-
01
OP RUIMTE REIS
1
-
Opbouw van het thema
2
-
Themaverhaal
2
-
Eindproduct
4
-
02
Week 1 de zon
5
-
Waarom beginnen we met de zon?
6
-
IKEA-rad beginklanken. De kinderen draaien aan het rad en benoemen de afbeelding. Vraag: Met welke klank begint dit woord? Kinderen zoeken vervolgens een andere afbeelding met dezelfde beginletter.
7
-
03
Circuit
8
-
Week: 1 - de zon Fase: verwonderen Thema: Op reis in de ruimte
8
-
Beredeneerd aanbod rekenen
8
-
Ik kan hoeveelheden tot en met ten minste 12 representeren Ik kan hoeveelheden onder ten minste 12 verkort tellen in groepjes van 2,5 of 10
8
-
Beredeneerd aanbod taal
8
-
Ik kan de beginklank van mijn naam vervangen voor een andere beginklank Herhalen letters Z, IJ, H (gr.1) Ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) Rapport-heeft kennis van letters
8
-
Rapporten
8
-
Themahoek
8
-
De kinderen spelen dat zij astronauten zijn en maken een ruimtereis. Ze trekken ruimtekleding aan, tellen af en vliegen met de raket naar de zon.
8
-
Ontdekhoek
8
-
Boekenhoek
8
-
De kinderen bekijken en lezen boeken over de zon, dag en nacht en de ruimte. Ze praten samen over wat ze zien en leren nieuwe woorden uit het thema.
8
-
Knutselen
8
-
04
Week 2 de maan
10
-
05
Lessen
11
-
Muziek - Raket naar de maan
11
-
06
Circuit
13
-
Week: 2 - de maan Fase: verwonderen Thema: Op reis in de ruimte
13
-
Beredeneerd aanbod rekenen
13
-
Ik kan handelend omgaan met de begrippen rond delen, eerlijk, oneerlijk, verdelen, evenveel Ik kan hoeveelheden tot en met ten minste 12 representeren Ik kan verdeelsituaties met hoeveelheden tot 12 handelend oplossen
13
-
Beredeneerd aanbod taal
13
-
Ik kan de ontbrekende beginklank aanvullen Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank Herhalen letters W,O,A (gr.1) Ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) (gr.1) ik kan woorden bedenken die uit 2 of 3 klankgroepen bestaan
13
-
Zandtafel
13
-
Themahoek
13
-
De raket is deze week geland op de maan. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die de maan onderzoeken. Ze verzamelen maanstenen, bekijken kraters en maken ontdekkingsreizen over het maanoppervlak.
13
-
Ontdekhoek
13
-
Boekenhoek
13
-
Lezen over de ruimte Tekeningen maken bij woordkaarten Stempelen bij woordkaarten
13
-
Knutselen
13
-
07
Week 3 planeten
14
-
08
Circuit
17
-
Week: 3 - planeten Fase: kennis input Thema: Op reis in de ruimte
17
-
Beredeneerd aanbod rekenen
17
-
Ik gebruik namen van seizoenen en maanden en herken het cyclische Ik kan de dagen van de week in de juiste volgorde gebruiken Ik verken het gebruik van diverse analoge en digitale klokken en de functie van een klok Ik kan kritisch redeneren over tijd in eenvoudige probleemsituaties Ik kan bij activiteiten die qua tijdsduur even lang duren, vertellen waarom deze als lang of kort ervaren worden
17
-
Beredeneerd aanbod taal
17
-
Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd Ik kan benoemen welke eindklank er in een woord is weggelaten Herhalen letters U,J,L (gr.1) ik kan klankgroepen samenvoegen tot woorden (plakken) (gr.1) ik kan woorden verdelen in klankgroepen (hakken) (gr.1) ik kan woorden bedenken die uit 2 of 3 klankgroepen bestaan
17
-
Rekenhoek
17
-
Themahoek
17
-
De kinderen maken een reis langs de planeten en kiezen waar ze willen landen.
17
-
Ontdekhoek
17
-
Boekenhoek
17
-
Lezen over de ruimte De kinderen koppelen afbeeldingen van planeten aan de juiste naamkaart.
17
-
Knutselen
17
-
09
Week 4 sterren en kometen
18
-
10
Lessen
19
-
De kinderen maken een collage van de zon, de maan en de sterren met verschillende materialen.
21
-
11
Week 5 ruimte wezens
24
-
12
Maandag - voorlezen
26
-
13
Maandag - voorlezen
27
-
14
Dinsdag - Maak je eigen ruimtewezen
28
-
15
Doel:
28
-
16
De kinderen herkennen en benoemen verschillende meetkundige vormen.
28
-
17
De kinderen redeneren over de plaats van vormen (boven, naast, onder, in het midden).
28
-
18
De kinderen ontwerpen een ruimtewezen met eigen creativiteit én wiskundig denken.
28
-
19
Materialen:
28
-
20
Vormstickers (vierkant, cirkel, driehoek, rechthoek, ovaal) of uitgeknipte gekleurde vormen
28
-
21
Papier
28
-
22
Lijmstiften
28
-
23
Eventueel: dobbelsteen met vormen (voor spelvariant)
28
-
24
Introductie:
28
-
25
Begin met een gesprek in de kring:
28
-
26
Wat zou een buitenaards wezen kunnen zijn? Hoe ziet het eruit?
28
-
27
Hebben ze armen, staarten, drie ogen, een vierkant hoofd?
28
-
28
Vertel dat we een ruimtewezen gaan ontwerpen, maar met vormen. Elk kind maakt een eigen ruimtewezen met cirkels, vierkanten, driehoeken en andere vormen.
28
-
29
Laat de vormen één voor één zien:
28
-
30
Hoe heet deze vorm?
28
-
31
Wat zijn de kenmerken van deze vorm?
28
-
32
Wat kun je ermee maken?
28
-
33
Kun je er een oog van maken? Of een neus? Of een tentakel?
28
-
34
Activiteit:
28
-
35
Kinderen krijgen een leeg blad als basis. Ze mogen uit gekleurde vormen kiezen en daarmee een ruimtewezen samenstellen.
28
-
36
Laat kinderen tussendoor hardop denken:
28
-
37
Waar plak je deze?
28
-
38
Zit het oog boven of onder de neus?
28
-
39
Zijn de armen links of rechts?
28
-
40
Nabespreking en tellen. Als het wezen klaar is, bespreek:
28
-
41
Welke vormen heb je gebruikt?
28
-
42
Hoeveel cirkels zitten er op jouw wezen?
28
-
43
Afsluiting:
28
-
44
Sluit af met een tentoonstellingsmoment:
28
-
45
Laat de kinderen hun ruimtewezen laten 'praten' of iets vertellen over zichzelf.
28
-
46
Bespreek verschillen tussen de wezens: groot – klein, veel vormen – weinig vormen, symmetrisch – wild.
28
-
47
Dinsdag - Maak je eigen ruimtewezen
29
-
48
Begeleidingssuggesties:
29
-
49
Gebruik meetkundige woorden actief: cirkel, vierkant, ovaal, driehoek, hoek, zijde, boven, naast, in het midden
29
-
50
Stimuleer redeneren: Waarom kies je een ovaal voor het hoofd? of Hoe weet je dat dit links is?
29
-
51
Laat kinderen hun keuzes verwoorden in plaats van alleen uitvoeren
29
-
52
Woensdag - Mijn ruimte verhaal
30
-
53
Doel:
30
-
54
De kinderen bedenken een fantasierijk ruimteverhaal met een begin, midden en einde.
30
-
55
De kinderen ontwikkelen verhalende vaardigheden door hardop te vertellen over hun tekening.
30
-
56
De kinderen gebruiken hun verbeelding om zelf personages en avonturen in de ruimte te bedenken.
30
-
57
Materialen:
30
-
58
Groot tekenvel of een werkblad met ruimte-achtergrond
30
-
59
Kleurpotloden, stiften of wasco’s
30
-
60
Voorleesboek(je) of prentenboek over ruimteavonturen ter inspiratie
30
-
61
Pen of stift voor de leerkracht om kinderverhalen erbij te schrijven
30
-
62
Introductie:
30
-
63
Start in de kring met een verkennend gesprek:
30
-
64
Wat zou jij doen als je een raket had?
30
-
65
Wie of wat kom je tegen in de ruimte?
30
-
66
Denk je dat er wezens wonen op andere planeten? Hoe zouden die eruitzien?
30
-
67
Laat één of twee prenten zien uit een boek of ruimteverhaal. Praat over het begin (de raket vertrekt), het midden (een planeet of ontmoeting), en het einde (terug of verdwalen?).
30
-
68
Vertel:
30
-
69
Jullie gaan je eigen ruimteverhaal bedenken. Niet met woorden op papier, maar met een tekening én een kort verhaaltje dat jij vertelt. Jouw avontuur speelt zich af in de ruimte, op een planeet, in een raket of met een buitenaards wezen.
30
-
70
Activiteit:
30
-
71
Tekenen van het avontuur De kinderen tekenen hun ruimte-avontuur. Ze mogen zelf kiezen:
30
-
72
Waar speelt het zich af?
30
-
73
Wie zijn erbij (een raket, een ruimtewezen, een planeet, sterren)?
30
-
74
Wat gebeurt er?
30
-
75
Moedig tijdens het tekenen aan door vragen te stellen:
30
-
76
Waar is jouw raket op weg naartoe?
30
-
77
Wie woont er op deze planeet?
30
-
78
Wat gebeurt er als je daar landt?
30
-
79
Woensdag - Mijn ruimte verhaal
31
-
80
Verhaal vertellen. Als de kinderen klaar zijn met tekenen, vertelt ieder kind kort wat er gebeurt in zijn/haar tekening:
31
-
81
Wie zijn de hoofdpersonen?
31
-
82
Wat maken ze mee?
31
-
83
Wat is het spannendste moment?
31
-
84
De leerkracht schrijft in duidelijke zinnen het verhaal erbij (max. 2–4 zinnen), precies zoals het kind het vertelt.
31
-
85
Afsluiting:
31
-
86
Laat enkele kinderen hun tekening en verhaal presenteren aan de groep.
31
-
87
Stel afsluitende vragen:
31
-
88
Wat was het spannendste avontuur dat je hebt gehoord?
31
-
89
Welke planeet zou jij ook willen bezoeken?
31
-
90
Begeleidingssuggesties:
31
-
91
Stimuleer verhalend denken met woorden als: eerst, toen, daarna, toen kwam er, toen gebeurde er...
31
-
92
Help kinderen die het moeilijk vinden op gang met pictokaartjes of startvragen:
31
-
93
Wat zie je in jouw raket? of Wat doet dit ruimtewezen?
31
-
94
Geef ruimte aan elk idee, hoe vreemd of grappig ook – alles mag in een fantasieverhaal.
31
-
95
Donderdag
32
-
96
Doel:
32
-
97
De kinderen herkennen en tekenen patronen van korte en lange strepen.
32
-
98
De kinderen zetten patronen voort en verwoorden wat ze zien en horen.
32
-
99
De kinderen verkennen communicatie via ritme, lichaam of klank en reageren op elkaar.
32
-
100
Materialen:
32
-
101
Werkbladen of stroken papier met lege vakjes (voor patronen)
32
-
102
Stiften of potloden
32
-
103
Voorbeelden van patronen
32
-
104
Intrumenten
32
-
105
Introductie:
32
-
106
Bespreek met de kinderen hoe zij denken dat ruimtewezens klinken. Hoe praten zij met elkaar?
32
-
107
Laat een paar zelfbedachte voorbeelden horen.
32
-
108
Laat de kinderen nadoen met hun lichaam of een instrument. Leg uit dat we die geluiden gaan tekenen met strepen. Korte strepen voor korte klanken en lange strepen voor lange klanken. Steeds in een patroon.
32
-
109
Activiteit:
32
-
110
Patronen tekenen. De kinderen tekenen op hun werkblad een patroon met korte en lange strepen. Vraag:
32
-
111
Zie je een herhaling?
32
-
112
Kun je het patroon voortzetten? Wat komt daarna?
32
-
113
Patronen laten horen. Laat elk kind zijn of haar patroon “bespelen”: met stem, lichaam of instrument.
32
-
114
Ruimtewezens praten met elkaar. Twee kinderen staan tegenover elkaar:
32
-
115
De één laat zijn patroon horen (met geluid of ritme)
32
-
116
De ander luistert en ‘antwoordt’ met zijn eigen patroon
32
-
117
Ze doen alsof ze ruimtewezens zijn die elkaar iets vertellen!
32
-
118
Vraag:
32
-
119
Hoe klinkt het als jullie tegelijk praten?
32
-
120
Wat gebeurt er als je heel zacht antwoordt? Of juist hard?
32
-
121
Laat daarna 3 of meer kinderen tegelijk hun patroon laten horen.
32
-
122
Hoe klinkt het als een groep ruimtewezens communiceert?
32
-
123
Afsluiting:
32
-
124
Bespreek:
32
-
125
Wat hoorde je in de patronen van anderen?
32
-
126
Kwam jouw patroon steeds terug?
32
-
127
Klinken alle patronen hetzelfde?
32
-
128
Begeleidingssuggesties:
32
-
129
Stimuleer begrippen als: patroon, kort, lang, herhaling, rij, volgorde, verschil, ritme, tik, zoem, geluid
32
-
130
Laat kinderen patronen van anderen nadoen of afmaken
32
-
131
Vrijdag
33
-
132
Doel:
33
-
133
Uitbreiding van de woordenschat met betrekking tot het thema ruimte.
33
-
134
Stimuleren van actieve deelname en beweging bij het leren van nieuwe woorden.
33
-
135
Bevorderen van het auditief geheugen en de spraakontwikkeling door herhaling en associatie.
33
-
136
Benodigdheden:
33
-
137
Plaatjes of afbeeldingen die verschillende objecten uit de ruimte illustreren: planeten, sterren, raketten, astronauten, maan, sterrenstelsels, satellieten, enzovoort.
33
-
138
Gebruik het Digibord om de afbeeldingen aan de hele klas te laten zien.
33
-
139
Voorbeeldwoorden:
33
-
140
Planeet
33
-
141
Ster
33
-
142
Raket
33
-
143
Astronaut
33
-
144
Maan
33
-
145
Sterrenstelsel
33
-
146
Satelliet
33
-
147
Komeet
33
-
148
Zon
33
-
149
Ruimtestation
33
-
150
Activiteit:
33
-
151
Begin met een korte inleiding over de ruimte en het belang ervan. Vertel de kinderen dat ze vandaag nieuwe woorden gaan leren die te maken hebben met de ruimte.
33
-
152
Toon de afbeeldingen één voor één aan de kinderen en benoem elk object duidelijk. Herhaal het woord een paar keer en vraag de kinderen om het woord na te zeggen.
33
-
153
Maak het leren van de woordenschat interactief door een spel te introduceren. Bijvoorbeeld, vraag de kinderen om op te staan en een sprong te maken elke keer als je een woord zegt dat te maken heeft met iets dat kan vliegen (zoals "raket" of "satelliet"). Voor objecten die in de ruimte blijven, zoals "ster" of "planeet", kunnen ze een draaibeweging maken.
33
-
154
Houd een korte quiz waarbij je de afbeeldingen opnieuw laat zien en de kinderen vraagt om de namen van de objecten te noemen. Dit helpt om te zien hoeveel ze zich herinneren en versterkt hun leren.
33
-
155
Laat de kinderen kiezen welk ruimteobject ze het leukst vinden en teken dit op een vel papier. Vraag hen om het woord erbij te schrijven als ze dat kunnen. Dit verbindt het visuele met het verbale en versterkt het leren.
33
-
Week: 5 - ruimtewezens Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte
35
-
156
Circuit
35
-
Beredeneerd aanbod rekenen
35
-
Ik kan eenvoudige staaf- of beelddiagrammen maken en de hoeveelheden vergelijken Ik kan splitssituaties met hoeveelheden tot ten misnte 10 handelend oplossen Ik kan experimenten met vormen en figuren in spiegels
35
-
Beredeneerd aanbod taal
35
-
Ik kan de ontbrekende beginklank aanvullen
35
-
Bouwmat
35
-
Knutselen
35
-
Themahoek
35
-
e raket is geland op een onbekende planeet. Op deze planeet wonen bijzondere ruimtewezens. De kinderen spelen dat zij ontdekkingsreizigers zijn die kennismaken met de bewoners van Planeet X.
35
-
Boekenhoek
35
-
Ruimte wezens afmaken door ze op een planeet te plaatsen (deze ook zelf maken)
35
-
Kleien
35
-
Laat de kinderen ruimtewezens kleien. Geef de ruimtewezens een plek op de planeet in de klas. Deze planeet is gemaakt van een zwarte vuilniszak waar wat speelzand en stenen op liggen. De achtergrond is een flink stuk behangpapier waar de kleuters zelf het heelal op geverfd hebben.
35
-
157
Week 6 raketten
36
-
158
Maandag - voorlezen de hond die op de maan danste
38
-
159
Maandag - kringgesprek de hond die op de maan danste
39
-
160
Doel:
39
-
161
De kinderen denken actief na over reizen naar de ruimte.
39
-
162
De kinderen verwoorden hun ideeën en luisteren naar die van anderen.
39
-
163
De kinderen leren via het verhaal over fantasie, moed en ruimtevaart.
39
-
164
De kinderen bouwen kennis op over raketten en hoe je daarmee naar de ruimte kunt reizen.
39
-
165
Benodigdheden:
39
-
166
Het prentenboek De hond die op de maan danste van John Boyne
39
-
167
Introductie:
39
-
168
Stel de kinderen vragen om hun voorkennis te activeren:
39
-
169
Wat denk jij, hoe kom je in de ruimte?
39
-
170
Kun je daar gewoon heenlopen? Vliegen? Springen?
39
-
171
Wat heb je nodig om van de aarde naar de ruimte te gaan?
39
-
172
Laat ruimte voor fantasie en laat kinderen naar elkaar luisteren en op elkaar reageren. Laat eventueel een plaatje of model van een raket zien.
39
-
173
Voorlezen van het boek:
39
-
174
Lees De hond die op de maan danste voor. Geef kinderen tijdens het voorlezen ruimte voor verwondering en reacties. Vraag vooraf:
39
-
175
Let goed op: Hoe gaan Jeremy en zijn hond Maxwell op reis naar de ruimte?
39
-
176
Wat gaan ze allemaal doen in de ruimte?
39
-
177
Gesprek:
39
-
178
Bespreek na het voorlezen:
39
-
179
Wat gebeurde er met Jeremy en zijn hond?
39
-
180
Hoe kwamen ze in de ruimte?
39
-
181
Wat vonden jullie van Maxwell? Wat voor soort hond is hij?
39
-
182
En wat vinden de kinderen van Jeremy?
39
-
183
Stimuleer kinderen om hun ideeën te verwoorden en naar elkaar te luisteren.
39
-
184
Reageer op antwoorden met open vragen:
39
-
185
Waarom denk je dat? of Wie denkt daar ook zo over?
39
-
186
Bespreek: Wat hebben we nodig voor een raketreis?
39
-
187
Wat heb je nodig om naar de ruimte te gaan?
39
-
188
Zouden jullie zelf in een raket durven stappen?
39
-
189
Wat moet er allemaal in of aan een raket zitten?
39
-
190
Laat kinderen onderdelen opnoemen (bijvoorbeeld motor, stuur, ramen, zuurstof, brandstof).
39
-
191
Maandag - kringgesprek de hond die op de maan danste
40
-
192
Afsluiting:
40
-
193
De leerkracht sluit het gesprek af met een korte uitleg over raketten. Voorbeelden van wat de leerkracht kan vertellen:
40
-
194
Een raket is een voertuig met een hele sterke motor. Die duwt de raket met heel veel kracht omhoog.
40
-
195
In een raket zit meestal een capsule bovenop – daar zitten de astronauten in.
40
-
196
De raket moet heel hard omhoog om los te komen van de zwaartekracht van de aarde.
40
-
197
Als je in de ruimte bent, voel je geen zwaartekracht meer – dan zweef je.
40
-
198
De motor van de raket stopt zodra je hoog genoeg bent – dan ‘zweef’ je verder rond de aarde of naar de maan.
40
-
199
En wist je dat echte raketten soms al zonder mensen vooruit worden gestuurd om te ontdekken of alles veilig is? Soms zijn er dan wel dieren aan boord.
40
-
200
Sluit af met een uitnodigende vraag:
40
-
201
Zouden jullie zelf wel eens in een raket willen zitten? Waarom wel of niet?
40
-
202
Begeleidingssuggesties:
40
-
203
Stimuleer het gebruik van woorden als: raket, ruimte, motor, astronaut, lanceren, zweven, komeet.
40
-
204
Moedig kinderen aan om op elkaars ideeën te reageren.
40
-
205
Maandag - Rijmraket
41
-
206
Doel: Rijmen
41
-
207
Les: Leg een (afbeelding van) een raket in de kring en noem een woord waar de kinderen op rijmen. Voor elk juist rijmwoord schiet de raket een stukje ‘omhoog’. Leg eventueel een planeet op enige afstand van de raket en stop met rijmen als de raket de planeet heeft bereikt. Start dan opnieuw met een volgend woord.
41
-
208
Dinsdag - Les over raketten
42
-
209
Deze week gaan we raketten maken en lanceren! We gaan zelf een raket maken en lanceren. Wie durft er mee de ruimte in? Een van de belangrijkste onderdelen van de ruimtevaart is de raket. Een raket is een voertuig dat zichzelf in de ruimte kan brengen door middel van een krachtige motor die enorme hoeveelheden brandstof verbrandt. De kinderen bouwen deze week hun eigen raket! Ze leren hoe een raket eruitziet en welke onderdelen nodig zijn om de ruimte in te kunnen gaan. Deze week gaan we onze eigen raket bouwen! Ze gaan leren over de onderdelen van een raket en hoe deze werken. Tijdens het kringgesprek bespreek je wat er allemaal nodig is om naar de ruimte te reizen. Raketten zijn grote machines die ons naar de ruimte kunnen brengen. Stel je voor dat je in een raket zit en de aarde achter je laat. Hoe spannend zou dat zijn? Raketten zijn gemaakt om ons te helpen de ruimte te verkennen en nieuwe dingen te ontdekken. Maar hoe werkt een raket eigenlijk? Een raket heeft een krachtige motor die ervoor zorgt dat de raket omhoog kan vliegen. Er is ook brandstof nodig om de motor te laten werken. De brandstof is zo krachtig dat het de raket met enorme snelheden de ruimte in kan sturen. Raketten zijn erg belangrijk voor wetenschappers en astronauten omdat ze ons naar andere planeten en zelfs naar de maan kunnen brengen. We kunnen met raketten ook satellieten in de ruimte brengen, die ons kunnen helpen om het weer te voorspellen en onze communicatie te verbeteren. Misschien heb je wel eens gehoord van beroemde raketten, zoals de Saturnus V die de astronauten naar de maan bracht of de Falcon Heavy van SpaceX. Deze raketten zijn ontworpen door slimme mensen die veel weten over raketten en de ruimte. Wie weet, misschien ben jij wel de volgende persoon die een nieuwe raket ontwerpt en ons nog verder de ruimte in brengt!
42
-
210
Kringactiviteit: Wat doet een raket?
42
-
211
Spelactiviteit in de hoek: bouw een raket van dozen en papier Rekenactiviteit: Tel het aantal sterren op foto's van de ruimte
42
-
212
Astronauten en hun werk Deze week gaan we het hebben over astronauten en hun werk. Wie van de kinderen weet wat een astronaut is? De kinderen gaan leren over hoe astronauten leven en werken in de ruimte. Ze leren over de trainingen die ze moeten doen voordat ze de ruimte in mogen, hoe ze eten en drinken en hoe ze zich bewegen in de ruimte. Ze gaan ontdekken hoe het voelt om gewichtloos te zijn en hoe het is om te slapen terwijl je zweeft.
42
-
213
Kringactiviteit: Welke astronauten ken je?
42
-
214
Spelactiviteit in de hoek: Bouw je eigen ruimtestation met blokken
42
-
215
Rekenactiviteit: Tel de planeten in ons zonnestelsel en maak een poster
42
-
216
In de hoek waar de kinderen kunnen spelen met blokken, kan je de kinderen de opdracht geven om hun eigen ruimtestation te bouwen. Bij de rekenactiviteit kan je de kinderen vragen om de planeten te tellen in ons zonnestelsel en deze op een poster te tekenen.
42
-
217
Woensdag
43
-
218
Doel:
43
-
219
Les:
43
-
220
Donderdag - Klaar voor lancering
44
-
221
Doel:
44
-
222
De kinderen tellen vooruit en terug (tot en met 10).
44
-
223
De kinderen herkennen en benoemen getallen in oplopende en aflopende rijen.
44
-
224
De kinderen zetten eenvoudige telpatronen voort.
44
-
225
Materialen:
44
-
226
Getalkaarten (1 t/m 10)
44
-
227
Een raket
44
-
228
Raketlanceerplek in de speelzaal of klas (bijv. stip op de grond of een ‘lanceerplatform’)
44
-
229
(Optioneel) een klok of timer, muziekfragment of geluidseffect van een lancering
44
-
230
Introductie:
44
-
231
Begin in de kring en laat een plaatje of filmpje van een raketlancering zien. Stel vragen:
44
-
232
Wat gebeurt er als een raket bijna gaat vertrekken?
44
-
233
Heb je wel eens gehoord van aftellen? Hoe klinkt dat?
44
-
234
Kun jij al tot 10 tellen? En ook terug?
44
-
235
Oefen samen:
44
-
236
Tellen vooruit: 1, 2, 3 … tot 10
44
-
237
Terugtellen: 10, 9, 8 … tot 0 (bij 0: ‘lancering!’)
44
-
238
Activiteit:
44
-
239
Laat kinderen getalkaarten neerleggen op de vloer van 10 naar 1 in een rechte rij (raketbaan). Bespreek:
44
-
240
Staan de getallen in de goede volgorde?
44
-
241
Laten ze dan een 'raket' stap voor stap over de getallen bewegen, bij elk getal wordt geteld. Varieer:
44
-
242
Eerst vooruit
44
-
243
Dan achteruit (echte lancering!)
44
-
244
Eén kind telt hardop af: 10 tot 0. Een ander kind ‘is de raket’ en springt omhoog bij 0. Wissel om.
44
-
245
Leg 10 hoepels neer met de getallen ernaast. De kinderen springen van hoepel naar hoepel en lanceren zichzelf.
44
-
246
Afsluiting:
44
-
247
Laat de hele klas in een kring staan. Eén kind staat in het midden als de raket. Samen telt de klas hardop terug:
44
-
248
10, 9, 8 … 3, 2, 1, 0 – LANCERING! De raket ‘vliegt’ omhoog of maakt een sprong.
44
-
249
Doe dit om beurten met verschillende kinderen. Herhaal indien gewenst met sneller of trager tellen.
44
-
250
Begeleidingssuggesties:
44
-
251
Gebruik wiskundige taal zoals: aftellen, volgorde, getalrij, eerst, daarna, laatst.
44
-
252
Vrijdag - Van langzaam tot snel vallen
45
-
253
Wat heb je nodig? Per tweetal
45
-
254
houten blok
45
-
255
theelepel
45
-
256
boterhamzakje
45
-
257
twee A4’tjes
45
-
258
Verdeel de klas in groepjes van twee en geef de tweetallen het blok, de theelepel en het boterhamzakje. Vraag ze te voorspellen welk voorwerp het snelst zal vallen. Je vraagt ze ook om hun voorspelling te motiveren. Daarna gaan ze het uittesten. De leerlingen houden met gestrekte armen voor zich uit twee voorwerpen vast, en laten ze precies tegelijk vallen. Het voorwerp dat het eerste de grond raakt valt het snelst. Kom samen tot de conclusie dat het houten blok en de lepel even snel vallen. Het maakt dus niet uit hoe zwaar een voorwerp is. Alleen het boterhamzakje valt langzaam. Het zakje wordt tegengehouden door de lucht. Dit kun je demonstreren door tegen het zakje aan te blazen. De val van het zakje wordt beïnvloed door de lucht die tegen het zakje aankomt.
45
-
259
Circuit
46
-
Week: 6 - raketten Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte
46
-
Beredeneerd aanbod rekenen
46
-
Rekenfeestje
46
-
Beredeneerd aanbod taal
46
-
Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank
46
-
Bouwen
46
-
Themahoek
46
-
De raket wordt deze week een echte lanceerbasis. De kinderen spelen dat zij astronauten, technici en missieleiders zijn. Ze bereiden een ruimtemissie voor, voeren controles uit en tellen af voor de lancering.
46
-
Rekenen
46
-
Knutselen
46
-
Loose Parts
46
-
Raket met loose parts maken
46
-
260
Circuit
47
-
Week: 6 - raketten Fase: verdiepen en verwerken Thema: Op reis in de ruimte
47
-
Beredeneerd aanbod rekenen
47
-
Rekenfeestje
47
-
Beredeneerd aanbod taal
47
-
Ik kan de beginklank van een woord vervangen door een andere beginklank
47
-
Fijne motoriek
47
-
Themahoek
47
-
De raket wordt deze week een echte lanceerbasis. De kinderen spelen dat zij astronauten, technici en missieleiders zijn. Ze bereiden een ruimtemissie voor, voeren controles uit en tellen af voor de lancering.
47
-
Rekenen
47
-
Knutselen
47
-
Hammertje tik
47
-
Bevestig ruimte-achtergronden op Hamertje Tik planken en laat de kinderen er iets op timmeren, bijvoorbeeld een raket, ufo of ruimtewezen. Leuke achtergronden vind je als kleikaarten bij de downloads op deze pagina.
47
-
261
de raket
48
-
262
Week 7 astronauten
49
-
263
Maandag - sterrefant
51
-
264
Maandag - Kringgesprek sterrefant
52
-
265
Doel:
52
-
266
De kinderen voeren een gesprek om tot kennisopbouw en begrip te komen.
52
-
267
De kinderen luisteren aandachtig naar het verhaal en verwoorden wat ze horen en begrijpen.
52
-
268
De kinderen leren welk probleem of welke wens de motor is van het verhaal, en hoe het verhaal zich ontwikkelt.
52
-
269
Benodigdheden:
52
-
270
Het prentenboek Sterrefant van James Foley
52
-
271
Introductie:
52
-
272
Start met een kringgesprek:
52
-
273
Wie weet wat een astronaut is?
52
-
274
Wat moet je kunnen als je naar de ruimte gaat?
52
-
275
Hoe leef je in de ruimte, denk je? Kun je daar gewoon slapen of eten zoals op aarde?
52
-
276
Vertel: Deze week gaan we leren wat een astronaut allemaal moet oefenen en kunnen. En we gaan ontdekken hoe het voelt om te zweven en in de ruimte te werken.
52
-
277
Voorlezen:
52
-
278
Bekijk eerst de astronauten aan de binnenkant van de kaft.
52
-
279
Zie je tussen de mensen ook dieren?
52
-
280
Kunnen dieren astronaut worden?
52
-
281
Laat de kinderen benoemen wat ze zien en denken. Zet aan tot verwondering.
52
-
282
Lees het verhaal voor.
52
-
283
Gesprek:
52
-
284
Bespreek het verhaal:
52
-
285
Wat wilde Sterre worden?
52
-
286
Wat gebeurde er toen ze zich aanmeldde?
52
-
287
Hoe voelde ze zich toen ze werd afgewezen?
52
-
288
Wat deed ze daarna?
52
-
289
Laat kinderen in eigen woorden vertellen.
52
-
290
Vat samen: Sterre’s wens (ik wil astronaut worden) is de motor van het verhaal. Ze wordt afgewezen, maar ze geeft niet op. Ze leert, oefent en vindt haar eigen manier.
52
-
291
Wat moet je leren om astronaut te worden? Vraag:
52
-
292
Wat moest Sterre allemaal leren of doen om een goede astronaut te worden?
52
-
293
Wat hebben jullie geleerd over hoe astronauten trainen?
52
-
294
Maandag - Kringgesprek sterrefant
53
-
295
Gingen er echt dieren de ruimte in? Laat de binnenkaft achterin het boek zien. Vraag:
53
-
296
Welke dieren zie je?
53
-
297
Denk je dat deze dieren echt in raketten zijn geweest? Bespreek:
53
-
298
Laika was een hond en de eerste die om de aarde draaide.
53
-
299
Ham was een chimpansee die leerde om knopjes in te drukken in een raket.
53
-
300
Zelfs kleine eitjes van kwarrelvogels zijn ooit naar de ruimte gegaan!
53
-
301
Afsluiting:
53
-
302
Bespreek wat de kinderen geleerd of ontdekt hebben:
53
-
303
Wat moet een astronaut allemaal kunnen?
53
-
304
Zouden jullie ook astronaut willen worden?
53
-
305
Laat de kinderen afsluiten met: Ik zou graag een astronaut zijn omdat… of Als ik een dier mee mocht nemen in mijn raket, dan nam ik mee…
53
-
306
Begeleidingssuggesties:
53
-
307
Gebruik woorden als: astronaut, trainen, ruimte, gewichtloos, ruimtepak, zweven, raket, dier, oefenen, durven
53
-
308
Herhaal de wens-structuur: “Ze wilde..., maar..., toen...”
53
-
309
Verbind het verhaal steeds aan het echte astronautenleven
53
-
310
Laat kinderen meedenken en verwoorden in eigen taal
53
-
311
Dinsdag
54
-
312
Doel:
54
-
313
Les:
54
-
314
Woensdag
55
-
315
Doel:
55
-
316
Les:
55
-
317
Donderdag
56
-
318
Doel:
56
-
319
Les:
56
-
320
Vrijdag
57
-
321
Doel:
57
-
322
Les:
57
-
323
Circuit
58
-
Week: 7 - astronauten Fase: evalueren en verwerken Thema: Op reis in de ruimte
58
-
Beredeneerd aanbod rekenen
58
-
Uitloop
58
-
Beredeneerd aanbod taal
58
-
Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd
58
-
Bouwhoek
58
-
Themahoek
58
-
De raket is aangekomen bij een ruimtestation. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die onderzoek doen, reparaties uitvoeren en contact houden met de aarde.
58
-
Boekenhoek
58
-
De kinderen bekijken boeken over astronauten, ruimtevaart en het leven in de ruimte.
58
-
Knutselen
58
-
Loose Parts
58
-
Teken of print een figuur uit de ruimte en laat de kinderen het opvullen met loose parts.
58
-
324
Circuit
59
-
Week: 7 - astronauten Fase: evalueren en verwerken Thema: Op reis in de ruimte
59
-
Beredeneerd aanbod rekenen
59
-
Uitloop
59
-
Beredeneerd aanbod taal
59
-
Ik kan benoemen welke beginklank er in een woord is toegevoegd
59
-
Bouwhoek
59
-
Themahoek
59
-
De raket is aangekomen bij een ruimtestation. De kinderen spelen dat zij astronauten zijn die onderzoek doen, reparaties uitvoeren en contact houden met de aarde.
59
-
Ontdekhoek
59
-
Boekenhoek
59
-
De kinderen bekijken boeken over astronauten, ruimtevaart en het leven in de ruimte.
59
-
Huishoek
59
-
325
Week 8 terug naar de aarde
61
-
326
Lessen
62
-
NL: ENG: FR:
62
-
NL: FR: ENG:
62
-
327
Maandag
63
-
328
Doel:
63
-
329
Les:
63
-
330
Dinsdag
64
-
331
Doel:
64
-
332
Les:
64
-
333
Woensdag
65
-
334
Doel:
65
-
335
Les:
65
-
336
Donderdag
66
-
337
Doel:
66
-
338
Les:
66
-
339
Vrijdag
67
-
340
Doel:
67
-
341
Les:
67
-
Lezen over de ruimte
68
-
342
Circuit
69
-
Week: 8 - Terug naar aarde Fase: Evalueren en presenteren Thema: Op reis in de ruimte
69
-
Beredeneerd aanbod rekenen
69
-
Uitloop
69
-
Beredeneerd aanbod taal
69
-
Uitloop
69
-
Spelhoek
69
-
Themahoek
69
-
De kinderen spelen dat zij in de controlekamer werken en contact houden met de astronauten die terugkeren naar de aarde. Ze controleren of de raket veilig landt en begeleiden de missie.
69
-
Ontdekhoek
69
-
Boekenhoek
69
-
Lezen over de ruimte
69
-
Knutselen
69
-
Verteltafel
69
-
343
Themahoek ideeën
70
-
344
Spelhoek - Controlekamer op aarde
71
-
345
Themahoek - De raket
72
-
346
Hoekomschrijving en spelideeën
72
-
347
De kinderen spelen dat ze astronauten zijn in de raket. Ze bereiden zich voor op de terugkeer naar aarde, voeren taken uit zoals de ruimte observeren, experimenten doen en communiceren met de controlekamer. Kinderen kunnen:
72
-
348
een ruimtepak aantrekken
72
-
349
op een ‘stoel’ zitten als piloot of co-piloot
72
-
350
opdrachten uitvoeren die de controlekamer doorgeeft
72
-
351
de terugkeer naar de aarde naspelen, met aftellen en landen
72
-
352
Materialen
72
-
353
Grote kartonnen raket met ‘ramen’ (bijvoorbeeld grote plastic kommen)
72
-
354
Ruimtehelmen (plastic helm omwikkeld met folie)
72
-
355
Ruimtekleding (verkleedpak of zilveren cape/shirt)
72
-
356
Laarzen met aluminiumfolie
72
-
357
Cockpit met bedieningspaneel (dashboard met knoppen of stickers)
72
-
358
Stoelen in een raketopstelling
72
-
359
Lijsten met taken
72
-
360
Aankleding
72
-
361
Zilverkleurige folie op vloer en wanden
72
-
362
Wanden van karton, geschilderd of beplakt
72
-
363
Binnenkant voorzien van gekleurde knoppen, meetapparaten, slangetjes (flexibele buizen)
72
-
364
Samenwerking tussen de hoeken
72
-
365
Contactmomenten: via telefoon of walkietalkie geeft de controlekamer instructies aan de astronauten ("Tijd om te landen", "Check zuurstofmeter").
72
-
366
Aftelmoment: de controlekamer telt af terwijl de astronauten zich voorbereiden op de landing.
72
-
367
Terugkoppeling: astronauten vertellen bij terugkeer aan de controlekamer wat ze hebben gezien/meegemaakt.
72
-
368
Kinderen kunnen tijdens het spelen wisselen van rol of team vormen (2 in de raket, 2 op aarde).
72
-
369
Observatiemogelijkheden
72
-
370
Gebruikt het kind taal passend bij de rol (commando’s, overleg, waarneming)?
72
-
371
Wisselt het kind tussen verbeelding en instructie?
72
-
372
Gebruikt het kind de hoeken om zelfstandig of samen plannen te maken of af te stemmen?
72
-
373
Speelt het kind rollen met inleving en betrokkenheid?
72
-
374
Ontdekhoek
73
-
375
Boekenhoek
74
-
376
Materialen in de boekenhoek
74
-
377
Prentenboeken over ruimte, planeten, sterren, de maan, astronauten
74
-
378
Informatieve boeken met veel beelden
74
-
379
Grote prenten of posters van het zonnestelsel, planeten, raketten
74
-
380
Zitzakken, kussens of een zachte mat
74
-
381
(Optioneel) een audioboek met koptelefoon en ruimteverhalen
74
-
382
Aankleding en sfeer
74
-
383
Maak de hoek donkerder of omsloten (bijv. met een zwart of donkerblauw laken of een tentdoek boven de hoek)
74
-
384
Hang zelfgemaakte sterren, planeten of een kartonnen maan aan het plafond van de hoek
74
-
385
Gebruik zilverfolie, lampjes of glimmende sterren om het ‘ruimtegevoel’ te versterken
74
-
386
Zet een kartonnen raket of maanvoertuig in de hoek als decoratie
74
-
387
Spelsuggesties en activiteitentips
74
-
388
Kinderen kunnen samen een boek lezen en elkaar vertellen wat ze zien
74
-
389
Laat kinderen een boek kiezen en er daarna een tekening bij maken
74
-
390
Laat kinderen met een zaklamp ‘lezen in het donker’
74
-
391
Kinderen mogen post-it briefjes plakken bij hun lievelingsbladzijde
74
-
392
Begeleidingssuggesties
74
-
393
Lees regelmatig zelf een boek voor in de hoek en laat daarna kinderen zelf bladeren
74
-
394
Stel vragen bij boeken: Wat zie je hier op deze planeet?, Wat gebeurt er met deze raket?
74
-
395
Stimuleer taalgebruik: benoem begrippen als zonnestelsel, gewichtloos, helm, ruimtepak, lancering
74
-
396
Help bij het kiezen van een boek dat aansluit bij de interesse van het kind
74
-
397
Observatiemogelijkheden
74
-
398
Blijft het kind aandachtig bij het boek?
74
-
399
Benoemt het kind bekende begrippen of verhaalelementen?
74
-
400
Kiest het kind zelfstandig een boek en wisselt het van boek wanneer passend?
74
-
401
Gebruikt het kind themawoorden of stelt het vragen bij de illustraties?
74
-
402
Week 1 de zon
75
-
Doel
76
-
Benodigde materialen
76
-
Introductie
76
-
Voorlezen
76
-
Gesprek na het verhaal
76
-
Verdieping: Waarom hebben wij de zon nodig?
77
-
Eigen ervaringen
77
-
Afsluiting
77
-
Introductie
79
-
Ik doe het voor
79
-
Wij doen het samen
79
-
Jullie doen het samen
80
-
Gezamenlijke reflectie
80
-
Conclusie
80
-
Afsluiting
80
-
Introductie
81
-
Ik doe het voor
81
-
Wij doen het samen
81
-
403
Donderdag - gedicht de zon
83
-
404
Doel:
83
-
405
De kinderen beschrijven dat de beweging en positie van de zon zorgt voor patronen zoals dag en nacht en seizoenen.
83
-
406
De kinderen breiden hun woordenschat en kennis over taal en de wereld uit door middel van een poëtische tekst.
83
-
407
Materialen:
83
-
408
Het gedicht "Zon" ( te vinden bij teksten)
83
-
409
Globe of bal en een zaklamp
83
-
410
Eventueel woordkaarten met woorden/beelden (dag, nacht, ochtend, middag, avond)
83
-
411
Introductie – De zon
83
-
412
De kinderen denken na over wat er verandert als de zon opkomt of ondergaat. Wat merk je aan de lucht, de dieren, jezelf?
83
-
413
Gedicht beluisteren en beleven
83
-
414
Lees het gedicht Zon voor. De kinderen luisteren aandachtig. Daarna wordt besproken wat het versje zegt over de zon. Welke woorden zijn nieuw of opvallend?
83
-
415
Bespreek met de kinderen wat er met de laatste zin wordt bedoeld.
83
-
416
Ontdekken – Hoe werkt dag en nacht?
83
-
417
Gebruik de globe en zaklamp om te laten zien dat de zon op dezelfde plek blijft maar de aarde draait. Daardoor wordt het dag en nacht. De kinderen mogen dit zelf naspelen met de materialen. Welke plekken zijn licht, welke donker? Wanneer is het bij ons dag?
83
-
418
Reflectiegesprek – De zon in jouw dag
83
-
419
Wat doe jij als het ochtend is? Wat merk je aan het licht of de temperatuur?
83
-
420
Herkennen de kinderen patronen zoals 'eerst ontbijt, dan naar school'?
83
-
421
Ook wordt benoemd dat de zon zorgt voor warmte en licht én dat dit verandert in de verschillende seizoenen.
83
-
422
Afronding – Een zonnezinnetje verzinnen
83
-
423
De kinderen mogen een korte zin maken over de zon. Bijvoorbeeld:
83
-
424
– “Als de zon opkomt, word ik wakker.”
83
-
425
– “Zonder zon is het donker.”
83
-
426
Wie wil mag dit voordoen of uitbeelden. Wie kan er een rijmende zin van maken?
83
-
427
Vrijdag - warm en koud
85
-
428
Doel: De kinderen ontdekken dat de zon warmte geeft. Ze ervaren het verschil tussen een plek in de zon en een plek in de schaduw en leren de woorden zon, warmte, schaduw, licht en donker gebruiken.
85
-
429
Introductie Vraag: * Wat hebben we deze week al geleerd over de zon? * Wat geeft de zon ons? * Kun je de zon alleen zien of kun je hem ook voelen?
85
-
430
Vertel: "Vandaag gaan we zelf onderzoeken of de zon warmte geeft. We gaan voelen wat het verschil is tussen een plek in de zon en een plek in de de schaduw."
85
-
431
Ik doe het voor Ga met de kinderen naar buiten. Ga eerst zelf in de zon staan. Denk hardop: "Ik voel iets op mijn gezicht. Het voelt warm. Dat komt door de zon." Loop vervolgens naar een plek in de schaduw. "Hier voel ik minder warmte. Ik sta nu niet meer in de zon."
85
-
432
Laat de kinderen meedenken: * Wat merk ik? * Waar voel ik meer warmte? Wij doen het samen Laat alle kinderen eerst in de zon staan. Vraag hen hun handen op hun armen of gezicht te leggen.
85
-
433
Vragen: * Voelt het warm of koud? * Waar voel je de warmte?
85
-
434
Loop daarna samen naar een schaduwplek. Vraag opnieuw: * Voelt het hier hetzelfde? * Wat merk je nu?
85
-
435
Gebruik steeds de woorden: zon, warmte, licht, schaduw, warm, koud.
85
-
436
Stimuleer taalgebruik:
85
-
437
* Waar voel je meer warmte? * Waar voel je minder warmte? * Waarom denk je dat dat zo is?
85
-
438
Week 2 de maan
86
-
439
Maandag
87
-
440
Voorlezen papa pak jij de maan voor mij
87
-
441
Maandag
88
-
442
Doel:
88
-
443
De kinderen voeren gesprekken om tot kennisopbouw, begrip of een aanpak te komen.
88
-
444
De kinderen beschrijven dat de beweging en positie van hemellichamen leiden tot patronen: dag en nacht, maanstanden, seizoenen.
88
-
445
Introductie – Voor het voorlezen
88
-
446
De kinderen krijgen de opdracht om tijdens het voorlezen goed te letten op:
88
-
447
Hoe de maan verandert.
88
-
448
Wat papa doen om de maan te pakken.
88
-
449
Of het hem uiteindelijk lukt – en waarom (of waarom niet).
88
-
450
Er wordt kort gesproken over wat kinderen al weten van de maan:
88
-
451
Heb jij de maan weleens gezien?
88
-
452
Is hij altijd even groot? Zie je hem altijd op dezelfde plek?
88
-
453
Na het voorlezen – Gesprek over het verhaal
88
-
454
De groep praat samen na over het boek. Suggesties voor gespreksonderwerpen:
88
-
455
Wat wilde het meisje graag van haar papa?
88
-
456
→ Was dat makkelijk? Waarom niet?
88
-
457
Wat gebeurde er met de maan?
88
-
458
→ Hoe werd de maan kleiner? Kun je de maan ook zien groeien of verdwijnen?
88
-
459
Wat vond jij mooi of grappig aan het verhaal?
88
-
460
Leg verbinding met wat kinderen kennen:
88
-
461
Heb jij weleens de maan gevolgd in de lucht?
88
-
462
Denk je dat je bij de maan kunt komen? Hoe dan?
88
-
463
Maandag
89
-
464
Gesprek over de maan
89
-
465
De kinderen worden betrokken bij een ontdekkend gesprek over de maan en de patronen van licht en donker. Mogelijke vragen:
89
-
466
Waarom zie je de maan soms niet?
89
-
467
Wanneer is het dag? Wanneer is het nacht? En waarom verandert dat?
89
-
468
Wat gebeurt er als de zon opkomt? En als hij ondergaat?
89
-
469
Wat gebeurt er op de maan, denk je? Is er licht? Warmte?
89
-
470
Gebruik eventueel een globe en een lamp als zon en draai met de globe om het effect van dag en nacht te laten zien.
89
-
471
Afsluiting – Denken over de maan
89
-
472
Laat de kinderen beschrijven:
89
-
473
Welke vormen hebben ze weleens in de maan gezien?
89
-
474
Wat denken ze dat er op de maan te vinden is?
89
-
475
Zou je op de maan kunnen wonen? Waarom wel of niet?
89
-
476
Kinderen mogen hun ideeën verwoorden of naspelen:
89
-
477
Bijvoorbeeld doen alsof ze op de maan lopen met grote sprongen (want daar is minder zwaartekracht).
89
-
478
Begeleidingssuggesties:
89
-
479
Gebruik beeldmateriaal van de maanfasen en een eenvoudige dag-nacht illustratie om het gesprek te ondersteunen.
89
-
480
Stel open vragen en bouw door op wat kinderen zeggen. Laat ruimte voor fantasie én correctie vanuit echte kennis.
89
-
481
Moedig kinderen aan om elkaars bijdragen te respecteren en aan te vullen (Wat denk jij daarover?).
89
-
Maak de maan in Eric Carle stijl
90
-
Maak de maan in Eric Carle stijl
91
-
Maandag - Lopen op de maan
92
-
482
Dinsdag
93
-
483
Doel:
93
-
484
Het begrip van de maanfases ontwikkelen en hoe deze veranderen over tijd.
93
-
485
Observatie- en redeneervaardigheden verbeteren door het sorteren van afbeeldingen in een logische volgorde.
93
-
486
De woordenschat uitbreiden met termen die betrekking hebben op de maan en haar fases.
93
-
487
Benodigdheden:
93
-
488
Afbeeldingen van de maan in verschillende fases: nieuwe maan, wassende maansikkel, eerste kwartier, wassende gibbous, volle maan, afnemende gibbous, laatste kwartier, en afnemende maansikkel.
93
-
489
Grote vellen papier of een whiteboard om de afbeeldingen op te plakken of aan te bevestigen.
93
-
490
Klittenband, magneten, of plakgum om de afbeeldingen tijdelijk te bevestigen, zodat ze gemakkelijk verplaatst kunnen worden.
93
-
491
Voorbereiding:
93
-
492
Print duidelijke afbeeldingen uit van elke maanfase.
93
-
493
Maak de afbeeldingen klaar voor gebruik door ze, indien nodig, te lamineren en voorzien van klittenband, magneten, of plakgum aan de achterkant.
93
-
494
Organiseer een introductie tot de maanfases, zodat de kinderen basiskennis hebben voordat ze beginnen met de activiteit.
93
-
495
Activiteit:
93
-
496
Start met een korte uitleg of een verhaal over de maan en haar fases. Gebruik eenvoudige termen en visualisaties om de concepten uit te leggen.
93
-
497
Laat de kinderen de afbeeldingen van de maanfases één voor één bekijken. Bespreek kort wat elke fase inhoudt en hoe de maan eruitziet tijdens die fase.
93
-
498
Leg de afbeeldingen willekeurig neer en vraag de kinderen om ze in de juiste volgorde van de maancyclus te plaatsen. Werk in kleine groepjes of individueel, afhankelijk van de grootte van de klas en het aantal beschikbare afbeeldingen.
93
-
499
Nadat alle kinderen hun poging hebben gedaan, bespreek je samen de juiste volgorde van de maanfases. Bevestig de afbeeldingen in de juiste volgorde op het papier of whiteboard en leg uit waarom dit de correcte volgorde is.
93
-
500
Stel vragen om te controleren of de kinderen de concepten hebben begrepen:
93
-
501
Welke afbeelding laat de volle maan zien?
93
-
502
Welke afbeelding laat de nieuwe maan zien?
93
-
503
Dinsdag
94
-
504
Doel:
94
-
505
Het begrip van de maanfases ontwikkelen en hoe deze veranderen over tijd.
94
-
506
Observatie- en redeneervaardigheden verbeteren door het sorteren van afbeeldingen in een logische volgorde.
94
-
507
De woordenschat uitbreiden met termen die betrekking hebben op de maan en haar fases.
94
-
508
Benodigdheden:
94
-
509
Afbeeldingen van de maan in verschillende fases: nieuwe maan, wassende maansikkel, eerste kwartier, wassende gibbous, volle maan, afnemende gibbous, laatste kwartier, en afnemende maansikkel.
94
-
510
Grote vellen papier of een whiteboard om de afbeeldingen op te plakken of aan te bevestigen.
94
-
511
Klittenband, magneten, of plakgum om de afbeeldingen tijdelijk te bevestigen, zodat ze gemakkelijk verplaatst kunnen worden.
94
-
512
Voorbereiding:
94
-
513
Print duidelijke afbeeldingen uit van elke maanfase.
94
-
514
Maak de afbeeldingen klaar voor gebruik door ze, indien nodig, te lamineren en voorzien van klittenband, magneten, of plakgum aan de achterkant.
94
-
515
Organiseer een introductie tot de maanfases, zodat de kinderen basiskennis hebben voordat ze beginnen met de activiteit.
94
-
516
Activiteit:
94
-
517
Start met een korte uitleg of een verhaal over de maan en haar fases. Gebruik eenvoudige termen en visualisaties om de concepten uit te leggen.
94
-
518
Laat de kinderen de afbeeldingen van de maanfases één voor één bekijken. Bespreek kort wat elke fase inhoudt en hoe de maan eruitziet tijdens die fase.
94
-
519
Leg de afbeeldingen willekeurig neer en vraag de kinderen om ze in de juiste volgorde van de maancyclus te plaatsen. Werk in kleine groepjes of individueel, afhankelijk van de grootte van de klas en het aantal beschikbare afbeeldingen.
94
-
520
Nadat alle kinderen hun poging hebben gedaan, bespreek je samen de juiste volgorde van de maanfases. Bevestig de afbeeldingen in de juiste volgorde op het papier of whiteboard en leg uit waarom dit de correcte volgorde is.
94
-
521
Stel vragen om te controleren of de kinderen de concepten hebben begrepen:
94
-
522
Welke afbeelding laat de volle maan zien?
94
-
523
Welke afbeelding laat de nieuwe maan zien?
94
-
Doel:
95
-
524
Dinsdag
96
-
525
sluiting:
96
-
526
Welke dingen kun je in tweeën delen?
96
-
527
Wat betekent het als iets een ‘helft’ is?
96
-
528
Hoe komt het dat de maan soms vol en soms half is?
96
-
529
Laat kinderen eventueel hun eigen halve of hele maan laten zien met hun handen, of met zelfgemaakte vormen.
96
-
530
Begeleidingssuggesties:
96
-
531
Laat kinderen in eigen woorden uitleggen wat ‘de helft’ is.
96
-
532
Gebruik eenvoudige voorbeelden uit hun dagelijks leven: pizza’s, koekjes, appels.
96
-
533
Stimuleer gesprekken over wat ze zien aan de maan – vooral bij het waarnemen van vormen.
96
-
534
Herhaal het begrip ‘de helft van iets’ regelmatig.
96
-
Maak een seizoenskalender
97
-
535
Woensdag
100
-
536
Doel:
100
-
537
Kinderen praten over hun leeservaring en geven hun mening over het versje.
100
-
538
Ze leren verbanden leggen tussen verhaal en werkelijkheid (dieren in de ruimte).
100
-
539
Ze worden uitgedaagd hun fantasie te gebruiken over reizen in de ruimte.
100
-
540
Materialen:
100
-
541
Het versje Haan (te vinden bij teksten)
100
-
542
Introductie
100
-
543
De kinderen luisteren naar het versje over Hidde die naar de maan vliegt.
100
-
544
De leerkracht leest het versje voor of toont het op een groot blad.
100
-
545
Daarna wordt het versje opnieuw gelezen, waarbij de kinderen de herhaling en het ritme proberen mee te voelen.
100
-
546
Gesprek over het versje
100
-
547
Gesprekssuggesties:
100
-
548
Wat vonden jullie van het versje? Wat gebeurde er met Hidde Haan?
100
-
549
Wat voelde je bij het luisteren? Vond je het spannend, grappig, dromerig?
100
-
550
Denk je dat dit echt kan, een haan die naar de maan vliegt?
100
-
551
Verkennen van fantasie en werkelijkheid:
100
-
552
Weten jullie of er ooit dieren naar de ruimte zijn gegaan?
100
-
553
Welke dieren zouden jullie wel naar de maan willen sturen?
100
-
554
Waarom juist dat dier? Wat zou hij daar kunnen doen?
100
-
555
Zou het daar fijn zijn voor dat dier? Of juist niet?
100
-
556
Verbinding met geschiedenis:
100
-
557
De leerkracht vertelt kort dat vroeger echt dieren de ruimte in zijn gestuurd. Bijvoorbeeld Laika, de hond.
100
-
558
Samen wordt nagedacht waarom ze dat deden. Wat wilden mensen weten?
100
-
559
Uitbreiding (optioneel) De kinderen kunnen in de bouw- of tekenhoek een eigen ruimtevoertuig maken of tekenen waar hun gekozen dier in kan reizen. Ze tekenen of knippen en plakken hun dier op de maan en bedenken wat hij daar meemaakt.
100
-
560
Donderdag
101
-
561
Doel:
101
-
562
Het ontwikkelen van classificatievaardigheden door het sorteren van afbeeldingen op basis van verschillende criteria.
101
-
563
Het bevorderen van discussie en taalvaardigheden door kinderen aan te moedigen hun keuzes te verklaren.
101
-
564
Het vergroten van kennis over het thema ruimte door het verkennen van verschillende ruimte-elementen.
101
-
565
Benodigdheden:
101
-
566
Een gevarieerde set afbeeldingen gerelateerd aan het thema ruimte. Denk aan planeten, sterren, astronauten, ruimteschepen, manen, sterrenstelsels, en satellieten.
101
-
567
Grote werkbladen of matten om de afbeeldingen op te sorteren.
101
-
568
Optioneel: voorbedrukte labels met sorteer categorieën zoals kleur, grootte, of soort.
101
-
569
Activiteit:
101
-
570
Presenteer de verzameling afbeeldingen aan de kinderen en leg kort uit dat ze vandaag afbeeldingen gaan sorteren die te maken hebben met het thema ruimte. Introduceer de verschillende categorieën waarop ze kunnen sorteren, zoals kleur, grootte, of soort.
101
-
571
Verdeel de afbeeldingen onder de kinderen en laat ze in kleine groepjes werken om de afbeeldingen te sorteren. Moedig ze aan om eerst samen te beslissen op welke basis ze gaan sorteren.
101
-
572
Nadat de kinderen hun afbeeldingen hebben gesorteerd, vraag je elk groepje om hun sorteerproces en de gekozen criteria te delen met de klas. Laat ze uitleggen waarom bepaalde afbeeldingen bij elkaar horen.
101
-
573
Stimuleer een gesprek over de verschillende manieren waarop de afbeeldingen gesorteerd kunnen worden. Bespreek hoe verschillende criteria kunnen leiden tot verschillende sorteringen en waarom dat interessant of belangrijk kan zijn.
101
-
574
Voor een extra uitdaging, vraag de kinderen om de afbeeldingen opnieuw te sorteren, maar nu met een ander criterium. Dit helpt hen flexibel te denken over categorieën en eigenschappen.
101
-
575
Donderdag
102
-
576
Doel:
102
-
577
Stimuleren van fijne motoriek en hand-oog coördinatie door het vormen van handstanden.
102
-
578
Creativiteit en verbeeldingskracht ontwikkelen door het creëren van verschillende schaduwfiguren.
102
-
579
Begrip van licht, schaduw, en afstand introduceren door experimenteren.
102
-
580
Benodigdheden:
102
-
581
Lampen of zaklampen die een heldere, gerichte lichtstraal geven.
102
-
582
Witte muur of een groot vel wit papier als achtergrond.
102
-
583
Optioneel: voorwerpen van verschillende vormen en maten om extra schaduwen mee te creëren.
102
-
584
Voorbereiding:
102
-
585
Zorg ervoor dat de ruimte voldoende verduisterd kan worden zodat de schaduwen goed zichtbaar zijn.
102
-
586
Test de lampen of zaklampen om er zeker van te zijn dat ze een duidelijke schaduw werpen.
102
-
587
Richt een specifieke hoek of deel van de ruimte in waar de activiteit plaatsvindt, met de witte muur of het grote vel papier als achtergrond.
102
-
588
Activiteit: Introductie Leg het concept van schaduwen kort uit en demonstreer hoe licht en objecten (in dit geval handen) samenwerken om een schaduw te creëren. Introduceer de activiteit en leg uit dat ze in tweetallen gaan werken om hun eigen schaduwspellen te maken.
102
-
589
Experimenteren Laat de kinderen in tweetallen werken met een lamp en de muur of het papier. Moedig ze aan om met hun handen verschillende vormen te maken en te ontdekken welke soorten schaduwen ze kunnen creëren. Laat ze experimenteren met de afstand van hun handen tot de lichtbron en de muur om te zien hoe dit de grootte en de vorm van de schaduw beïnvloedt. Verhalen vertellen
102
-
590
Nadat de kinderen verschillende schaduwfiguren hebben uitgeprobeerd, vraag je ze om een kort verhaal te bedenken waarin hun schaduwfiguren de hoofdrol spelen. Dit kan variëren van een eenvoudige interactie tussen twee figuren tot een klein avontuur.
102
-
591
Leerling opdrachtbladWerkblad voor leerlingen tijdens de les
102
-
592
Donderdag
103
-
593
Presentatie Bied de kinderen de mogelijkheid om hun schaduwspel en het bijbehorende verhaal te presenteren aan de rest van de groep. Dit stimuleert niet alleen hun verbeeldingskracht, maar ook hun vermogen om voor een groep te spreken. Reflectie Bespreek na de presentaties de verschillende technieken en verhalen. Vraag de kinderen wat ze hebben geleerd over het maken van schaduwen en welke figuren ze het leukst vonden om te maken.
103
-
594
Afsluiting:
103
-
595
Benadruk het belang van licht en schaduw in onze visuele waarneming en in de kunst.
103
-
596
Moedig de kinderen aan om thuis of tijdens de volgende speeltijd verder te experimenteren met schaduwen.
103
-
597
Reflecteer op hoe samenwerking en delen van ideeën hebben bijgedragen aan het creatieve proces.
103
-
598
Deze activiteit biedt een speelse manier om wetenschappelijke principes te verkennen, zoals licht en schaduw, en stimuleert tegelijkertijd de creatieve en motorische ontwikkeling van kinderen. Door samen te werken en hun bevindingen te delen, leren ze van elkaar en ontwikkelen ze sociale vaardigheden.
103
-
599
Vrijdag
104
-
600
Als het donker is, zie bijna niets. Als het licht is, kun je alles goed bekijken. Licht en donker zijn natuurlijke verschijnselen; ze zorgen voor dag en nacht op aarde. Mensen kunnen ook zelf licht maken. Welk licht maken mensen en hoe moeilijk is het om in het donker iets te doen? Vraag aan de leerlingen wie er wel eens op een heel donkere plek is geweest.
104
-
601
Vraag: ‘Wat kon je zien?’ en ‘Wat kon je zien toen het licht aanging? Hoe kan dat?’ Kom tot de conclusie dat je licht nodig hebt om goed te kunnen zien.Vraag aan de leerlingen wat er allemaal licht geeft. Vertel dat een aantal dingen uit zichzelf licht geeft, bijvoorbeeld de zon, vuur, een vuurvliegje en een bliksem-flits. andere dingen die licht geven hebben mensen azelf gemaakt zoals lampen in het lokaal, een fietslampje, een kaars en een zaklamp. Hang foto’s van de lichtbronnen in de klas op en vertel erbij of het uit zichzelf licht geeft of dat de mensen dat hebben gemaakt.
104
-
602
Week 3 planeten
105
-
603
Maandag
106
-
604
Voorlezen een bali n het heelal
106
-
Kringgesprek n.a.v. het boek: Een bal in het heelal
107
-
605
Maandag
108
-
606
Afsluiting: Wat weet jij over de ruimte?
108
-
607
De kinderen vertellen over wat ze al wisten of nu geleerd hebben. Voorbeelden van vragen:
108
-
608
Wat vond je het leukste aan het verhaal?
108
-
609
Welke planeet wil jij graag bezoeken?
108
-
610
Heb je weleens naar de sterren gekeken?
108
-
611
Begeleidingssuggesties
108
-
612
Gebruik een poster van het zonnestelsel ter ondersteuning.
108
-
613
Laat kinderen vrijuit praten en laat ze hun verwondering uiten.
108
-
614
Houd het luchtig en beeldend, zodat de kinderen echt nieuwsgierig blijven.
108
-
615
Maandag
109
-
616
Doel van de les: Kinderen leren over het zonnestelsel en de planeten die er deel van uitmaken. Daarnaast wordt hun creativiteit en motoriek gestimuleerd door het maken van een eigen planetenstelsel. Benodigdheden: Ballonnen Kranten Behangerslijm Verf Kwasten Schaar Touw of draad Voorbereiding: Zorg dat alle benodigdheden klaarstaan op een centrale plek in de klas. Maak eventueel een voorbeeldmodel van een planetenstelsel zodat de kinderen een idee hebben van wat ze kunnen maken. Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de kinderen hun eigen planetenstelsel gaan maken van ballonnen en papier-mache. Bespreek kort de verschillende planeten en hun eigenschappen. Uitvoering (60-90 minuten): Laat de kinderen een ballon opblazen en vastmaken aan een touwtje of draad. Dit wordt de zon. Vervolgens kunnen ze met behulp van kranten en behangerslijm planeten maken rondom de zon. Geef de kinderen de vrijheid om hun eigen planetenstelsel te ontwerpen en te schilderen in verschillende kleuren. Nabespreking (10 minuten): Laat de kinderen hun planetenstelsel presenteren en benoemen welke planeet ze hebben gemaakt en waarom. Bespreek kort de eigenschappen van de verschillende planeten en hoe deze zich verhouden tot elkaar in het zonnestelsel. Evaluatie: Beoordeel de creativiteit en originaliteit van de planetenstelsels. Beoordeel de kwaliteit van de presentatie en de kennis die is gedeeld over de planeten. Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de opdracht vereenvoudigen door bijvoorbeeld alleen de zon en aarde te maken. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je extra uitdagingen toevoegen, zoals het maken van een maan of het toevoegen van meer details aan de planeten.
109
-
617
Dinsdag
110
-
618
Doel:
110
-
619
De kinderen leren dat een cirkel op papier een platte vorm is en een planeet een bolvorm.
110
-
620
De kinderen herkennen en benoemen het verschil tussen een tweedimensionale (2D) en driedimensionale (3D) vorm.
110
-
621
De kinderen leggen relaties tussen wat ze getekend hebben en wat ze op het scherm zien.
110
-
622
Materialen:
110
-
623
Werkblad “Dot Day – Earth Dot” van QuiverVision
110
-
624
Kleurpotloden of stiften
110
-
625
Tablets of smartphones met de Quiver-app
110
-
626
Eventueel: bal en platte cirkelvorm (rond placemat, ring, karton)
110
-
627
(Optioneel) een globe en een tekening van de aarde als platte kaart
110
-
628
Introductie:
110
-
629
Laat de kinderen een ronde vorm zien: een platte cirkel.
110
-
630
Daarna laat je een bal zien (of een globe):
110
-
631
Wat is het verschil tussen deze twee vormen?
110
-
632
Welke lijkt op een planeet zoals de aarde?
110
-
633
Leg uit:
110
-
634
We gaan de planeten tekenen – in een cirkel.
110
-
635
Daarna gaan we met de app bekijken hoe die cirkel verandert in een bol, net zoals een echte planeet!
110
-
636
Bespreek ook kort:
110
-
637
Weten jullie hoeveel planeten er zijn in ons zonnestelsel?
110
-
638
Hebben planeten allemaal dezelfde kleur of grootte?
110
-
639
Activiteit:
110
-
640
Planeten inkleuren. De kinderen kleuren de “Dot Day”-werkbladen in alsof het een planeet is.
110
-
641
Stimuleer hen om een planeet na te tekenen.
110
-
642
Voorbeelden:
110
-
643
Rode planeet zoals Mars
110
-
644
Blauwe planeet zoals Neptunus
110
-
645
Planeet met ringen (zoals Saturnus)
110
-
646
Of een fantasieplaneet met sterren, stippen, lava, enz.
110
-
647
Kan je andere eigenschappen laten zien in jouw tekening?
110
-
648
Dinsdag
111
-
649
Bespreek:
111
-
650
Welke kleuren horen bij jouw planeet?
111
-
651
Wat is bijzonder aan jouw planeet?
111
-
652
Van plat naar bol. De kinderen gebruiken de Quiver-app om hun planeet tot leven te brengen.
111
-
653
Ze bekijken op het scherm hoe hun platte tekening (de cirkel) verandert in een draaiende bol.
111
-
654
Stel vragen:
111
-
655
Wat is er anders op het scherm dan op je papier?
111
-
656
Beweegt jouw planeet?
111
-
657
Kun je de vormen nog herkennen?
111
-
658
Vergelijk eventueel met een echte bal of de globe.
111
-
659
Afsluiting:
111
-
660
Bespreek in de kring:
111
-
661
Wat heb je geleerd over vormen vandaag?
111
-
662
Wat is het verschil tussen een cirkel en een bol?
111
-
663
Lijkt jouw planeet echt of verzonnen?
111
-
664
Wat vond je het leukst aan je planeet?
111
-
665
Begeleidingssuggesties:
111
-
666
Gebruik begrippen zoals: cirkel, rond, bol, plat, 2D, 3D, planeet, draaien, vorm, oppervlak
111
-
667
Leg op kleuterniveau uit dat een planeet in het echt bol is, ook al tekenen we hem plat
111
-
Woensdag- Planetenspel
112
-
Woensdag- Blijft Saturnus drijven?
113
-
668
Donderdag
114
-
669
Doel:
114
-
670
Les:
114
-
Doel
115
-
Materialen
115
-
Voorbereiding
115
-
Introductie
115
-
Vertelpantomime: De planeten stellen zich voor
115
-
Opdracht aan de reiziger
116
-
Afsluiting
116
-
Begeleidingssuggesties
116
-
671
Week 4 sterren en kometen
117
-
672
Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren
118
-
673
Voorlezen:
118
-
674
Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren
119
-
675
Doel:
119
-
676
De kinderen voeren een gesprek over wat sterren zijn en delen hun eigen kennis en vragen.
119
-
677
De kinderen luisteren naar een verhaal en verwoorden wat ze nieuw hebben geleerd.
119
-
678
De kinderen bouwen samen kennis op over sterren en sterrenbeelden.
119
-
679
Materialen:
119
-
680
Het prentenboek Luuk en Lotje, de maan en de sterren.
119
-
681
Eventueel een plaatje of afbeelding van de sterrenhemel
119
-
682
Eventueel een afbeelding van een sterrenbeeld
119
-
683
Introductie:
119
-
684
Start het gesprek in de kring met open vragen:
119
-
685
Wat zie je als je 's nachts naar de hemel kijkt?
119
-
686
Wie heeft er wel eens een ster gezien?
119
-
687
Wat denk je dat sterren zijn?
119
-
688
Heb je wel eens een vallende ster gezien?
119
-
689
Waarom zie je sterren alleen als het donker is?
119
-
690
Laat ruimte voor verwondering, verhalen of ervaringen van kinderen.
119
-
691
Stimuleer het benoemen van woorden als: sterren, licht, hemel, donker, stralen, nacht.
119
-
692
Voorlezen van het boek
119
-
693
Lees Luuk en Lotje, de maan en de sterren voor. Laat de illustraties goed zien.
119
-
694
Als er reacties komen tijdens het lezen, geef daar kort ruimte voor.
119
-
695
Gesprek:
119
-
696
Na het verhaal:
119
-
697
Heb je iets nieuws gehoord over sterren?
119
-
698
Wat gebeurde er in het verhaal met de vallende ster?
119
-
699
Heb je wel eens gehoord van een sterrenbeeld?
119
-
700
Gebruik eventueel een afbeelding van een sterrenbeeld als visuele ondersteuning.
119
-
701
Bespreek wat kinderen hebben geleerd of begrepen:
119
-
702
Waar zijn sterren eigenlijk van gemaakt, denk je?
119
-
703
Zie je sterren overdag ook? Waarom wel of niet?
119
-
704
Kun je sterren aanraken? Zijn ze dichtbij of ver weg?
119
-
705
Maandag - Luuk en lotje de maan en de sterren
120
-
706
Afsluiting:
120
-
707
De leerkracht sluit het gesprek af met een samenvattend stukje over sterren. Suggesties voor de samenvatting:
120
-
708
Sterren zijn grote bollen van gas, die héél ver weg staan en licht geven.
120
-
709
We zien sterren alleen als het donker is, want overdag schijnt de zon te fel.
120
-
710
Er bestaan sterrenbeelden, dat zijn groepjes sterren waar mensen figuren in zagen, zoals een beer of een jager.
120
-
711
Vallende sterren zijn eigenlijk kleine stukjes steen die door de lucht schieten en even oplichten.
120
-
712
Iedereen kan zelf ook figuren verzinnen met sterren, net zoals mensen dat vroeger deden.
120
-
Maandag - Collage van de zon, de maan en de sterren
121
-
713
Dinsdag - de libelle
122
-
714
Doel:
122
-
715
Kinderen benoemen rijmklanken en herkennen rijm en ritme in poëzie.
122
-
716
Kinderen ervaren dat woorden soms ook op elkaar rijmen in klank
122
-
717
Kinderen redeneren over getallen, tellen en hoeveelheden.
122
-
718
Kinderen voeren een gesprek over het plezier van tellen, het maken van fouten en wat je daarvan leert.
122
-
719
Materialen:
122
-
720
Het versje "Libelle" (te vinden bij teksten)
122
-
721
Blauwe vellen als ‘nachtlucht’
122
-
722
Witte potloden of krijtjes
122
-
723
Introductie – Kennismaking met het versje:
122
-
724
Lees het versje een eerste keer rustig voor. Laat de kinderen gewoon luisteren.
122
-
725
Lees het daarna nog eens met nadruk op het ritme en de rijm. Vraag:
122
-
726
Welke woorden klinken hetzelfde?
122
-
727
Hoor je een ritme als ik het versje lees?
122
-
728
Bespreek samen het bijzondere aan de naam “Elle Libelle”.
122
-
729
Wat is een libelle?
122
-
730
Wat is er grappig aan haar naam?
122
-
731
Laat kinderen meeklappen op het ritme van het versje. Benoem woorden die rijmen en laat kinderen aanvullen met eigen rijmwoorden (bv. maan – kraan – haan).
122
-
732
Gesprek – Over tellen en fouten maken:
122
-
733
Bespreek samen:
122
-
734
Wat probeerde Elle Libelle te doen?
122
-
735
Waarom was het moeilijk om de sterren te tellen?
122
-
736
Ze kwam maar tot twee. Is dat erg? Wat zei Elle zelf?
122
-
737
Laat kinderen vertellen of zij ook wel eens de tel kwijtraken. Wat doen zij dan?
122
-
738
Bespreek dat fouten maken niet erg is – het plezier in het proberen telt ook.
122
-
739
Rekenactiviteit – Tellen van sterren:
122
-
740
Laat kinderen zelf sterren tekenen op een blauwe ondergrond.
122
-
741
Ze mogen kiezen:
122
-
742
Een paar grote sterren goed tellen
122
-
743
Heel veel sterren en zien hoe ver ze komen
122
-
744
Dinsdag
123
-
745
Bespreek daarna samen:
123
-
746
Hoeveel sterren heb jij getekend?
123
-
747
Lukte het tellen goed of raakte je de tel kwijt?
123
-
748
Wat kun je doen om niet de tel kwijt te raken?
123
-
749
Laat kinderen tips bedenken voor Elle Libelle:
123
-
750
Misschien kan ze de sterren in groepjes leggen.
123
-
751
Afsluiting:
123
-
752
Wat heb je geleerd van Elle Libelle?
123
-
753
Was het moeilijk om te tellen? Wat hielp jou?
123
-
754
Welke woorden in het versje vond je mooi klinken? Waarom?
123
-
755
Lees het versje nog eens voor en laat de kinderen meepraten.
123
-
756
Begeleidingssuggesties:
123
-
757
Herhaal het versje in delen, zodat kinderen het kunnen meepraten.
123
-
758
Leg nadruk op klank en betekenis bij rijmwoorden.
123
-
759
Stimuleer open gesprekken over plezier, fouten en strategieën.
123
-
760
Differentiatie:
123
-
761
Kinderen die verder zijn mogen groepjes maken van 5 of 10 sterren en deze tellen.
123
-
762
Kinderen die het lastig vinden mogen met concrete materialen tellen zoals fiches of knopen in plaats van tekenen.
123
-
763
Laat kinderen samen aan één sterrenhemel werken en hun eigen hoeveelheid sterren benoemen.
123
-
764
Woensdag - Sterrenhemel
125
-
765
Doel van de les: Leerlingen leren over sterren en het maken van een eigen sterrenhemel. Stimuleren van creativiteit en spel. Benodigdheden: Zwarte stof of papier Glow in the dark sterren of sterrenstof Lampen of lichtbronnen om de hoek te verduisteren Boeken over sterren en sterrenbeelden
125
-
766
Voorbereiding: Bereid de hoek voor met de zwarte stof of papier en de glow in the dark sterren of sterrenstof. Zorg ervoor dat er genoeg lichtbronnen zijn om de hoek te verduisteren. Verzamel de boeken over sterren en sterrenbeelden en plaats deze in de hoek.
125
-
767
Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de leerlingen een eigen sterrenhemel gaan maken en dat ze onder de sterrenhemel kunnen liggen om te spelen. Bespreek wat sterren zijn en hoe ze in de lucht te zien zijn.
125
-
768
Uitvoering (30-40 minuten): Laat de leerlingen de sterrenhemel maken door de glow in the dark sterren of sterrenstof op de zwarte stof of papier te plakken. Laat ze eventueel ook een sterrenbeeld maken. Verduister de hoek en laat de leerlingen onder de sterrenhemel spelen. Moedig ze aan om zich te laten inspireren door de boeken over sterren en sterrenbeelden.
125
-
769
Nabespreking (10 minuten): Bespreek met de leerlingen wat ze hebben geleerd over sterren en sterrenbeelden. Laat ze vertellen wat hun favoriete deel van de hoek was en waarom.
125
-
770
Evaluatie: Beoordeel de creativiteit van de sterrenhemel en het spel van de leerlingen.
125
-
771
Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de opdracht vereenvoudigen door alleen glow in the dark sterren te gebruiken en niet te focussen op het maken van een sterrenbeeld. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je extra uitdagingen toevoegen, zoals het maken van een presentatie over een specifiek sterrenbeeld of het schrijven van een verhaal over de sterrenhemel.
125
-
772
Woensdag - Rekenen met sterren
126
-
773
Doel van de les: Kinderen leren over tellen en het gebruik van een timer. Stimuleren van observatievaardigheden en rekenvaardigheid. Benodigdheden: Een grote poster van de ruimte met sterren erop Een timer
126
-
774
Voorbereiding: Hang de poster van de ruimte op een centrale plek in de klas. Zet de timer klaar op een zichtbare plek.
126
-
775
Uitleg (5 minuten): Leg uit dat de kinderen een rekenopdracht gaan doen waarbij ze moeten tellen hoeveel sterren er op de poster van de ruimte staan. Leg uit dat ze een minuut de tijd hebben om zoveel mogelijk sterren te tellen.
126
-
776
Uitvoering (10-15 minuten): Stel de timer in voor een minuut en laat de kinderen beginnen met tellen van de sterren op de poster van de ruimte. Moedig de kinderen aan om hun best te doen en zo nauwkeurig mogelijk te tellen.
126
-
777
Nabespreking (5 minuten): Laat de kinderen hun resultaten delen en bespreek hoeveel sterren ze hebben geteld.
126
-
778
Leg uit dat rekenen niet alleen gaat over het correct tellen van objecten, maar ook over het gebruik van hulpmiddelen zoals een timer.
126
-
779
Evaluatie: Beoordeel de nauwkeurigheid van de telling van de kinderen. Beoordeel hoe goed ze gebruik hebben gemaakt van de timer.
126
-
780
Tips voor differentiatie: Voor jongere leerlingen kun je de timer langer instellen en de opdracht vereenvoudigen door bijvoorbeeld te vragen om het tellen van een specifieke kleur sterren. Voor oudere of meer gevorderde leerlingen kun je de timer korter instellen en vragen om het tellen van specifieke patronen of vormen van sterren op de poster.
126
-
781
Donderdag - Kunstbeschouwing - Sterrennacht Vincent van Gogh
127
-
782
Doel:
127
-
783
De kinderen bekijken en beschouwen het schilderij Sterrennacht van Vincent van Gogh.
127
-
784
De kinderen verwoorden wat ze zien, voelen en vinden van het kunstwerk.
127
-
785
De kinderen gebruiken ideeën uit het schilderij als inspiratie voor een eigen kunstzinnige uiting.
127
-
786
De kinderen ervaren dat kunstenaars op hun eigen manier naar sterren kunnen kijken.
127
-
787
Materialen:
127
-
788
Afbeelding van de Sterrennacht
127
-
789
Donkerblauw papier
127
-
790
Wit en gele wasco’s, pastelkrijt of verf
127
-
791
Eventueel: kwasten, wattenstaafjes, glitter of gele stickertjes voor sterren
127
-
792
Introductie:
127
-
793
Introduceer het schilderij: We gaan naar een schilderij kijken van een kunstenaar die Vincent van Gogh heette. Hij schilderde een sterrenhemel zoals hij die zich voorstelde toen het nacht was. Niet precies zoals een foto, maar zoals hij het voelde en zag in zijn hoofd.
127
-
794
Laat het schilderij Sterrennacht zien.
127
-
795
Kijken en bespreken
127
-
796
Stel verkennende vragen:
127
-
797
Wat zie je allemaal in dit schilderij?
127
-
798
Waar zie je sterren?
127
-
799
Welke kleuren zie je?
127
-
800
Wat valt je op aan de lucht?
127
-
801
Voelt het schilderij rustig of beweeglijk?
127
-
802
Laat kinderen reageren op vorm en kleur:
127
-
803
Zien de sterren eruit als stipjes?
127
-
804
Wat gebeurt er met de lucht? Draait die een beetje?
127
-
805
Bespreek dat Vincent van Gogh beweging in de sterren heeft gemaakt. Vraag:
127
-
806
Zou het er in het echt zo uitzien, of heeft hij iets verzonnen?
127
-
807
Wat vind jij mooi of bijzonder aan dit schilderij?
127
-
808
Donderdag - Kunstbeschouwing - Sterrennacht Vincent van Gogh
128
-
809
ctiviteit:
128
-
810
Laat de kinderen op donkerblauw papier hun eigen sterrenlucht maken, geïnspireerd op Van Gogh:
128
-
811
Ze mogen draaien, krullen, strepen of spiralen maken in de lucht.
128
-
812
Daarna maken ze hun sterren: stippen, rondjes of sterren met vijf punten – alles mag.
128
-
813
De maan mag ook: geel, groot, klein, half of rond.
128
-
814
Afsluiting:
128
-
815
Laat de kinderen hun kunstwerk presenteren aan elkaar:
128
-
816
Wat zie je in jouw sterrenlucht?
128
-
817
Heb je ook iets van Van Gogh gebruikt?
128
-
818
Wat maakt jouw sterrenhemel bijzonder?
128
-
819
Begeleidingssuggesties:
128
-
820
Stimuleer woorden als: sterren, krullen, draaien, donker, licht, rustig, wild, voelen, schilderen
128
-
821
Herhaal dat kunst persoonlijk is: het mag echt lijken, maar dat hoeft niet
128
-
822
Leg uit dat Van Gogh zijn eigen ideeën gebruikte, en dat kinderen dat ook mogen
128
-
823
Wees open en positief in het ontvangen van meningen: Wat mooi dat jij dat zo ziet!
128
-
824
Vrijdag
129
-
825
Doel van de les: Leerlingen leren over de acht planeten in het zonnestelsel en hun bewegingen door middel van spel en dans. Benodigdheden: - 1 hoepel per leerling - 1 gele hoepel of een hoepel versierd als zon
129
-
826
Voorbereiding: - Houd een gele hoepel apart of versier een hoepel als zon. - Bekijk de namen van de acht planeten nog eens goed. - Zorg dat je de namen van de planeten op een briefje bij de hand hebt.
129
-
827
Introductie (10 minuten): - Vraag aan de leerlingen in welke plaats wij wonen en op welke planeet Nederland ligt. - Bespreek kort de namen van de acht planeten in ons zonnestelsel en leg uit dat de zon en de maan geen planeten zijn.
129
-
828
Planetenspel (15 minuten): - Verspreid de hoepels door de ruimte en leg de gele hoepel in het midden neer als de zon. - Vertel de leerlingen dat ze in dit spel raketten zijn en van de ene planeet naar de andere planeet vliegen. - Noem verschillende namen en als de leerlingen de naam van een planeet horen, mogen ze op een planeet landen. - Leerlingen mogen niet in de hoepel van de zon staan. Planetendans (10 minuten): - Laat de leerlingen in hun eigen hoepel staan en ga zelf in de centrale hoepel staan. - Geef opdrachten als "ga wijdbeens op je planeet staan" en "ga naast je planeet staan". - Controleer of de leerlingen het goed doen en herhaal de opdracht een paar keer.
129
-
829
Rondje om je eigen planeet (5 minuten): - Leg uit dat planeten om de zon draaien, maar ook om hun eigen as. - Laat de leerlingen hun planeet als een wiel om de zon rollen en deze voor zich rondspinnen. - Bespreek nogmaals welke planeten er zijn en waar ze omheen draaien.
129
-
830
Vrijdag
130
-
831
Nabespreking (5 minuten): - Vraag de leerlingen welke planeten ze hebben geleerd en wat ze hebben geleerd over de bewegingen van planeten.
130
-
832
Evaluatie: - Beoordeel of de leerlingen de namen van de planeten hebben onthouden. - Beoordeel of de leerlingen de bewegingen van planeten hebben begrepen. Tips voor differentiatie: - Geef de namen van de planeten in een andere taal en laat de leerlingen de vertalingen opzoeken. - Laat de leerlingen een tekening maken van het zonnestelsel met de planeten en hun bewegingen erbij.
130
-
833
Vrijdag - muziekles
131
-
834
Nederlandse tekst: Twinkel twinkel kleine ster Ik zie jou al van heel ver Met jouw stralen zij aan zij maak jij alle mensen blij Twinkel twinkel mooie ster Ik zie jou al van heel ver Twinkel twinkel kleine ster Ik zie jou al van heel ver Met jouw stralen zij aan zij maak jij alle mensen blij Twinkel twinkel mooie ster Ik zie jou al van heel ver
131
-
835
LESSUGGESTIES Evelien Jagtman Een ster voor iedereen
132
-
EEN STER VOOR IEDEREEN
132
-
Sterrenspelletjes
132
-
836
Sterrenbeelden
133
-
837
Twinkel, twinkel, kleine ster
133
-
838
Sterrenhemel
133
-
839
Glinsterende sterren
133
-
840
Sterren vangen
134
-
841
Stralende sterren
134
-
842
Vormen voelen
134
-
843
Licht vangen
134
-
844
Sterren van kralen
134
-
845
Op zoek naar de poolster Knip zeventien vierkante kaartjes uit stevig papier. Teken op de achterkant van elk kaartje een ster. Schrijf letters of getallen of teken vormen in de sterren. Zorg dat je elke letter, getal of vorm twee keer maakt. Op het laatste kaartje teken je een grote gele ster, de poolster. Hier is er maar één van. Speel het spel ‘Op zoek naar de poolster’ met twee tot vier kinderen. Deel de kaartjes uit. Om de beurt trekken de kinderen een kaart bij hun linkerbuur en voegen deze bij hun eigen kaarten. Ontstaat er een paar, dan leggen ze deze kaarten voor zich. Uiteindelijk blijft de poolster over. Wie heeft hem? Dit is de winnaar!
135
-
846
Dag en nacht Vraag dekinderen wat er in de lucht te zien is. Wat zie je overdag en wat zie je ’s nachts? Ga daarna naar de speelzaal of naar buiten. Noem iets wat de kinderen hebben genoemd en laat ze dit uitbeelden. Suggesties: vliegtuig, luchtballon, maan, zon, sterren, poolster, parachute, bromvlieg, vlinder, veer, ufo, superman, uil, roofvogel, eenhoorn, vleermuis, ballon. Variatie: geef één kind een keukenrol. Hij is sterrenkundige en krijgt de telescoop (keukenrol). Vertel de kinderen wat ze uit moeten beelden. Ze beelden dit als standbeeld uit en staan zo stil mogelijk. De sterrenkundige bekijkt de kinderen door zijn telescoop. Hij houdt deze voor het ene oog en zijn andere oog blijft gesloten. Als hij ziet dat een kind beweegt, is dit kind af. Staat het stil, dan kijkt hij verder. Kinderen die zien dat ze niet bekeken worden, kunnen stiekem even bewegen. Wanneer jij een volgende opdracht geeft, stopt de sterrenkundige met kijken en mogen de kinderen bewegen.
135
-
847
Blind voelen Knip een aantal sterren, verschillend in grootte, uit stevig papier of karton of gebruik ‘glow in the dark’-sterren die verschillen in grootte. Hang de sterren in willekeurige volgorde aan een waslijn. Geef een kind de opdracht de sterren van klein naar groot aan de lijn te hangen.
135
-
848
Spelsuggesties geschreven door Karin Blankert en Anke van Boxmeer
135
-
849
Week 5 ruimte wezens
136
-
850
Week 6 raketten
137
-
851
Week 7 astronauten
138
-
852
Week 8 de aarde
139