, IJ, H (gr.1) Ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) Rapport-heeft kennis van letters 8
    6. Rapporten 8
    7. Themahoek 8
    8. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn en maken een ruimtereis. Ze trekken ruimtekleding aan, tellen af en vliegen met de raket naar de zon. 8
    9. Ontdekhoek 8
    10. Boekenhoek 8
    11. De kinderen bekijken en lezen boeken over de zon, dag en nacht en de ruimte. Ze praten samen over wat ze zien en leren nieuwe woorden uit het thema. 8
    12. Knutselen 8
  4. 04 Week 2 de maan 10
  5. 05 Lessen 11
    1. Muziek - Raket naar de maan 11
  6. 06 Circuit 13
    1. Week: 2 - de maan Fase: verwonderen Thema: Op reis in de ruimte 13
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 13
    3. Ik kan handelend omgaan met de begrippen rond delen, eerlijk, oneerlijk, verdelen, evenveel Ik kan hoeveelheden tot en met ten minste 12 representeren Ik kan verdeelsituaties met hoeveelheden tot 12 handelend oplossen 13
    4. Beredeneerd aanbod taal 13
    5. Ik kan de ontbrekende beginklank aanvullen Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank Herhalen letters W,O,A (gr.1) Ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) (gr.1) ik kan woorden bedenken die uit 2 of 3 klankgroepen bestaan 13
    6. Zandtafel 13
    7. Themahoek 13
    8. De raket is deze week geland op de maan. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die de maan onderzoeken. Ze verzamelen maanstenen, bekijken kraters en maken ontdekkingsreizen over het maanoppervlak. 13
    9. Ontdekhoek 13
    10. Boekenhoek 13
    11. Lezen over de ruimte Tekeningen maken bij woordkaarten Stempelen bij woordkaarten 13
    12. Knutselen 13
  7. 07 Week 3 planeten 14
  8. 08 Circuit 17
    1. Week: 3 - planeten Fase: kennis input Thema: Op reis in de ruimte 17
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 17
    3. Ik gebruik namen van seizoenen en maanden en herken het cyclische Ik kan de dagen van de week in de juiste volgorde gebruiken Ik verken het gebruik van diverse analoge en digitale klokken en de functie van een klok Ik kan kritisch redeneren over tijd in eenvoudige probleemsituaties Ik kan bij activiteiten die qua tijdsduur even lang duren, vertellen waarom deze als lang of kort ervaren worden 17
    4. Beredeneerd aanbod taal 17
    5. Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd Ik kan benoemen welke eindklank er in een woord is weggelaten Herhalen letters U,J,L (gr.1) ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) (gr.1) ik kan woorden bedenken die uit 2 of 3 klankgroepen bestaan 17
    6. Rekenhoek 17
    7. Themahoek 17
    8. De kinderen maken een reis langs de planeten en kiezen waar ze willen landen. 17
    9. Ontdekhoek 17
    10. Boekenhoek 17
    11. Lezen over de ruimte De kinderen koppelen afbeeldingen van planeten aan de juiste naamkaart. 17
    12. Knutselen 17
  9. 09 Week 4 sterren en kometen 18
  10. 10 Lessen 19
    1. De kinderen maken een collage van de zon, de maan en de sterren met verschillende materialen. 21
  11. 11 Week 5 ruimte wezens 24
  12. 12 Maandag - voorlezen 26
  13. 13 Maandag - voorlezen 27
  14. 14 Dinsdag - Maak je eigen ruimtewezen 28
  15. 15 Doel: 28
  16. 16 De kinderen herkennen en benoemen verschillende meetkundige vormen. 28
  17. 17 De kinderen redeneren over de plaats van vormen (boven, naast, onder, in het midden). 28
  18. 18 De kinderen ontwerpen een ruimtewezen met eigen creativiteit én wiskundig denken. 28
  19. 19 Materialen: 28
  20. 20 Vormstickers (vierkant, cirkel, driehoek, rechthoek, ovaal) of uitgeknipte gekleurde vormen 28
  21. 21 Papier 28
  22. 22 Lijmstiften 28
  23. 23 Eventueel: dobbelsteen met vormen (voor spelvariant) 28
  24. 24 Introductie: 28
  25. 25 Begin met een gesprek in de kring: 28
  26. 26 Wat zou een buitenaards wezen kunnen zijn? Hoe ziet het eruit? 28
  27. 27 Hebben ze armen, staarten, drie ogen, een vierkant hoofd? 28
  28. 28 Vertel dat we een ruimtewezen gaan ontwerpen, maar met vormen. Elk kind maakt een eigen ruimtewezen met cirkels, vierkanten, driehoeken en andere vormen. 28
  29. 29 Laat de vormen één voor één zien: 28
  30. 30 Hoe heet deze vorm? 28
  31. 31 Wat zijn de kenmerken van deze vorm? 28
  32. 32 Wat kun je ermee maken? 28
  33. 33 Kun je er een oog van maken? Of een neus? Of een tentakel? 28
  34. 34 Activiteit: 28
  35. 35 Kinderen krijgen een leeg blad als basis. Ze mogen uit gekleurde vormen kiezen en daarmee een ruimtewezen samenstellen. 28
  36. 36 Laat kinderen tussendoor hardop denken: 28
  37. 37 Waar plak je deze? 28
  38. 38 Zit het oog boven of onder de neus? 28
  39. 39 Zijn de armen links of rechts? 28
  40. 40 Nabespreking en tellen. Als het wezen klaar is, bespreek: 28
  41. 41 Welke vormen heb je gebruikt? 28
  42. 42 Hoeveel cirkels zitten er op jouw wezen? 28
  43. 43 Afsluiting: 28
  44. 44 Sluit af met een tentoonstellingsmoment: 28
  45. 45 Laat de kinderen hun ruimtewezen laten 'praten' of iets vertellen over zichzelf. 28
  46. 46 Bespreek verschillen tussen de wezens: groot – klein, veel vormen – weinig vormen, symmetrisch – wild. 28
  47. 47 Dinsdag - Maak je eigen ruimtewezen 29
  48. 48 Begeleidingssuggesties: 29
  49. 49 Gebruik meetkundige woorden actief: cirkel, vierkant, ovaal, driehoek, hoek, zijde, boven, naast, in het midden 29
  50. 50 Stimuleer redeneren: Waarom kies je een ovaal voor het hoofd? of Hoe weet je dat dit links is? 29
  51. 51 Laat kinderen hun keuzes verwoorden in plaats van alleen uitvoeren 29
  52. 52 Woensdag - Mijn ruimte verhaal 30
  53. 53 Doel: 30
  54. 54 De kinderen bedenken een fantasierijk ruimteverhaal met een begin, midden en einde. 30
  55. 55 De kinderen ontwikkelen verhalende vaardigheden door hardop te vertellen over hun tekening. 30
  56. 56 De kinderen gebruiken hun verbeelding om zelf personages en avonturen in de ruimte te bedenken. 30
  57. 57 Materialen: 30
  58. 58 Groot tekenvel of een werkblad met ruimte-achtergrond 30
  59. 59 Kleurpotloden, stiften of wasco’s 30
  60. 60 Voorleesboek(je) of prentenboek over ruimteavonturen ter inspiratie 30
  61. 61 Pen of stift voor de leerkracht om kinderverhalen erbij te schrijven 30
  62. 62 Introductie: 30
  63. 63 Start in de kring met een verkennend gesprek: 30
  64. 64 Wat zou jij doen als je een raket had? 30
  65. 65 Wie of wat kom je tegen in de ruimte? 30
  66. 66 Denk je dat er wezens wonen op andere planeten? Hoe zouden die eruitzien? 30
  67. 67 Laat één of twee prenten zien uit een boek of ruimteverhaal. Praat over het begin (de raket vertrekt), het midden (een planeet of ontmoeting), en het einde (terug of verdwalen?). 30
  68. 68 Vertel: 30
  69. 69 Jullie gaan je eigen ruimteverhaal bedenken. Niet met woorden op papier, maar met een tekening én een kort verhaaltje dat jij vertelt. Jouw avontuur speelt zich af in de ruimte, op een planeet, in een raket of met een buitenaards wezen. 30
  70. 70 Activiteit: 30
  71. 71 Tekenen van het avontuur De kinderen tekenen hun ruimte-avontuur. Ze mogen zelf kiezen: 30
  72. 72 Waar speelt het zich af? 30
  73. 73 Wie zijn erbij (een raket, een ruimtewezen, een planeet, sterren)? 30
  74. 74 Wat gebeurt er? 30
  75. 75 Moedig tijdens het tekenen aan door vragen te stellen: 30
  76. 76 Waar is jouw raket op weg naartoe? 30
  77. 77 Wie woont er op deze planeet? 30
  78. 78 Wat gebeurt er als je daar landt? 30
  79. 79 Woensdag - Mijn ruimte verhaal 31
  80. 80 Verhaal vertellen. Als de kinderen klaar zijn met tekenen, vertelt ieder kind kort wat er gebeurt in zijn/haar tekening: 31
  81. 81 Wie zijn de hoofdpersonen? 31
  82. 82 Wat maken ze mee? 31
  83. 83 Wat is het spannendste moment? 31
  84. 84 De leerkracht schrijft in duidelijke zinnen het verhaal erbij (max. 2–4 zinnen), precies zoals het kind het vertelt. 31
  85. 85 Afsluiting: 31
  86. 86 Laat enkele kinderen hun tekening en verhaal presenteren aan de groep. 31
  87. 87 Stel afsluitende vragen: 31
  88. 88 Wat was het spannendste avontuur dat je hebt gehoord? 31
  89. 89 Welke planeet zou jij ook willen bezoeken? 31
  90. 90 Begeleidingssuggesties: 31
  91. 91 Stimuleer verhalend denken met woorden als: eerst, toen, daarna, toen kwam er, toen gebeurde er... 31
  92. 92 Help kinderen die het moeilijk vinden op gang met pictokaartjes of startvragen: 31
  93. 93 Wat zie je in jouw raket? of Wat doet dit ruimtewezen? 31
  94. 94 Geef ruimte aan elk idee, hoe vreemd of grappig ook – alles mag in een fantasieverhaal. 31
  95. 95 Donderdag 32
  96. 96 Doel: 32
  97. 97 De kinderen herkennen en tekenen patronen van korte en lange strepen. 32
  98. 98 De kinderen zetten patronen voort en verwoorden wat ze zien en horen. 32
  99. 99 De kinderen verkennen communicatie via ritme, lichaam of klank en reageren op elkaar. 32
  100. 100 Materialen: 32
  101. 101 Werkbladen of stroken papier met lege vakjes (voor patronen) 32
  102. 102 Stiften of potloden 32
  103. 103 Voorbeelden van patronen 32
  104. 104 Intrumenten 32
  105. 105 Introductie: 32
  106. 106 Bespreek met de kinderen hoe zij denken dat ruimtewezens klinken. Hoe praten zij met elkaar? 32
  107. 107 Laat een paar zelfbedachte voorbeelden horen. 32
  108. 108 Laat de kinderen nadoen met hun lichaam of een instrument. Leg uit dat we die geluiden gaan tekenen met strepen. Korte strepen voor korte klanken en lange strepen voor lange klanken. Steeds in een patroon. 32
  109. 109 Activiteit: 32
  110. 110 Patronen tekenen. De kinderen tekenen op hun werkblad een patroon met korte en lange strepen. Vraag: 32
  111. 111 Zie je een herhaling? 32
  112. 112 Kun je het patroon voortzetten? Wat komt daarna? 32
  113. 113 Patronen laten horen. Laat elk kind zijn of haar patroon “bespelen”: met stem, lichaam of instrument. 32
  114. 114 Ruimtewezens praten met elkaar. Twee kinderen staan tegenover elkaar: 32
  115. 115 De één laat zijn patroon horen (met geluid of ritme) 32
  116. 116 De ander luistert en ‘antwoordt’ met zijn eigen patroon 32
  117. 117 Ze doen alsof ze ruimtewezens zijn die elkaar iets vertellen! 32
  118. 118 Vraag: 32
  119. 119 Hoe klinkt het als jullie tegelijk praten? 32
  120. 120 Wat gebeurt er als je heel zacht antwoordt? Of juist hard? 32
  121. 121 Laat daarna 3 of meer kinderen tegelijk hun patroon laten horen. 32
  122. 122 Hoe klinkt het als een groep ruimtewezens communiceert? 32
  123. 123 Afsluiting: 32
  124. 124 Bespreek: 32
  125. 125 Wat hoorde je in de patronen van anderen? 32
  126. 126 Kwam jouw patroon steeds terug? 32
  127. 127 Klinken alle patronen hetzelfde? 32
  128. 128 Begeleidingssuggesties: 32
  129. 129 Stimuleer begrippen als: patroon, kort, lang, herhaling, rij, volgorde, verschil, ritme, tik, zoem, geluid 32
  130. 130 Laat kinderen patronen van anderen nadoen of afmaken 32
  131. 131 Vrijdag 33
  132. 132 Doel: 33
  133. 133 Uitbreiding van de woordenschat met betrekking tot het thema ruimte. 33
  134. 134 Stimuleren van actieve deelname en beweging bij het leren van nieuwe woorden. 33
  135. 135 Bevorderen van het auditief geheugen en de spraakontwikkeling door herhaling en associatie. 33
  136. 136 Benodigdheden: 33
  137. 137 Plaatjes of afbeeldingen die verschillende objecten uit de ruimte illustreren: planeten, sterren, raketten, astronauten, maan, sterrenstelsels, satellieten, enzovoort. 33
  138. 138 Gebruik het Digibord om de afbeeldingen aan de hele klas te laten zien. 33
  139. 139 Voorbeeldwoorden: 33
  140. 140 Planeet 33
  141. 141 Ster 33
  142. 142 Raket 33
  143. 143 Astronaut 33
  144. 144 Maan 33
  145. 145 Sterrenstelsel 33
  146. 146 Satelliet 33
  147. 147 Komeet 33
  148. 148 Zon 33
  149. 149 Ruimtestation 33
  150. 150 Activiteit: 33
  151. 151 Begin met een korte inleiding over de ruimte en het belang ervan. Vertel de kinderen dat ze vandaag nieuwe woorden gaan leren die te maken hebben met de ruimte. 33
  152. 152 Toon de afbeeldingen één voor één aan de kinderen en benoem elk object duidelijk. Herhaal het woord een paar keer en vraag de kinderen om het woord na te zeggen. 33
  153. 153 Maak het leren van de woordenschat interactief door een spel te introduceren. Bijvoorbeeld, vraag de kinderen om op te staan en een sprong te maken elke keer als je een woord zegt dat te maken heeft met iets dat kan vliegen (zoals "raket" of "satelliet"). Voor objecten die in de ruimte blijven, zoals "ster" of "planeet", kunnen ze een draaibeweging maken. 33
  154. 154 Houd een korte quiz waarbij je de afbeeldingen opnieuw laat zien en de kinderen vraagt om de namen van de objecten te noemen. Dit helpt om te zien hoeveel ze zich herinneren en versterkt hun leren. 33
  155. 155 Laat de kinderen kiezen welk ruimteobject ze het leukst vinden en teken dit op een vel papier. Vraag hen om het woord erbij te schrijven als ze dat kunnen. Dit verbindt het visuele met het verbale en versterkt het leren. 33
    1. Week: 5 - ruimtewezens Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte 35
  156. 156 Circuit 35
    1. Beredeneerd aanbod rekenen 35
    2. Ik kan eenvoudige staaf- of beelddiagrammen maken en de hoeveelheden vergelijken Ik kan splitssituaties met hoeveelheden tot ten misnte 10 handelend oplossen Ik kan experimenten met vormen en figuren in spiegels 35
    3. Beredeneerd aanbod taal 35
    4. Ik kan de ontbrekende beginklank aanvullen 35
    5. Bouwmat 35
    6. Knutselen 35
    7. Themahoek 35
    8. e raket is geland op een onbekende planeet. Op deze planeet wonen bijzondere ruimtewezens. De kinderen spelen dat zij ontdekkingsreizigers zijn die kennismaken met de bewoners van Planeet X. 35
    9. Boekenhoek 35
    10. Ruimte wezens afmaken door ze op een planeet te plaatsen (deze ook zelf maken) 35
    11. Kleien 35
    12. Laat de kinderen ruimtewezens kleien. Geef de ruimtewezens een plek op de planeet in de klas. Deze planeet is gemaakt van een zwarte vuilniszak waar wat speelzand en stenen op liggen. De achtergrond is een flink stuk behangpapier waar de kleuters zelf het heelal op geverfd hebben. 35
  157. 157 Week 6 raketten 36
  158. 158 Maandag - voorlezen de hond die op de maan danste 38
  159. 159 Maandag - kringgesprek de hond die op de maan danste 39
  160. 160 Doel: 39
  161. 161 De kinderen denken actief na over reizen naar de ruimte. 39
  162. 162 De kinderen verwoorden hun ideeën en luisteren naar die van anderen. 39
  163. 163 De kinderen leren via het verhaal over fantasie, moed en ruimtevaart. 39
  164. 164 De kinderen bouwen kennis op over raketten en hoe je daarmee naar de ruimte kunt reizen. 39
  165. 165 Benodigdheden: 39
  166. 166 Het prentenboek De hond die op de maan danste van John Boyne 39
  167. 167 Introductie: 39
  168. 168 Stel de kinderen vragen om hun voorkennis te activeren: 39
  169. 169 Wat denk jij, hoe kom je in de ruimte? 39
  170. 170 Kun je daar gewoon heenlopen? Vliegen? Springen? 39
  171. 171 Wat heb je nodig om van de aarde naar de ruimte te gaan? 39
  172. 172 Laat ruimte voor fantasie en laat kinderen naar elkaar luisteren en op elkaar reageren. Laat eventueel een plaatje of model van een raket zien. 39
  173. 173 Voorlezen van het boek: 39
  174. 174 Lees De hond die op de maan danste voor. Geef kinderen tijdens het voorlezen ruimte voor verwondering en reacties. Vraag vooraf: 39
  175. 175 Let goed op: Hoe gaan Jeremy en zijn hond Maxwell op reis naar de ruimte? 39
  176. 176 Wat gaan ze allemaal doen in de ruimte? 39
  177. 177 Gesprek: 39
  178. 178 Bespreek na het voorlezen: 39
  179. 179 Wat gebeurde er met Jeremy en zijn hond? 39
  180. 180 Hoe kwamen ze in de ruimte? 39
  181. 181 Wat vonden jullie van Maxwell? Wat voor soort hond is hij? 39
  182. 182 En wat vinden de kinderen van Jeremy? 39
  183. 183 Stimuleer kinderen om hun ideeën te verwoorden en naar elkaar te luisteren. 39
  184. 184 Reageer op antwoorden met open vragen: 39
  185. 185 Waarom denk je dat? of Wie denkt daar ook zo over? 39
  186. 186 Bespreek: Wat hebben we nodig voor een raketreis? 39
  187. 187 Wat heb je nodig om naar de ruimte te gaan? 39
  188. 188 Zouden jullie zelf in een raket durven stappen? 39
  189. 189 Wat moet er allemaal in of aan een raket zitten? 39
  190. 190 Laat kinderen onderdelen opnoemen (bijvoorbeeld motor, stuur, ramen, zuurstof, brandstof). 39
  191. 191 Maandag - kringgesprek de hond die op de maan danste 40
  192. 192 Afsluiting: 40
  193. 193 De leerkracht sluit het gesprek af met een korte uitleg over raketten. Voorbeelden van wat de leerkracht kan vertellen: 40
  194. 194 Een raket is een voertuig met een hele sterke motor. Die duwt de raket met heel veel kracht omhoog. 40
  195. 195 In een raket zit meestal een capsule bovenop – daar zitten de astronauten in. 40
  196. 196 De raket moet heel hard omhoog om los te komen van de zwaartekracht van de aarde. 40
  197. 197 Als je in de ruimte bent, voel je geen zwaartekracht meer – dan zweef je. 40
  198. 198 De motor van de raket stopt zodra je hoog genoeg bent – dan ‘zweef’ je verder rond de aarde of naar de maan. 40
  199. 199 En wist je dat echte raketten soms al zonder mensen vooruit worden gestuurd om te ontdekken of alles veilig is? Soms zijn er dan wel dieren aan boord. 40
  200. 200 Sluit af met een uitnodigende vraag: 40
  201. 201 Zouden jullie zelf wel eens in een raket willen zitten? Waarom wel of niet? 40
  202. 202 Begeleidingssuggesties: 40
  203. 203 Stimuleer het gebruik van woorden als: raket, ruimte, motor, astronaut, lanceren, zweven, komeet. 40
  204. 204 Moedig kinderen aan om op elkaars ideeën te reageren. 40
  205. 205 Maandag - Rijmraket 41
  206. 206 Doel: Rijmen 41
  207. 207 Les: Leg een (afbeelding van) een raket in de kring en noem een woord waar de kinderen op rijmen. Voor elk juist rijmwoord schiet de raket een stukje ‘omhoog’. Leg eventueel een planeet op enige afstand van de raket en stop met rijmen als de raket de planeet heeft bereikt. Start dan opnieuw met een volgend woord. 41
  208. 208 Dinsdag - Les over raketten 42
  209. 209 Deze week gaan we raketten maken en lanceren! We gaan zelf een raket maken en lanceren. Wie durft er mee de ruimte in? Een van de belangrijkste onderdelen van de ruimtevaart is de raket. Een raket is een voertuig dat zichzelf in de ruimte kan brengen door middel van een krachtige motor die enorme hoeveelheden brandstof verbrandt. De kinderen bouwen deze week hun eigen raket! Ze leren hoe een raket eruitziet en welke onderdelen nodig zijn om de ruimte in te kunnen gaan. Deze week gaan we onze eigen raket bouwen! Ze gaan leren over de onderdelen van een raket en hoe deze werken. Tijdens het kringgesprek bespreek je wat er allemaal nodig is om naar de ruimte te reizen. Raketten zijn grote machines die ons naar de ruimte kunnen brengen. Stel je voor dat je in een raket zit en de aarde achter je laat. Hoe spannend zou dat zijn? Raketten zijn gemaakt om ons te helpen de ruimte te verkennen en nieuwe dingen te ontdekken. Maar hoe werkt een raket eigenlijk? Een raket heeft een krachtige motor die ervoor zorgt dat de raket omhoog kan vliegen. Er is ook brandstof nodig om de motor te laten werken. De brandstof is zo krachtig dat het de raket met enorme snelheden de ruimte in kan sturen. Raketten zijn erg belangrijk voor wetenschappers en astronauten omdat ze ons naar andere planeten en zelfs naar de maan kunnen brengen. We kunnen met raketten ook satellieten in de ruimte brengen, die ons kunnen helpen om het weer te voorspellen en onze communicatie te verbeteren. Misschien heb je wel eens gehoord van beroemde raketten, zoals de Saturnus V die de astronauten naar de maan bracht of de Falcon Heavy van SpaceX. Deze raketten zijn ontworpen door slimme mensen die veel weten over raketten en de ruimte. Wie weet, misschien ben jij wel de volgende persoon die een nieuwe raket ontwerpt en ons nog verder de ruimte in brengt! 42
  210. 210 Kringactiviteit: Wat doet een raket? 42
  211. 211 Spelactiviteit in de hoek: bouw een raket van dozen en papier Rekenactiviteit: Tel het aantal sterren op foto's van de ruimte 42
  212. 212 Astronauten en hun werk Deze week gaan we het hebben over astronauten en hun werk. Wie van de kinderen weet wat een astronaut is? De kinderen gaan leren over hoe astronauten leven en werken in de ruimte. Ze leren over de trainingen die ze moeten doen voordat ze de ruimte in mogen, hoe ze eten en drinken en hoe ze zich bewegen in de ruimte. Ze gaan ontdekken hoe het voelt om gewichtloos te zijn en hoe het is om te slapen terwijl je zweeft. 42
  213. 213 Kringactiviteit: Welke astronauten ken je? 42
  214. 214 Spelactiviteit in de hoek: Bouw je eigen ruimtestation met blokken 42
  215. 215 Rekenactiviteit: Tel de planeten in ons zonnestelsel en maak een poster 42
  216. 216 In de hoek waar de kinderen kunnen spelen met blokken, kan je de kinderen de opdracht geven om hun eigen ruimtestation te bouwen. Bij de rekenactiviteit kan je de kinderen vragen om de planeten te tellen in ons zonnestelsel en deze op een poster te tekenen. 42
  217. 217 Woensdag 43
  218. 218 Doel: 43
  219. 219 Les: 43
  220. 220 Donderdag - Klaar voor lancering 44
  221. 221 Doel: 44
  222. 222 De kinderen tellen vooruit en terug (tot en met 10). 44
  223. 223 De kinderen herkennen en benoemen getallen in oplopende en aflopende rijen. 44
  224. 224 De kinderen zetten eenvoudige telpatronen voort. 44
  225. 225 Materialen: 44
  226. 226 Getalkaarten (1 t/m 10) 44
  227. 227 Een raket 44
  228. 228 Raketlanceerplek in de speelzaal of klas (bijv. stip op de grond of een ‘lanceerplatform’) 44
  229. 229 (Optioneel) een klok of timer, muziekfragment of geluidseffect van een lancering 44
  230. 230 Introductie: 44
  231. 231 Begin in de kring en laat een plaatje of filmpje van een raketlancering zien. Stel vragen: 44
  232. 232 Wat gebeurt er als een raket bijna gaat vertrekken? 44
  233. 233 Heb je wel eens gehoord van aftellen? Hoe klinkt dat? 44
  234. 234 Kun jij al tot 10 tellen? En ook terug? 44
  235. 235 Oefen samen: 44
  236. 236 Tellen vooruit: 1, 2, 3 … tot 10 44
  237. 237 Terugtellen: 10, 9, 8 … tot 0 (bij 0: ‘lancering!’) 44
  238. 238 Activiteit: 44
  239. 239 Laat kinderen getalkaarten neerleggen op de vloer van 10 naar 1 in een rechte rij (raketbaan). Bespreek: 44
  240. 240 Staan de getallen in de goede volgorde? 44
  241. 241 Laten ze dan een 'raket' stap voor stap over de getallen bewegen, bij elk getal wordt geteld. Varieer: 44
  242. 242 Eerst vooruit 44
  243. 243 Dan achteruit (echte lancering!) 44
  244. 244 Eén kind telt hardop af: 10 tot 0. Een ander kind ‘is de raket’ en springt omhoog bij 0. Wissel om. 44
  245. 245 Leg 10 hoepels neer met de getallen ernaast. De kinderen springen van hoepel naar hoepel en lanceren zichzelf. 44
  246. 246 Afsluiting: 44
  247. 247 Laat de hele klas in een kring staan. Eén kind staat in het midden als de raket. Samen telt de klas hardop terug: 44
  248. 248 10, 9, 8 … 3, 2, 1, 0 – LANCERING! De raket ‘vliegt’ omhoog of maakt een sprong. 44
  249. 249 Doe dit om beurten met verschillende kinderen. Herhaal indien gewenst met sneller of trager tellen. 44
  250. 250 Begeleidingssuggesties: 44
  251. 251 Gebruik wiskundige taal zoals: aftellen, volgorde, getalrij, eerst, daarna, laatst. 44
  252. 252 Vrijdag - Van langzaam tot snel vallen 45
  253. 253 Wat heb je nodig? Per tweetal 45
  254. 254 houten blok 45
  255. 255 theelepel 45
  256. 256 boterhamzakje 45
  257. 257 twee A4’tjes 45
  258. 258 Verdeel de klas in groepjes van twee en geef de tweetallen het blok, de theelepel en het boterhamzakje. Vraag ze te voorspellen welk voorwerp het snelst zal vallen. Je vraagt ze ook om hun voorspelling te motiveren. Daarna gaan ze het uittesten. De leerlingen houden met gestrekte armen voor zich uit twee voorwerpen vast, en laten ze precies tegelijk vallen. Het voorwerp dat het eerste de grond raakt valt het snelst. Kom samen tot de conclusie dat het houten blok en de lepel even snel vallen. Het maakt dus niet uit hoe zwaar een voorwerp is. Alleen het boterhamzakje valt langzaam. Het zakje wordt tegengehouden door de lucht. Dit kun je demonstreren door tegen het zakje aan te blazen. De val van het zakje wordt beïnvloed door de lucht die tegen het zakje aankomt. 45
  259. 259 Circuit 46
    1. Week: 6 - raketten Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte 46
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 46
    3. Rekenfeestje 46
    4. Beredeneerd aanbod taal 46
    5. Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank 46
    6. Bouwen 46
    7. Themahoek 46
    8. De raket wordt deze week een echte lanceerbasis. De kinderen spelen dat zij astronauten, technici en missieleiders zijn. Ze bereiden een ruimtemissie voor, voeren controles uit en tellen af voor de lancering. 46
    9. Rekenen 46
    10. Knutselen 46
    11. Loose Parts 46
    12. Raket met loose parts maken 46
  260. 260 Circuit 47
    1. Week: 6 - raketten Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte 47
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 47
    3. Rekenfeestje 47
    4. Beredeneerd aanbod taal 47
    5. Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank 47
    6. Fijne motoriek 47
    7. Themahoek 47
    8. De raket wordt deze week een echte lanceerbasis. De kinderen spelen dat zij astronauten, technici en missieleiders zijn. Ze bereiden een ruimtemissie voor, voeren controles uit en tellen af voor de lancering. 47
    9. Rekenen 47
    10. Knutselen 47
    11. Hammertje tik 47
    12. Bevestig ruimte-achtergronden op Hamertje Tik planken en laat de kinderen er iets op timmeren, bijvoorbeeld een raket, ufo of ruimtewezen. Leuke achtergronden vind je als kleikaarten bij de downloads op deze pagina. 47
  261. 261 de raket 48
  262. 262 Week 7 astronauten 49
  263. 263 Maandag - sterrefant 51
  264. 264 Maandag - Kringgesprek sterrefant 52
  265. 265 Doel: 52
  266. 266 De kinderen voeren een gesprek om tot kennisopbouw en begrip te komen. 52
  267. 267 De kinderen luisteren aandachtig naar het verhaal en verwoorden wat ze horen en begrijpen. 52
  268. 268 De kinderen leren welk probleem of welke wens de motor is van het verhaal, en hoe het verhaal zich ontwikkelt. 52
  269. 269 Benodigdheden: 52
  270. 270 Het prentenboek Sterrefant van James Foley 52
  271. 271 Introductie: 52
  272. 272 Start met een kringgesprek: 52
  273. 273 Wie weet wat een astronaut is? 52
  274. 274 Wat moet je kunnen als je naar de ruimte gaat? 52
  275. 275 Hoe leef je in de ruimte, denk je? Kun je daar gewoon slapen of eten zoals op aarde? 52
  276. 276 Vertel: Deze week gaan we leren wat een astronaut allemaal moet oefenen en kunnen. En we gaan ontdekken hoe het voelt om te zweven en in de ruimte te werken. 52
  277. 277 Voorlezen: 52
  278. 278 Bekijk eerst de astronauten aan de binnenkant van de kaft. 52
  279. 279 Zie je tussen de mensen ook dieren? 52
  280. 280 Kunnen dieren astronaut worden? 52
  281. 281 Laat de kinderen benoemen wat ze zien en denken. Zet aan tot verwondering. 52
  282. 282 Lees het verhaal voor. 52
  283. 283 Gesprek: 52
  284. 284 Bespreek het verhaal: 52
  285. 285 Wat wilde Sterre worden? 52
  286. 286 Wat gebeurde er toen ze zich aanmeldde? 52
  287. 287 Hoe voelde ze zich toen ze werd afgewezen? 52
  288. 288 Wat deed ze daarna? 52
  289. 289 Laat kinderen in eigen woorden vertellen. 52
  290. 290 Vat samen: Sterre’s wens (ik wil astronaut worden) is de motor van het verhaal. Ze wordt afgewezen, maar ze geeft niet op. Ze leert, oefent en vindt haar eigen manier. 52
  291. 291 Wat moet je leren om astronaut te worden? Vraag: 52
  292. 292 Wat moest Sterre allemaal leren of doen om een goede astronaut te worden? 52
  293. 293 Wat hebben jullie geleerd over hoe astronauten trainen? 52
  294. 294 Maandag - Kringgesprek sterrefant 53
  295. 295 Gingen er echt dieren de ruimte in? Laat de binnenkaft achterin het boek zien. Vraag: 53
  296. 296 Welke dieren zie je? 53
  297. 297 Denk je dat deze dieren echt in raketten zijn geweest? Bespreek: 53
  298. 298 Laika was een hond en de eerste die om de aarde draaide. 53
  299. 299 Ham was een chimpansee die leerde om knopjes in te drukken in een raket. 53
  300. 300 Zelfs kleine eitjes van kwarrelvogels zijn ooit naar de ruimte gegaan! 53
  301. 301 Afsluiting: 53
  302. 302 Bespreek wat de kinderen geleerd of ontdekt hebben: 53
  303. 303 Wat moet een astronaut allemaal kunnen? 53
  304. 304 Zouden jullie ook astronaut willen worden? 53
  305. 305 Laat de kinderen afsluiten met: Ik zou graag een astronaut zijn omdat… of Als ik een dier mee mocht nemen in mijn raket, dan nam ik mee… 53
  306. 306 Begeleidingssuggesties: 53
  307. 307 Gebruik woorden als: astronaut, trainen, ruimte, gewichtloos, ruimtepak, zweven, raket, dier, oefenen, durven 53
  308. 308 Herhaal de wens-structuur: “Ze wilde..., maar..., toen...” 53
  309. 309 Verbind het verhaal steeds aan het echte astronautenleven 53
  310. 310 Laat kinderen meedenken en verwoorden in eigen taal 53
  311. 311 Dinsdag 54
  312. 312 Doel: 54
  313. 313 Les: 54
  314. 314 Woensdag 55
  315. 315 Doel: 55
  316. 316 Les: 55
  317. 317 Donderdag 56
  318. 318 Doel: 56
  319. 319 Les: 56
  320. 320 Vrijdag 57
  321. 321 Doel: 57
  322. 322 Les: 57
  323. 323 Circuit 58
    1. Week: 7 - astronauten Fase: evalueren en verwerken Thema: Op reis in de ruimte 58
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 58
    3. Uitloop 58
    4. Beredeneerd aanbod taal 58
    5. Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd 58
    6. Bouwhoek 58
    7. Themahoek 58
    8. De raket is aangekomen bij een ruimtestation. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die onderzoek doen, reparaties uitvoeren en contact houden met de aarde. 58
    9. Boekenhoek 58
    10. De kinderen bekijken boeken over astronauten, ruimtevaart en het leven in de ruimte. 58
    11. Knutselen 58
    12. Loose Parts 58
    13. Teken of print een figuur uit de ruimte en laat de kinderen het opvullen met loose parts. 58
  324. 324 Circuit 59
    1. Week: 7 - astronauten Fase: evalueren en verwerken Thema: Op reis in de ruimte 59
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 59
    3. Uitloop 59
    4. Beredeneerd aanbod taal 59
    5. Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd 59
    6. Bouwhoek 59
    7. Themahoek 59
    8. De raket is aangekomen bij een ruimtestation. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die onderzoek doen, reparaties uitvoeren en contact houden met de aarde. 59
    9. Ontdekhoek 59
    10. Boekenhoek 59
    11. De kinderen bekijken boeken over astronauten, ruimtevaart en het leven in de ruimte. 59
    12. Huishoek 59
  325. 325 Week 8 terug naar de aarde 61
  326. 326 Lessen 62
    1. NL: ENG: FR: 62
    2. NL: FR: ENG: 62
  327. 327 Maandag 63
  328. 328 Doel: 63
  329. 329 Les: 63
  330. 330 Dinsdag 64
  331. 331 Doel: 64
  332. 332 Les: 64
  333. 333 Woensdag 65
  334. 334 Doel: 65
  335. 335 Les: 65
  336. 336 Donderdag 66
  337. 337 Doel: 66
  338. 338 Les: 66
  339. 339 Vrijdag 67
  340. 340 Doel: 67
  341. 341 Les: 67
    1. Lezen over de ruimte 68
  342. 342 Circuit 69
    1. Week: 8 - Terug naar aarde Fase: Evalueren en presenteren Thema: Op reis in de ruimte 69
    2. Beredeneerd aanbod rekenen 69
    3. Uitloop 69
    4. Beredeneerd aanbod taal 69
    5. Uitloop 69
    6. Spelhoek 69
    7. Themahoek 69
    8. De kinderen spelen dat zij in de controlekamer werken en contact houden met de astronauten die terugkeren naar de aarde. Ze controleren of de raket veilig landt en begeleiden de missie. 69
    9. Ontdekhoek 69
    10. Boekenhoek 69
    11. Lezen over de ruimte 69
    12. Knutselen 69
    13. Verteltafel 69
  343. 343 Themahoek ideeën 70
  344. 344 Spelhoek - Controlekamer op aarde 71
  345. 345 Themahoek - De raket 72
  346. 346 Hoekomschrijving en spelideeën 72
  347. 347 De kinderen spelen dat ze astronauten zijn in de raket. Ze bereiden zich voor op de terugkeer naar aarde, voeren taken uit zoals de ruimte observeren, experimenten doen en communiceren met de controlekamer. Kinderen kunnen: 72
  348. 348 een ruimtepak aantrekken 72
  349. 349 op een ‘stoel’ zitten als piloot of co-piloot 72
  350. 350 opdrachten uitvoeren die de controlekamer doorgeeft 72
  351. 351 de terugkeer naar de aarde naspelen, met aftellen en landen 72
  352. 352 Materialen 72
  353. 353 Grote kartonnen raket met ‘ramen’ (bijvoorbeeld grote plastic kommen) 72
  354. 354 Ruimtehelmen (plastic helm omwikkeld met folie) 72
  355. 355 Ruimtekleding (verkleedpak of zilveren cape/shirt) 72
  356. 356 Laarzen met aluminiumfolie 72
  357. 357 Cockpit met bedieningspaneel (dashboard met knoppen of stickers) 72
  358. 358 Stoelen in een raketopstelling 72
  359. 359 Lijsten met taken 72
  360. 360 Aankleding 72
  361. 361 Zilverkleurige folie op vloer en wanden 72
  362. 362 Wanden van karton, geschilderd of beplakt 72
  363. 363 Binnenkant voorzien van gekleurde knoppen, meetapparaten, slangetjes (flexibele buizen) 72
  364. 364 Samenwerking tussen de hoeken 72
  365. 365 Contactmomenten: via telefoon of walkietalkie geeft de controlekamer instructies aan de astronauten ("Tijd om te landen", "Check zuurstofmeter"). 72
  366. 366 Aftelmoment: de controlekamer telt af terwijl de astronauten zich voorbereiden op de landing. 72
  367. 367 Terugkoppeling: astronauten vertellen bij terugkeer aan de controlekamer wat ze hebben gezien/meegemaakt. 72
  368. 368 Kinderen kunnen tijdens het spelen wisselen van rol of team vormen (2 in de raket, 2 op aarde). 72
  369. 369 Observatiemogelijkheden 72
  370. 370 Gebruikt het kind taal passend bij de rol (commando’s, overleg, waarneming)? 72
  371. 371 Wisselt het kind tussen verbeelding en instructie? 72
  372. 372 Gebruikt het kind de hoeken om zelfstandig of samen plannen te maken of af te stemmen? 72
  373. 373 Speelt het kind rollen met inleving en betrokkenheid? 72
  374. 374 Ontdekhoek 73
  375. 375 Boekenhoek 74
  376. 376 Materialen in de boekenhoek 74
  377. 377 Prentenboeken over ruimte, planeten, sterren, de maan, astronauten 74
  378. 378 Informatieve boeken met veel beelden 74
  379. 379 Grote prenten of posters van het zonnestelsel, planeten, raketten 74
  380. 380 Zitzakken, kussens of een zachte mat 74
  381. 381 (Optioneel) een audioboek met koptelefoon en ruimteverhalen 74
  382. 382 Aankleding en sfeer 74
  383. 383 Maak de hoek donkerder of omsloten (bijv. met een zwart of donkerblauw laken of een tentdoek boven de hoek) 74
  384. 384 Hang zelfgemaakte sterren, planeten of een kartonnen maan aan het plafond van de hoek 74
  385. 385 Gebruik zilverfolie, lampjes of glimmende sterren om het ‘ruimtegevoel’ te versterken 74
  386. 386 Zet een kartonnen raket of maanvoertuig in de hoek als decoratie 74
  387. 387 Spelsuggesties en activiteitentips 74
  388. 388 Kinderen kunnen samen een boek lezen en elkaar vertellen wat ze zien 74
  389. 389 Laat kinderen een boek kiezen en er daarna een tekening bij maken 74
  390. 390 Laat kinderen met een zaklamp ‘lezen in het donker’ 74
  391. 391 Kinderen mogen post-it briefjes plakken bij hun lievelingsbladzijde 74
  392. 392 Begeleidingssuggesties 74
  393. 393 Lees regelmatig zelf een boek voor in de hoek en laat daarna kinderen zelf bladeren 74
  394. 394 Stel vragen bij boeken: Wat zie je hier op deze planeet?, Wat gebeurt er met deze raket? 74
  395. 395 Stimuleer taalgebruik: benoem begrippen als zonnestelsel, gewichtloos, helm, ruimtepak, lancering 74
  396. 396 Help bij het kiezen van een boek dat aansluit bij de interesse van het kind 74
  397. 397 Observatiemogelijkheden 74
  398. 398 Blijft het kind aandachtig bij het boek? 74
  399. 399 Benoemt het kind bekende begrippen of verhaalelementen? 74
  400. 400 Kiest het kind zelfstandig een boek en wisselt het van boek wanneer passend? 74
  401. 401 Gebruikt het kind themawoorden of stelt het vragen bij de illustraties? 74
  402. 402 Week 1 de zon 75
    1. Doel 76
    2. Benodigde materialen 76
    3. Introductie 76
    4. Voorlezen 76
    5. Gesprek na het verhaal 76
    6. Verdieping: Waarom hebben wij de zon nodig? 77
    7. Eigen ervaringen 77
    8. Afsluiting 77
    9. Introductie 79
    10. Ik doe het voor 79
    11. Wij doen het samen 79
    12. Jullie doen het samen 80
    13. Gezamenlijke reflectie 80
    14. Conclusie 80
    15. Afsluiting 80
    16. Introductie 81
    17. Ik doe het voor 81
    18. Wij doen het samen 81
  403. 403 Donderdag - gedicht de zon 83
  404. 404 Doel: 83
  405. 405 De kinderen beschrijven dat de beweging en positie van de zon zorgt voor patronen zoals dag en nacht en seizoenen. 83
  406. 406 De kinderen breiden hun woordenschat en kennis over taal en de wereld uit door middel van een poëtische tekst. 83
  407. 407 Materialen: 83
  408. 408 Het gedicht "Zon" ( te vinden bij teksten) 83
  409. 409 Globe of bal en een zaklamp 83
  410. 410 Eventueel woordkaarten met woorden/beelden (dag, nacht, ochtend, middag, avond) 83
  411. 411 Introductie – De zon 83
  412. 412 De kinderen denken na over wat er verandert als de zon opkomt of ondergaat. Wat merk je aan de lucht, de dieren, jezelf? 83
  413. 413 Gedicht beluisteren en beleven 83
  414. 414 Lees het gedicht Zon voor. De kinderen luisteren aandachtig. Daarna wordt besproken wat het versje zegt over de zon. Welke woorden zijn nieuw of opvallend? 83
  415. 415 Bespreek met de kinderen wat er met de laatste zin wordt bedoeld. 83
  416. 416 Ontdekken – Hoe werkt dag en nacht? 83
  417. 417 Gebruik de globe en zaklamp om te laten zien dat de zon op dezelfde plek blijft maar de aarde draait. Daardoor wordt het dag en nacht. De kinderen mogen dit zelf naspelen met de materialen. Welke plekken zijn licht, welke donker? Wanneer is het bij ons dag? 83
  418. 418 Reflectiegesprek – De zon in jouw dag 83
  419. 419 Wat doe jij als het ochtend is? Wat merk je aan het licht of de temperatuur? 83
  420. 420 Herkennen de kinderen patronen zoals 'eerst ontbijt, dan naar school'? 83
  421. 421 Ook wordt benoemd dat de zon zorgt voor warmte en licht én dat dit verandert in de verschillende seizoenen. 83
  422. 422 Afronding – Een zonnezinnetje verzinnen 83
  423. 423 De kinderen mogen een korte zin maken over de zon. Bijvoorbeeld: 83
  424. 424 – “Als de zon opkomt, word ik wakker.” 83
  425. 425 – “Zonder zon is het donker.” 83
  426. 426 Wie wil mag dit voordoen of uitbeelden. Wie kan er een rijmende zin van maken? 83
  427. 427 Vrijdag - warm en koud 85
  428. 428 Doel: De kinderen ontdekken dat de zon warmte geeft. Ze ervaren het verschil tussen een plek in de zon en een plek in de schaduw en leren de woorden zon, warmte, schaduw, licht en donker gebruiken. 85
  429. 429 Introductie Vraag: * Wat hebben we deze week al geleerd over de zon? * Wat geeft de zon ons? * Kun je de zon alleen zien of kun je hem ook voelen? 85
  430. 430 Vertel: "Vandaag gaan we zelf onderzoeken of de zon warmte geeft. We gaan voelen wat het verschil is tussen een plek in de zon en een plek in de de schaduw." 85
  431. 431 Ik doe het voor Ga met de kinderen naar buiten. Ga eerst zelf in de zon staan. Denk hardop: "Ik voel iets op mijn gezicht. Het voelt warm. Dat komt door de zon." Loop vervolgens naar een plek in de schaduw. "Hier voel ik minder warmte. Ik sta nu niet meer in de zon." 85
  432. 432 Laat de kinderen meedenken: * Wat merk ik? * Waar voel ik meer warmte? Wij doen het samen Laat alle kinderen eerst in de zon staan. Vraag hen hun handen op hun armen of gezicht te leggen. 85
  433. 433 Vragen: * Voelt het warm of koud? * Waar voel je de warmte? 85
  434. 434 Loop daarna samen naar een schaduwplek. Vraag opnieuw: * Voelt het hier hetzelfde? * Wat merk je nu? 85
  435. 435 Gebruik steeds de woorden: zon, warmte, licht, schaduw, warm, koud. 85
  436. 436 Stimuleer taalgebruik: 85
  437. 437 * Waar voel je meer warmte? * Waar voel je minder warmte? * Waarom denk je dat dat zo is? 85
  438. 438 Week 2 de maan 86
  439. 439 Maandag 87
  440. 440 Voorlezen papa pak jij de maan voor mij 87
  441. 441 Maandag 88
  442. 442 Doel: 88
  443. 443 De kinderen voeren gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen. 88
  444. 444 De kinderen beschrijven dat de beweging en positie van hemellichamen leiden tot patronen: dag en nacht, maanstanden, seizoenen. 88
  445. 445 Introductie – Voor het voorlezen 88
  446. 446 De kinderen krijgen de opdracht om tijdens het voorlezen goed te letten op: 88
  447. 447 Hoe de maan verandert. 88
  448. 448 Wat papa doen om de maan te pakken. 88
  449. 449 Of het hem uiteindelijk lukt – en waarom (of waarom niet). 88
  450. 450 Er wordt kort gesproken over wat kinderen al weten van de maan: 88
  451. 451 Heb jij de maan weleens gezien? 88
  452. 452 Is hij altijd even groot? Zie je hem altijd op dezelfde plek? 88
  453. 453 Na het voorlezen – Gesprek over het verhaal 88
  454. 454 De groep praat samen na over het boek. Suggesties voor gespreksonderwerpen: 88
  455. 455 Wat wilde het meisje graag van haar papa? 88
  456. 456 → Was dat makkelijk? Waarom niet? 88
  457. 457 Wat gebeurde er met de maan? 88
  458. 458 → Hoe werd de maan kleiner? Kun je de maan ook zien groeien of verdwijnen? 88
  459. 459 Wat vond jij mooi of grappig aan het verhaal? 88
  460. 460 Leg verbinding met wat kinderen kennen: 88
  461. 461 Heb jij weleens de maan gevolgd in de lucht? 88
  462. 462 Denk je dat je bij de maan kunt komen? Hoe dan? 88
  463. 463 Maandag 89
  464. 464 Gesprek over de maan 89
  465. 465 De kinderen worden betrokken bij een ontdekkend gesprek over de maan en de patronen van licht en donker. Mogelijke vragen: 89
  466. 466 Waarom zie je de maan soms niet? 89
  467. 467 Wanneer is het dag? Wanneer is het nacht? En waarom verandert dat? 89
  468. 468 Wat gebeurt er als de zon opkomt? En als hij ondergaat? 89
  469. 469 Wat gebeurt er op de maan, denk je? Is er licht? Warmte? 89
  470. 470 Gebruik eventueel een globe en een lamp als zon en draai met de globe om het effect van dag en nacht te laten zien. 89
  471. 471 Afsluiting – Denken over de maan 89
  472. 472 Laat de kinderen beschrijven: 89
  473. 473 Welke vormen hebben ze weleens in de maan gezien? 89
  474. 474 Wat denken ze dat er op de maan te vinden is? 89
  475. 475 Zou je op de maan kunnen wonen? Waarom wel of niet? 89
  476. 476 Kinderen mogen hun ideeën verwoorden of naspelen: 89
  477. 477 Bijvoorbeeld doen alsof ze op de maan lopen met grote sprongen (want daar is minder zwaartekracht). 89
  478. 478 Begeleidingssuggesties: 89
  479. 479 Gebruik beeldmateriaal van de maanfasen en een eenvoudige dag-nacht illustratie om het gesprek te ondersteunen. 89
  480. 480 Stel open vragen en bouw door op wat kinderen zeggen. Laat ruimte voor fantasie én correctie vanuit echte kennis. 89
  481. 481 Moedig kinderen aan om elkaars bijdragen te respecteren en aan te vullen (Wat denk jij daarover?). 89
    1. Maak de maan in Eric Carle stijl 90
    2. Maak de maan in Eric Carle stijl 91
    3. Maandag - Lopen op de maan 92
  482. 482 Dinsdag 93
  483. 483 Doel: 93
  484. 484 Het begrip van de maanfases ontwikkelen en hoe deze veranderen over tijd. 93
  485. 485 Observatie- en redeneervaardigheden verbeteren door het sorteren van afbeeldingen in een logische volgorde. 93
  486. 486 De woordenschat uitbreiden met termen die betrekking hebben op de maan en haar fases. 93
  487. 487 Benodigdheden: 93
  488. 488 Afbeeldingen van de maan in verschillende fases: nieuwe maan, wassende maansikkel, eerste kwartier, wassende gibbous, volle maan, afnemende gibbous, laatste kwartier, en afnemende maansikkel. 93
  489. 489 Grote vellen papier of een whiteboard om de afbeeldingen op te plakken of aan te bevestigen. 93
  490. 490 Klittenband, magneten, of plakgum om de afbeeldingen tijdelijk te bevestigen, zodat ze gemakkelijk verplaatst kunnen worden. 93
  491. 491 Voorbereiding: 93
  492. 492 Print duidelijke afbeeldingen uit van elke maanfase. 93
  493. 493 Maak de afbeeldingen klaar voor gebruik door ze, indien nodig, te lamineren en voorzien van klittenband, magneten, of plakgum aan de achterkant. 93
  494. 494 Organiseer een introductie tot de maanfases, zodat de kinderen basiskennis hebben voordat ze beginnen met de activiteit. 93
  495. 495 Activiteit: 93
  496. 496 Start met een korte uitleg of een verhaal over de maan en haar fases. Gebruik eenvoudige termen en visualisaties om de concepten uit te leggen. 93
  497. 497 Laat de kinderen de afbeeldingen van de maanfases één voor één bekijken. Bespreek kort wat elke fase inhoudt en hoe de maan eruitziet tijdens die fase. 93
  498. 498 Leg de afbeeldingen willekeurig neer en vraag de kinderen om ze in de juiste volgorde van de maancyclus te plaatsen. Werk in kleine groepjes of individueel, afhankelijk van de grootte van de klas en het aantal beschikbare afbeeldingen. 93
  499. 499 Nadat alle kinderen hun poging hebben gedaan, bespreek je samen de juiste volgorde van de maanfases. Bevestig de afbeeldingen in de juiste volgorde op het papier of whiteboard en leg uit waarom dit de correcte volgorde is. 93
  500. 500 Stel vragen om te controleren of de kinderen de concepten hebben begrepen: 93
  501. 501 Welke afbeelding laat de volle maan zien? 93
  502. 502 Welke afbeelding laat de nieuwe maan zien? 93
  503. 503 Dinsdag 94
  504. 504 Doel: 94
  505. 505 Het begrip van de maanfases ontwikkelen en hoe deze veranderen over tijd. 94
  506. 506 Observatie- en redeneervaardigheden verbeteren door het sorteren van afbeeldingen in een logische volgorde. 94
  507. 507 De woordenschat uitbreiden met termen die betrekking hebben op de maan en haar fases. 94
  508. 508 Benodigdheden: 94
  509. 509 Afbeeldingen van de maan in verschillende fases: nieuwe maan, wassende maansikkel, eerste kwartier, wassende gibbous, volle maan, afnemende gibbous, laatste kwartier, en afnemende maansikkel. 94
  510. 510 Grote vellen papier of een whiteboard om de afbeeldingen op te plakken of aan te bevestigen. 94
  511. 511 Klittenband, magneten, of plakgum om de afbeeldingen tijdelijk te bevestigen, zodat ze gemakkelijk verplaatst kunnen worden. 94
  512. 512 Voorbereiding: 94
  513. 513 Print duidelijke afbeeldingen uit van elke maanfase. 94
  514. 514 Maak de afbeeldingen klaar voor gebruik door ze, indien nodig, te lamineren en voorzien van klittenband, magneten, of plakgum aan de achterkant. 94
  515. 515 Organiseer een introductie tot de maanfases, zodat de kinderen basiskennis hebben voordat ze beginnen met de activiteit. 94
  516. 516 Activiteit: 94
  517. 517 Start met een korte uitleg of een verhaal over de maan en haar fases. Gebruik eenvoudige termen en visualisaties om de concepten uit te leggen. 94
  518. 518 Laat de kinderen de afbeeldingen van de maanfases één voor één bekijken. Bespreek kort wat elke fase inhoudt en hoe de maan eruitziet tijdens die fase. 94
  519. 519 Leg de afbeeldingen willekeurig neer en vraag de kinderen om ze in de juiste volgorde van de maancyclus te plaatsen. Werk in kleine groepjes of individueel, afhankelijk van de grootte van de klas en het aantal beschikbare afbeeldingen. 94
  520. 520 Nadat alle kinderen hun poging hebben gedaan, bespreek je samen de juiste volgorde van de maanfases. Bevestig de afbeeldingen in de juiste volgorde op het papier of whiteboard en leg uit waarom dit de correcte volgorde is. 94
  521. 521 Stel vragen om te controleren of de kinderen de concepten hebben begrepen: 94
  522. 522 Welke afbeelding laat de volle maan zien? 94
  523. 523 Welke afbeelding laat de nieuwe maan zien? 94
    1. Doel: 95
  524. 524 Dinsdag 96
  525. 525 sluiting: 96
  526. 526 Welke dingen kun je in tweeën delen? 96
  527. 527 Wat betekent het als iets een ‘helft’ is? 96
  528. 528 Hoe komt het dat de maan soms vol en soms half is? 96
  529. 529 Laat kinderen eventueel hun eigen halve of hele maan laten zien met hun handen, of met zelfgemaakte vormen. 96
  530. 530 Begeleidingssuggesties: 96
  531. 531 Laat kinderen in eigen woorden uitleggen wat ‘de helft’ is. 96
  532. 532 Gebruik eenvoudige voorbeelden uit hun dagelijks leven: pizza’s, koekjes, appels. 96
  533. 533 Stimuleer gesprekken over wat ze zien aan de maan – vooral bij het waarnemen van vormen. 96
  534. 534 Herhaal het begrip ‘de helft van iets’ regelmatig. 96
    1. Maak een seizoenskalender 97
  535. 535 Woensdag 100
  536. 536 Doel: 100
  537. 537 Kinderen praten over hun leeservaring en geven hun mening over het versje. 100
  538. 538 Ze leren verbanden leggen tussen verhaal en werkelijkheid (dieren in de ruimte). 100
  539. 539 Ze worden uitgedaagd hun fantasie te gebruiken over reizen in de ruimte. 100
  540. 540 Materialen: 100
  541. 541 Het versje Haan (te vinden bij teksten) 100
  542. 542 Introductie 100
  543. 543 De kinderen luisteren naar het versje over Hidde die naar de maan vliegt. 100
  544. 544 De leerkracht leest het versje voor of toont het op een groot blad. 100
  545. 545 Daarna wordt het versje opnieuw gelezen, waarbij de kinderen de herhaling en het ritme proberen mee te voelen. 100
  546. 546 Gesprek over het versje 100
  547. 547 Gesprekssuggesties: 100
  548. 548 Wat vonden jullie van het versje? Wat gebeurde er met Hidde Haan? 100
  549. 549 Wat voelde je bij het luisteren? Vond je het spannend, grappig, dromerig? 100
  550. 550 Denk je dat dit echt kan, een haan die naar de maan vliegt? 100
  551. 551 Verkennen van fantasie en werkelijkheid: 100
  552. 552 Weten jullie of er ooit dieren naar de ruimte zijn gegaan? 100
  553. 553 Welke dieren zouden jullie wel naar de maan willen sturen? 100
  554. 554 Waarom juist dat dier? Wat zou hij daar kunnen doen? 100
  555. 555 Zou het daar fijn zijn voor dat dier? Of juist niet? 100
  556. 556 Verbinding met geschiedenis: 100
  557. 557 De leerkracht vertelt kort dat vroeger echt dieren de ruimte in zijn gestuurd. Bijvoorbeeld Laika, de hond. 100
  558. 558 Samen wordt nagedacht waarom ze dat deden. Wat wilden mensen weten? 100
  559. 559 Uitbreiding (optioneel) De kinderen kunnen in de bouw- of tekenhoek een eigen ruimtevoertuig maken of tekenen waar hun gekozen dier in kan reizen. Ze tekenen of knippen en plakken hun dier op de maan en bedenken wat hij daar meemaakt. 100
  560. 560 Donderdag 101
  561. 561 Doel: 101
  562. 562 Het ontwikkelen van classificatievaardigheden door het sorteren van afbeeldingen op basis van verschillende criteria. 101
  563. 563 Het bevorderen van discussie en taalvaardigheden door kinderen aan te moedigen hun keuzes te verklaren. 101
  564. 564 Het vergroten van kennis over het thema ruimte door het verkennen van verschillende ruimte-elementen. 101
  565. 565 Benodigdheden: 101
  566. 566 Een gevarieerde set afbeeldingen gerelateerd aan het thema ruimte. Denk aan planeten, sterren, astronauten, ruimteschepen, manen, sterrenstelsels, en satellieten. 101
  567. 567 Grote werkbladen of matten om de afbeeldingen op te sorteren. 101
  568. 568 Optioneel: voorbedrukte labels met sorteer categorieën zoals kleur, grootte, of soort. 101
  569. 569 Activiteit: 101
  570. 570 Presenteer de verzameling afbeeldingen aan de kinderen en leg kort uit dat ze vandaag afbeeldingen gaan sorteren die te maken hebben met het thema ruimte. Introduceer de verschillende categorieën waarop ze kunnen sorteren, zoals kleur, grootte, of soort. 101
  571. 571 Verdeel de afbeeldingen onder de kinderen en laat ze in kleine groepjes werken om de afbeeldingen te sorteren. Moedig ze aan om eerst samen te beslissen op welke basis ze gaan sorteren. 101
  572. 572 Nadat de kinderen hun afbeeldingen hebben gesorteerd, vraag je elk groepje om hun sorteerproces en de gekozen criteria te delen met de klas. Laat ze uitleggen waarom bepaalde afbeeldingen bij elkaar horen. 101
  573. 573 Stimuleer een gesprek over de verschillende manieren waarop de afbeeldingen gesorteerd kunnen worden. Bespreek hoe verschillende criteria kunnen leiden tot verschillende sorteringen en waarom dat interessant of belangrijk kan zijn. 101
  574. 574 Voor een extra uitdaging, vraag de kinderen om de afbeeldingen opnieuw te sorteren, maar nu met een ander criterium. Dit helpt hen flexibel te denken over categorieën en eigenschappen. 101
  575. 575 Donderdag 102
  576. 576 Doel: 102
  577. 577 Stimuleren van fijne motoriek en hand-oog coördinatie door het vormen van handstanden. 102
  578. 578 Creativiteit en verbeeldingskracht ontwikkelen door het creëren van verschillende schaduwfiguren. 102
  579. 579 Begrip van licht, schaduw, en afstand introduceren door experimenteren. 102
  580. 580 Benodigdheden: 102
  581. 581 Lampen of zaklampen die een heldere, gerichte lichtstraal geven. 102
  582. 582 Witte muur of een groot vel wit papier als achtergrond. 102
  583. 583 Optioneel: voorwerpen van verschillende vormen en maten om extra schaduwen mee te creëren. 102
  584. 584 Voorbereiding: 102
  585. 585 Zorg ervoor dat de ruimte voldoende verduisterd kan worden zodat de schaduwen goed zichtbaar zijn. 102
  586. 586 Test de lampen of zaklampen om er zeker van te zijn dat ze een duidelijke schaduw werpen. 102
  587. 587 Richt een specifieke hoek of deel van de ruimte in waar de activiteit plaatsvindt, met de witte muur of het grote vel papier als achtergrond. 102
  588. 588 Activiteit: Introductie Leg het concept van schaduwen kort uit en demonstreer hoe licht en objecten (in dit geval handen) samenwerken om een schaduw te creëren. Introduceer de activiteit en leg uit dat ze in tweetallen gaan werken om hun eigen schaduwspellen te maken. 102
  589. 589 Experimenteren Laat de kinderen in tweetallen werken met een lamp en de muur of het papier. Moedig ze aan om met hun handen verschillende vormen te maken en te ontdekken welke soorten schaduwen ze kunnen creëren. Laat ze experimenteren met de afstand van hun handen tot de lichtbron en de muur om te zien hoe dit de grootte en de vorm van de schaduw beïnvloedt. Verhalen vertellen 102
  590. 590 Nadat de kinderen verschillende schaduwfiguren hebben uitgeprobeerd, vraag je ze om een kort verhaal te bedenken waarin hun schaduwfiguren de hoofdrol spelen. Dit kan variëren van een eenvoudige interactie tussen twee figuren tot een klein avontuur. 102
  591. 591 Leerling opdrachtbladWerkblad voor leerlingen tijdens de les 102
  592. 592 Donderdag 103
  593. 593 Presentatie Bied de kinderen de mogelijkheid om hun schaduwspel en het bijbehorende verhaal te presenteren aan de rest van de groep. Dit stimuleert niet alleen hun verbeeldingskracht, maar ook hun vermogen om voor een groep te spreken. Reflectie Bespreek na de presentaties de verschillende technieken en verhalen. Vraag de kinderen wat ze hebben geleerd over het maken van schaduwen en welke figuren ze het leukst vonden om te maken. 103
  594. 594 Afsluiting: 103
  595. 595 Benadruk het belang van licht en schaduw in onze visuele waarneming en in de kunst. 103
  596. 596 Moedig de kinderen aan om thuis of tijdens de volgende speeltijd verder te experimenteren met schaduwen. 103
  597. 597 Reflecteer op hoe samenwerking en delen van ideeën hebben bijgedragen aan het creatieve proces. 103
  598. 598 Deze activiteit biedt een speelse manier om wetenschappelijke principes te verkennen, zoals licht en schaduw, en stimuleert tegelijkertijd de creatieve en motorische ontwikkeling van kinderen. Door samen te werken en hun bevindingen te delen, leren ze van elkaar en ontwikkelen ze sociale vaardigheden. 103
  599. 599 Vrijdag 104
  600. 600 Als het donker is, zie bijna niets. Als het licht is, kun je alles goed bekijken. Licht en donker zijn natuurlijke verschijnselen; ze zorgen voor dag en nacht op aarde. Mensen kunnen ook zelf licht maken. Welk licht maken mensen en hoe moeilijk is het om in het donker iets te doen? Vraag aan de leerlingen wie er wel eens op een heel donkere plek is geweest. 104
  601. 601 Vraag: ‘Wat kon je zien?’ en ‘Wat kon je zien toen het licht aanging? Hoe kan dat?’ Kom tot de conclusie dat je licht nodig hebt om goed te kunnen zien.Vraag aan de leerlingen wat er allemaal licht geeft. Vertel dat een aantal dingen uit zichzelf licht geeft, bijvoorbeeld de zon, vuur, een vuurvliegje en een bliksem-flits. andere dingen die licht geven hebben mensen azelf gemaakt zoals lampen in het lokaal, een fietslampje, een kaars en een zaklamp. Hang foto’s van de lichtbronnen in de klas op en vertel erbij of het uit zichzelf licht geeft of dat de mensen dat hebben gemaakt. 104
  602. 602 Week 3 planeten 105
  603. 603 Maandag 106
  604. 604 Voorlezen een bali n het heelal 106
    1. Kringgesprek n.a.v. het boek: Een bal in het heelal 107
  605. 605 Maandag 108
  606. 606 Afsluiting: Wat weet jij over de ruimte? 108
  607. 607 De kinderen vertellen over wat ze al wisten of nu geleerd hebben. Voorbeelden van vragen: 108
  608. 608 Wat vond je het leukste aan het verhaal? 108
  609. 609 Welke planeet wil jij graag bezoeken? 108
  610. 610 Heb je weleens naar de sterren gekeken? 108
  611. 611 Begeleidingssuggesties 108
  612. 612 Gebruik een poster van het zonnestelsel ter ondersteuning. 108
  613. 613 Laat kinderen vrijuit praten en laat ze hun verwondering uiten. 108
  614. 614 Houd het luchtig en beeldend, zodat de kinderen echt nieuwsgierig blijven. 108
  615. 615 Maandag 109
  616. 616 Doel van de les: Kinderen leren over het zonnestelsel en de planeten die er deel van uitmaken. Daarnaast wordt hun creativiteit en motoriek gestimuleerd door het maken van een eigen planetenstelsel. Benodigdheden: Ballonnen Kranten Behangerslijm Verf Kwasten Schaar Touw of draad Voorbereiding: Zorg dat alle benodigdheden klaarstaan op een centrale plek in de klas. Maak eventueel een voorbeeldmodel van een planetenstelsel zodat de kinderen een idee hebben van wat ze kunnen maken. Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de kinderen hun eigen planetenstelsel gaan maken van ballonnen en papier-mache. Bespreek kort de verschillende planeten en hun eigenschappen. Uitvoering (60-90 minuten): Laat de kinderen een ballon opblazen en vastmaken aan een touwtje of draad. Dit wordt de zon. Vervolgens kunnen ze met behulp van kranten en behangerslijm planeten maken rondom de zon. Geef de kinderen de vrijheid om hun eigen planetenstelsel te ontwerpen en te schilderen in verschillende kleuren. Nabespreking (10 minuten): Laat de kinderen hun planetenstelsel presenteren en benoemen welke planeet ze hebben gemaakt en waarom. Bespreek kort de eigenschappen van de verschillende planeten en hoe deze zich verhouden tot elkaar in het zonnestelsel. Evaluatie: Beoordeel de creativiteit en originaliteit van de planetenstelsels. Beoordeel de kwaliteit van de presentatie en de kennis die is gedeeld over de planeten. Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de opdracht vereenvoudigen door bijvoorbeeld alleen de zon en aarde te maken. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je extra uitdagingen toevoegen, zoals het maken van een maan of het toevoegen van meer details aan de planeten. 109
  617. 617 Dinsdag 110
  618. 618 Doel: 110
  619. 619 De kinderen leren dat een cirkel op papier een platte vorm is en een planeet een bolvorm. 110
  620. 620 De kinderen herkennen en benoemen het verschil tussen een tweedimensionale (2D) en driedimensionale (3D) vorm. 110
  621. 621 De kinderen leggen relaties tussen wat ze getekend hebben en wat ze op het scherm zien. 110
  622. 622 Materialen: 110
  623. 623 Werkblad “Dot Day – Earth Dot” van QuiverVision 110
  624. 624 Kleurpotloden of stiften 110
  625. 625 Tablets of smartphones met de Quiver-app 110
  626. 626 Eventueel: bal en platte cirkelvorm (rond placemat, ring, karton) 110
  627. 627 (Optioneel) een globe en een tekening van de aarde als platte kaart 110
  628. 628 Introductie: 110
  629. 629 Laat de kinderen een ronde vorm zien: een platte cirkel. 110
  630. 630 Daarna laat je een bal zien (of een globe): 110
  631. 631 Wat is het verschil tussen deze twee vormen? 110
  632. 632 Welke lijkt op een planeet zoals de aarde? 110
  633. 633 Leg uit: 110
  634. 634 We gaan de planeten tekenen – in een cirkel. 110
  635. 635 Daarna gaan we met de app bekijken hoe die cirkel verandert in een bol, net zoals een echte planeet! 110
  636. 636 Bespreek ook kort: 110
  637. 637 Weten jullie hoeveel planeten er zijn in ons zonnestelsel? 110
  638. 638 Hebben planeten allemaal dezelfde kleur of grootte? 110
  639. 639 Activiteit: 110
  640. 640 Planeten inkleuren. De kinderen kleuren de “Dot Day”-werkbladen in alsof het een planeet is. 110
  641. 641 Stimuleer hen om een planeet na te tekenen. 110
  642. 642 Voorbeelden: 110
  643. 643 Rode planeet zoals Mars 110
  644. 644 Blauwe planeet zoals Neptunus 110
  645. 645 Planeet met ringen (zoals Saturnus) 110
  646. 646 Of een fantasieplaneet met sterren, stippen, lava, enz. 110
  647. 647 Kan je andere eigenschappen laten zien in jouw tekening? 110
  648. 648 Dinsdag 111
  649. 649 Bespreek: 111
  650. 650 Welke kleuren horen bij jouw planeet? 111
  651. 651 Wat is bijzonder aan jouw planeet? 111
  652. 652 Van plat naar bol. De kinderen gebruiken de Quiver-app om hun planeet tot leven te brengen. 111
  653. 653 Ze bekijken op het scherm hoe hun platte tekening (de cirkel) verandert in een draaiende bol. 111
  654. 654 Stel vragen: 111
  655. 655 Wat is er anders op het scherm dan op je papier? 111
  656. 656 Beweegt jouw planeet? 111
  657. 657 Kun je de vormen nog herkennen? 111
  658. 658 Vergelijk eventueel met een echte bal of de globe. 111
  659. 659 Afsluiting: 111
  660. 660 Bespreek in de kring: 111
  661. 661 Wat heb je geleerd over vormen vandaag? 111
  662. 662 Wat is het verschil tussen een cirkel en een bol? 111
  663. 663 Lijkt jouw planeet echt of verzonnen? 111
  664. 664 Wat vond je het leukst aan je planeet? 111
  665. 665 Begeleidingssuggesties: 111
  666. 666 Gebruik begrippen zoals: cirkel, rond, bol, plat, 2D, 3D, planeet, draaien, vorm, oppervlak 111
  667. 667 Leg op kleuterniveau uit dat een planeet in het echt bol is, ook al tekenen we hem plat 111
    1. Woensdag- Planetenspel 112
    2. Woensdag- Blijft Saturnus drijven? 113
  668. 668 Donderdag 114
  669. 669 Doel: 114
  670. 670 Les: 114
    1. Doel 115
    2. Materialen 115
    3. Voorbereiding 115
    4. Introductie 115
    5. Vertelpantomime: De planeten stellen zich voor 115
    6. Opdracht aan de reiziger 116
    7. Afsluiting 116
    8. Begeleidingssuggesties 116
  671. 671 Week 4 sterren en kometen 117
  672. 672 Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren 118
  673. 673 Voorlezen: 118
  674. 674 Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren 119
  675. 675 Doel: 119
  676. 676 De kinderen voeren een gesprek over wat sterren zijn en delen hun eigen kennis en vragen. 119
  677. 677 De kinderen luisteren naar een verhaal en verwoorden wat ze nieuw hebben geleerd. 119
  678. 678 De kinderen bouwen samen kennis op over sterren en sterrenbeelden. 119
  679. 679 Materialen: 119
  680. 680 Het prentenboek Luuk en Lotje, de maan en de sterren. 119
  681. 681 Eventueel een plaatje of afbeelding van de sterrenhemel 119
  682. 682 Eventueel een afbeelding van een sterrenbeeld 119
  683. 683 Introductie: 119
  684. 684 Start het gesprek in de kring met open vragen: 119
  685. 685 Wat zie je als je 's nachts naar de hemel kijkt? 119
  686. 686 Wie heeft er wel eens een ster gezien? 119
  687. 687 Wat denk je dat sterren zijn? 119
  688. 688 Heb je wel eens een vallende ster gezien? 119
  689. 689 Waarom zie je sterren alleen als het donker is? 119
  690. 690 Laat ruimte voor verwondering, verhalen of ervaringen van kinderen. 119
  691. 691 Stimuleer het benoemen van woorden als: sterren, licht, hemel, donker, stralen, nacht. 119
  692. 692 Voorlezen van het boek 119
  693. 693 Lees Luuk en Lotje, de maan en de sterren voor. Laat de illustraties goed zien. 119
  694. 694 Als er reacties komen tijdens het lezen, geef daar kort ruimte voor. 119
  695. 695 Gesprek: 119
  696. 696 Na het verhaal: 119
  697. 697 Heb je iets nieuws gehoord over sterren? 119
  698. 698 Wat gebeurde er in het verhaal met de vallende ster? 119
  699. 699 Heb je wel eens gehoord van een sterrenbeeld? 119
  700. 700 Gebruik eventueel een afbeelding van een sterrenbeeld als visuele ondersteuning. 119
  701. 701 Bespreek wat kinderen hebben geleerd of begrepen: 119
  702. 702 Waar zijn sterren eigenlijk van gemaakt, denk je? 119
  703. 703 Zie je sterren overdag ook? Waarom wel of niet? 119
  704. 704 Kun je sterren aanraken? Zijn ze dichtbij of ver weg? 119
  705. 705 Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren 120
  706. 706 Afsluiting: 120
  707. 707 De leerkracht sluit het gesprek af met een samenvattend stukje over sterren. Suggesties voor de samenvatting: 120
  708. 708 Sterren zijn grote bollen van gas, die héél ver weg staan en licht geven. 120
  709. 709 We zien sterren alleen als het donker is, want overdag schijnt de zon te fel. 120
  710. 710 Er bestaan sterrenbeelden, dat zijn groepjes sterren waar mensen figuren in zagen, zoals een beer of een jager. 120
  711. 711 Vallende sterren zijn eigenlijk kleine stukjes steen die door de lucht schieten en even oplichten. 120
  712. 712 Iedereen kan zelf ook figuren verzinnen met sterren, net zoals mensen dat vroeger deden. 120
    1. Maandag - Collage van de zon, de maan en de sterren 121
  713. 713 Dinsdag - de libelle 122
  714. 714 Doel: 122
  715. 715 Kinderen benoemen rijmklanken en herkennen rijm en ritme in poëzie. 122
  716. 716 Kinderen ervaren dat woorden soms ook op elkaar rijmen in klank 122
  717. 717 Kinderen redeneren over getallen, tellen en hoeveelheden. 122
  718. 718 Kinderen voeren een gesprek over het plezier van tellen, het maken van fouten en wat je daarvan leert. 122
  719. 719 Materialen: 122
  720. 720 Het versje "Libelle" (te vinden bij teksten) 122
  721. 721 Blauwe vellen als ‘nachtlucht’ 122
  722. 722 Witte potloden of krijtjes 122
  723. 723 Introductie – Kennismaking met het versje: 122
  724. 724 Lees het versje een eerste keer rustig voor. Laat de kinderen gewoon luisteren. 122
  725. 725 Lees het daarna nog eens met nadruk op het ritme en de rijm. Vraag: 122
  726. 726 Welke woorden klinken hetzelfde? 122
  727. 727 Hoor je een ritme als ik het versje lees? 122
  728. 728 Bespreek samen het bijzondere aan de naam “Elle Libelle”. 122
  729. 729 Wat is een libelle? 122
  730. 730 Wat is er grappig aan haar naam? 122
  731. 731 Laat kinderen meeklappen op het ritme van het versje. Benoem woorden die rijmen en laat kinderen aanvullen met eigen rijmwoorden (bv. maan – kraan – haan). 122
  732. 732 Gesprek – Over tellen en fouten maken: 122
  733. 733 Bespreek samen: 122
  734. 734 Wat probeerde Elle Libelle te doen? 122
  735. 735 Waarom was het moeilijk om de sterren te tellen? 122
  736. 736 Ze kwam maar tot twee. Is dat erg? Wat zei Elle zelf? 122
  737. 737 Laat kinderen vertellen of zij ook wel eens de tel kwijtraken. Wat doen zij dan? 122
  738. 738 Bespreek dat fouten maken niet erg is – het plezier in het proberen telt ook. 122
  739. 739 Rekenactiviteit – Tellen van sterren: 122
  740. 740 Laat kinderen zelf sterren tekenen op een blauwe ondergrond. 122
  741. 741 Ze mogen kiezen: 122
  742. 742 Een paar grote sterren goed tellen 122
  743. 743 Heel veel sterren en zien hoe ver ze komen 122
  744. 744 Dinsdag 123
  745. 745 Bespreek daarna samen: 123
  746. 746 Hoeveel sterren heb jij getekend? 123
  747. 747 Lukte het tellen goed of raakte je de tel kwijt? 123
  748. 748 Wat kun je doen om niet de tel kwijt te raken? 123
  749. 749 Laat kinderen tips bedenken voor Elle Libelle: 123
  750. 750 Misschien kan ze de sterren in groepjes leggen. 123
  751. 751 Afsluiting: 123
  752. 752 Wat heb je geleerd van Elle Libelle? 123
  753. 753 Was het moeilijk om te tellen? Wat hielp jou? 123
  754. 754 Welke woorden in het versje vond je mooi klinken? Waarom? 123
  755. 755 Lees het versje nog eens voor en laat de kinderen meepraten. 123
  756. 756 Begeleidingssuggesties: 123
  757. 757 Herhaal het versje in delen, zodat kinderen het kunnen meepraten. 123
  758. 758 Leg nadruk op klank en betekenis bij rijmwoorden. 123
  759. 759 Stimuleer open gesprekken over plezier, fouten en strategieën. 123
  760. 760 Differentiatie: 123
  761. 761 Kinderen die verder zijn mogen groepjes maken van 5 of 10 sterren en deze tellen. 123
  762. 762 Kinderen die het lastig vinden mogen met concrete materialen tellen zoals fiches of knopen in plaats van tekenen. 123
  763. 763 Laat kinderen samen aan één sterrenhemel werken en hun eigen hoeveelheid sterren benoemen. 123
  764. 764 Woensdag - Sterrenhemel 125
  765. 765 Doel van de les: Leerlingen leren over sterren en het maken van een eigen sterrenhemel. Stimuleren van creativiteit en spel. Benodigdheden: Zwarte stof of papier Glow in the dark sterren of sterrenstof Lampen of lichtbronnen om de hoek te verduisteren Boeken over sterren en sterrenbeelden 125
  766. 766 Voorbereiding: Bereid de hoek voor met de zwarte stof of papier en de glow in the dark sterren of sterrenstof. Zorg ervoor dat er genoeg lichtbronnen zijn om de hoek te verduisteren. Verzamel de boeken over sterren en sterrenbeelden en plaats deze in de hoek. 125
  767. 767 Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de leerlingen een eigen sterrenhemel gaan maken en dat ze onder de sterrenhemel kunnen liggen om te spelen. Bespreek wat sterren zijn en hoe ze in de lucht te zien zijn. 125
  768. 768 Uitvoering (30-40 minuten): Laat de leerlingen de sterrenhemel maken door de glow in the dark sterren of sterrenstof op de zwarte stof of papier te plakken. Laat ze eventueel ook een sterrenbeeld maken. Verduister de hoek en laat de leerlingen onder de sterrenhemel spelen. Moedig ze aan om zich te laten inspireren door de boeken over sterren en sterrenbeelden. 125
  769. 769 Nabespreking (10 minuten): Bespreek met de leerlingen wat ze hebben geleerd over sterren en sterrenbeelden. Laat ze vertellen wat hun favoriete deel van de hoek was en waarom. 125
  770. 770 Evaluatie: Beoordeel de creativiteit van de sterrenhemel en het spel van de leerlingen. 125
  771. 771 Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de opdracht vereenvoudigen door alleen glow in the dark sterren te gebruiken en niet te focussen op het maken van een sterrenbeeld. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je extra uitdagingen toevoegen, zoals het maken van een presentatie over een specifiek sterrenbeeld of het schrijven van een verhaal over de sterrenhemel. 125
  772. 772 Woensdag - Rekenen met sterren 126
  773. 773 Doel van de les: Kinderen leren over tellen en het gebruik van een timer. Stimuleren van observatievaardigheden en rekenvaardigheid. Benodigdheden: Een grote poster van de ruimte met sterren erop Een timer 126
  774. 774 Voorbereiding: Hang de poster van de ruimte op een centrale plek in de klas. Zet de timer klaar op een zichtbare plek. 126
  775. 775 Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de kinderen een rekenopdracht gaan doen waarbij ze moeten tellen hoeveel sterren er op de poster van de ruimte staan. Leg uit dat ze een minuut de tijd hebben om zoveel mogelijk sterren te tellen. 126
  776. 776 Uitvoering (10-15 minuten): Stel de timer in voor een minuut en laat de kinderen beginnen met tellen van de sterren op de poster van de ruimte. Moedig de kinderen aan om hun best te doen en zo nauwkeurig mogelijk te tellen. 126
  777. 777 Nabespreking (5 minuten): Laat de kinderen hun resultaten delen en bespreek hoeveel sterren ze hebben geteld. 126
  778. 778 Leg uit dat rekenen niet alleen gaat over het correct tellen van objecten, maar ook over het gebruik van hulpmiddelen zoals een timer. 126
  779. 779 Evaluatie: Beoordeel de nauwkeurigheid van de telling van de kinderen. Beoordeel hoe goed ze gebruik hebben gemaakt van de timer. 126
  780. 780 Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de timer langer instellen en de opdracht vereenvoudigen door bijvoorbeeld te vragen om het tellen van een specifieke kleur sterren. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je de timer korter instellen en vragen om het tellen van specifieke patronen of vormen van sterren op de poster. 126
  781. 781 Donderdag - Kunstbeschouwing - Sterrennacht Vincent van Gogh 127
  782. 782 Doel: 127
  783. 783 De kinderen bekijken en beschouwen het schilderij Sterrennacht van Vincent van Gogh. 127
  784. 784 De kinderen verwoorden wat ze zien, voelen en vinden van het kunstwerk. 127
  785. 785 De kinderen gebruiken ideeën uit het schilderij als inspiratie voor een eigen kunstzinnige uiting. 127
  786. 786 De kinderen ervaren dat kunstenaars op hun eigen manier naar sterren kunnen kijken. 127
  787. 787 Materialen: 127
  788. 788 Afbeelding van de Sterrennacht 127
  789. 789 Donkerblauw papier 127
  790. 790 Wit en gele wasco’s, pastelkrijt of verf 127
  791. 791 Eventueel: kwasten, wattenstaafjes, glitter of gele stickertjes voor sterren 127
  792. 792 Introductie: 127
  793. 793 Introduceer het schilderij: We gaan naar een schilderij kijken van een kunstenaar die Vincent van Gogh heette. Hij schilderde een sterrenhemel zoals hij die zich voorstelde toen het nacht was. Niet precies zoals een foto, maar zoals hij het voelde en zag in zijn hoofd. 127
  794. 794 Laat het schilderij Sterrennacht zien. 127
  795. 795 Kijken en bespreken 127
  796. 796 Stel verkennende vragen: 127
  797. 797 Wat zie je allemaal in dit schilderij? 127
  798. 798 Waar zie je sterren? 127
  799. 799 Welke kleuren zie je? 127
  800. 800 Wat valt je op aan de lucht? 127
  801. 801 Voelt het schilderij rustig of beweeglijk? 127
  802. 802 Laat kinderen reageren op vorm en kleur: 127
  803. 803 Zien de sterren eruit als stipjes? 127
  804. 804 Wat gebeurt er met de lucht? Draait die een beetje? 127
  805. 805 Bespreek dat Vincent van Gogh beweging in de sterren heeft gemaakt. Vraag: 127
  806. 806 Zou het er in het echt zo uitzien, of heeft hij iets verzonnen? 127
  807. 807 Wat vind jij mooi of bijzonder aan dit schilderij? 127
  808. 808 Donderdag - Kunstbeschouwing - Sterrennacht Vincent van Gogh 128
  809. 809 ctiviteit: 128
  810. 810 Laat de kinderen op donkerblauw papier hun eigen sterrenlucht maken, geïnspireerd op Van Gogh: 128
  811. 811 Ze mogen draaien, krullen, strepen of spiralen maken in de lucht. 128
  812. 812 Daarna maken ze hun sterren: stippen, rondjes of sterren met vijf punten – alles mag. 128
  813. 813 De maan mag ook: geel, groot, klein, half of rond. 128
  814. 814 Afsluiting: 128
  815. 815 Laat de kinderen hun kunstwerk presenteren aan elkaar: 128
  816. 816 Wat zie je in jouw sterrenlucht? 128
  817. 817 Heb je ook iets van Van Gogh gebruikt? 128
  818. 818 Wat maakt jouw sterrenhemel bijzonder? 128
  819. 819 Begeleidingssuggesties: 128
  820. 820 Stimuleer woorden als: sterren, krullen, draaien, donker, licht, rustig, wild, voelen, schilderen 128
  821. 821 Herhaal dat kunst persoonlijk is: het mag echt lijken, maar dat hoeft niet 128
  822. 822 Leg uit dat Van Gogh zijn eigen ideeën gebruikte, en dat kinderen dat ook mogen 128
  823. 823 Wees open en positief in het ontvangen van meningen: Wat mooi dat jij dat zo ziet! 128
  824. 824 Vrijdag 129
  825. 825 Doel van de les: Leerlingen leren over de acht planeten in het zonnestelsel en hun bewegingen door middel van spel en dans. Benodigdheden: - 1 hoepel per leerling - 1 gele hoepel of een hoepel versierd als zon 129
  826. 826 Voorbereiding: - Houd een gele hoepel apart of versier een hoepel als zon. - Bekijk de namen van de acht planeten nog eens goed. - Zorg dat je de namen van de planeten op een briefje bij de hand hebt. 129
  827. 827 Introductie (10 minuten): - Vraag aan de leerlingen in welke plaats wij wonen en op welke planeet Nederland ligt. - Bespreek kort de namen van de acht planeten in ons zonnestelsel en leg uit dat de zon en de maan geen planeten zijn. 129
  828. 828 Planetenspel (15 minuten): - Verspreid de hoepels door de ruimte en leg de gele hoepel in het midden neer als de zon. - Vertel de leerlingen dat ze in dit spel raketten zijn en van de ene planeet naar de andere planeet vliegen. - Noem verschillende namen en als de leerlingen de naam van een planeet horen, mogen ze op een planeet landen. - Leerlingen mogen niet in de hoepel van de zon staan. Planetendans (10 minuten): - Laat de leerlingen in hun eigen hoepel staan en ga zelf in de centrale hoepel staan. - Geef opdrachten als "ga wijdbeens op je planeet staan" en "ga naast je planeet staan". - Controleer of de leerlingen het goed doen en herhaal de opdracht een paar keer. 129
  829. 829 Rondje om je eigen planeet (5 minuten): - Leg uit dat planeten om de zon draaien, maar ook om hun eigen as. - Laat de leerlingen hun planeet als een wiel om de zon rollen en deze voor zich rondspinnen. - Bespreek nogmaals welke planeten er zijn en waar ze omheen draaien. 129
  830. 830 Vrijdag 130
  831. 831 Nabespreking (5 minuten): - Vraag de leerlingen welke planeten ze hebben geleerd en wat ze hebben geleerd over de bewegingen van planeten. 130
  832. 832 Evaluatie: - Beoordeel of de leerlingen de namen van de planeten hebben onthouden. - Beoordeel of de leerlingen de bewegingen van planeten hebben begrepen. Tips voor differentiatie: - Geef de namen van de planeten in een andere taal en laat de leerlingen de vertalingen opzoeken. - Laat de leerlingen een tekening maken van het zonnestelsel met de planeten en hun bewegingen erbij. 130
  833. 833 Vrijdag - muziekles 131
  834. 834 Nederlandse tekst: Twinkel twinkel kleine ster Ik zie jou al van heel ver Met jouw stralen zij aan zij maak jij alle mensen blij Twinkel twinkel mooie ster Ik zie jou al van heel ver Twinkel twinkel kleine ster Ik zie jou al van heel ver Met jouw stralen zij aan zij maak jij alle mensen blij Twinkel twinkel mooie ster Ik zie jou al van heel ver 131
  835. 835 LESSUGGESTIES Evelien Jagtman Een ster voor iedereen 132
    1. EEN STER VOOR IEDEREEN 132
    2. Sterrenspelletjes 132
  836. 836 Sterrenbeelden 133
  837. 837 Twinkel, twinkel, kleine ster 133
  838. 838 Sterrenhemel 133
  839. 839 Glinsterende sterren 133
  840. 840 Sterren vangen 134
  841. 841 Stralende sterren 134
  842. 842 Vormen voelen 134
  843. 843 Licht vangen 134
  844. 844 Sterren van kralen 134
  845. 845 Op zoek naar de poolster Knip zeventien vierkante kaartjes uit stevig papier. Teken op de achterkant van elk kaartje een ster. Schrijf letters of getallen of teken vormen in de sterren. Zorg dat je elke letter, getal of vorm twee keer maakt. Op het laatste kaartje teken je een grote gele ster, de poolster. Hier is er maar één van. Speel het spel ‘Op zoek naar de poolster’ met twee tot vier kinderen. Deel de kaartjes uit. Om de beurt trekken de kinderen een kaart bij hun linkerbuur en voegen deze bij hun eigen kaarten. Ontstaat er een paar, dan leggen ze deze kaarten voor zich. Uiteindelijk blijft de poolster over. Wie heeft hem? Dit is de winnaar! 135
  846. 846 Dag en nacht Vraag dekinderen wat er in de lucht te zien is. Wat zie je overdag en wat zie je ’s nachts? Ga daarna naar de speelzaal of naar buiten. Noem iets wat de kinderen hebben genoemd en laat ze dit uitbeelden. Suggesties: vliegtuig, luchtballon, maan, zon, sterren, poolster, parachute, bromvlieg, vlinder, veer, ufo, superman, uil, roofvogel, eenhoorn, vleermuis, ballon. Variatie: geef één kind een keukenrol. Hij is sterrenkundige en krijgt de telescoop (keukenrol). Vertel de kinderen wat ze uit moeten beelden. Ze beelden dit als standbeeld uit en staan zo stil mogelijk. De sterrenkundige bekijkt de kinderen door zijn telescoop. Hij houdt deze voor het ene oog en zijn andere oog blijft gesloten. Als hij ziet dat een kind beweegt, is dit kind af. Staat het stil, dan kijkt hij verder. Kinderen die zien dat ze niet bekeken worden, kunnen stiekem even bewegen. Wanneer jij een volgende opdracht geeft, stopt de sterrenkundige met kijken en mogen de kinderen bewegen. 135
  847. 847 Blind voelen Knip een aantal sterren, verschillend in grootte, uit stevig papier of karton of gebruik ‘glow in the dark’-sterren die verschillen in grootte. Hang de sterren in willekeurige volgorde aan een waslijn. Geef een kind de opdracht de sterren van klein naar groot aan de lijn te hangen. 135
  848. 848 Spelsuggesties geschreven door Karin Blankert en Anke van Boxmeer 135
  849. 849 Week 5 ruimte wezens 136
  850. 850 Week 6 raketten 137
  851. 851 Week 7 astronauten 138
  852. 852 Week 8 de aarde 139

Document information

Study
Uploaded on
August 23, 2026
Number of pages
139
Written in
2026/2027
Type
Summary
$5.76

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
Anika123
3.7
(15)
Sold
324
Followers
157
Items
201
Last sold
1 week ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions