ROMEINSE PERIODE
• OUD-ROMEINSE PERIODE
• ROME IS PRIMITIEF
• DE INSTELLINGEN
• PRIMITIEVE RECHTSBRONNEN
• PRIMITIEVE PROCEDURE
• VOOR-KLASSIEKE PERIODE
• ROME WORDT WERELDRIJK
• GEVOLG 1: AANPASSING INSTELLINGEN
• GEVOLG 2: AANPASSING RECHTSBRONNEN DOOR PRAETOR
• GEVOLG 3: AANPASSING PROCEDURE
• KLASSIEKE PERIODE
• ROME KRIJGT EEN KEIZER
• GEVOLGEN VOOR DE INSTELLINGEN
• GEVOLGEN VOOR DE RECHTSBRONNEN
• GEVOLGEN VOOR DE PROCEDURE
• NA-KLASSIEKE PERIODE
• VERVAL ROME+GROTERE MACHT KEIZER
• GEVOLGEN VOOR DE INSTELLINGEN
• GEVOLGEN VOOR DE RECHTSBRONNEN
• GEVOLGEN VOOR DE PROCEDURE
• JUSTINIANUS
• WIE
• CORPUS IURIS CIVILIS EN DELEN
• IMPACT
OUD-ROMEINSE PERIODE (753 v.C. – ca. 250 v.C.)
Officiële beginperiode: 753 v.C. (traditionele stichting Rome, historisch betwist).
Evolutie van stadstaat naar heerser over Italië, maar maatschappij blijft primitief.
o Primitief karakter zichtbaar in instellingen, rechtsbronnen en procedure.
Kaart: Rome is eerst gewoon dat bolletje en tegen einde van deze periode is romeins
grondgebied bijna volledig Italië, (behalve het noorden en eilanden)
Rome is primitief
Familia = kernstructuur:
o Omvat niet enkel familie, maar ook grond, gebouwen, vee en werktuigen.
o Staat onder het gezag vd pater familias.
o Pater familias = intern absoluut gezag → teken van primitieve SL
Voorbeeld uit het recht (schuldenrecht):
o Wanbetaling leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid.
o SA kan w opgesloten, verkocht (transtiberim) of gedood.
o Illustreert het gewelddadige en archaïsche karakter van het recht
Instellingen
a. in de Koningstijd (voor 510 v.C.)
Koning en de 3 standen
, Koning = opperste machthebber: Bestuurder, rechter en opperpriester.
o Macht begrensd door autonomie van de pater familias.
3 Sociale standen:
o Patriciërs: toplaag, aristocratie, grootgrondbezitters.
o Plebejers: vrije burgers, niet afhankelijk van patriciërs.
o Clientes: afhankelijke personen onder bescherming van patriciër (politiek
belang: clientes gaan stemmen zoals de patriciers)
Hebben geen grond of interessant beroep bescherming nodig
o (Slaven: geen personen maar zaken)
b. in de Republiek (na 510 v.C.)
Macht verschuift van koning instellingen.
2strijd tussen patriciërs – plebejers (strijd om politieke macht)
Senaat
Politiek zwaartepunt (maar maakt geen wetten).
Kenmerken:
o Voor het leven benoemd (door censor)
o Meestal oud-magistraten.
o Heeft de financiële macht.
Amerikaans senaat past goed bij Romeins senaat
o Golfje staat voor gelijkenis (zie foto)
Volksvergaderingen
Comitia (patriciërs + plebejers) en concilium plebis (enkel plebejers).
Maken wetten, maar:
o Geen initiatiefrecht magistraten doen voorstellen (zij moeten gewoon
toestemmen of weigeren) = dus de facto niet veel macht
+ Worden samengeroepen door magistraten (kunnen niet ambtshalve)
o Stemgewicht in voordeel van rijken.
o Praktisch ondemocratisch door groei van Rome
Door groei geraakte niet ied op de vergaderingen (weinig transport
toen)
Magistraten
Geen rechters, maar door het volk verkozen politieke ambtsdragers
o Zorgen voor dagdagelijkse regeling
o Jaarlijks mandaat, meestal collegiaal (met 2 voor 1 functie, zodat geen
almacht ontstaat)
o Het kost geld om verkozen te worden
o Geen specialisten want is een carrière pad (gaan van ene functie nr
andere)
Belangrijkste magistraten:
o Priesters: religieuze én juridische taken.
o Consuls: politieke en militaire leiders (zijn met 2) belangrijkste !
Het jaar wordt telkens genoemd naar de consul
o Praetor: verantwoordelijk voor het recht (geen rechter, wel ≈ MvJ)
o Censor: toezicht op moraal + benoemt leden senaat (5j)
Is hiervoor al consul geweest = dus vaak oude mensen
, oAedielen: marktmagistraat voor marktgeschillen.
oQuaestors: financiën.
oVolkstribunen: bescherming plebejers tegen patriciers (want aanvankelijk
magistraten = patriciers), vetorecht
Opgelet: nog vele andere lagere magistraten (dit waren enkel de top)
Primitieve rechtsbronnen
Gewoonte: belangrijkste bron.
Wetgeving:
o Wet der XII Tafelen (± 450 v.C.):
Ontstaan uit plebejische eis tot geschreven recht (want plebejers
werden in het zak gezet door patriciers’ magistraten)
Zeer primitieve inhoud.
Grote historische invloed op grondwet VS
Andere wetgeving:
o Leges: wetten van comitia (voor iedereen)
o Plebiscita: besluiten concilium plebis (oorspronkelijk enkel plebejers)
o Lex Hortensia (287 v.C.):
Plebiscita krijgen kracht van wet voor alle burgers
Andere bronnen van recht: minder belangrijk rol priesters
Procedure
a. Evolutie
Eigenrichting = wraak (prehistorisch)
Godsoordeel = primitieve procesvorm (vroegste fase)
o Rechter vroeg aan de goden wie er gelijk had niet zo goed systeem dus
Legis actio: eerste echte procesvorm.
b. Legis actio
Actio = wettelijk vastgelegd ritueel om proces te starten
o Openbaar uitgevoerd op de markt (geen gerechtsgebouw) om aan anderen te
tonen dat je proces start primitief karakter
Praetor wijst vervolgens een rechter aan (want praetor ≠ rechter)
Kenmerken:
o Geseculariseerd: geen godsoordeel, rationele bewijsvoering.
- Al 1 element dat niet meer primitief is!
o Zeer plechtig: absolute vormvereisten voor de actio (moest perfect zijn)
o Enkel voor Romeinse burgers (wel ommeweg mogelijk voor vreemdeling via
patricier, als client zijnde)
o Twee fasen proces:
1. Voor de praetor op de markt (actio)
2. Voor de rechter (iudex) aangewezen door praetor
BEGRIP ACTIO !!! (examenvraag)
1. In legis actio: ritueel om procedure te starten.
2. Later: rechtsmiddel/ toegang tot de rechter.
3. Uiteindelijk: vordering (de eis zelf)
, VOOR-KLASSIEKE PERIODE (ca. 250 v.C. – ca. 0)
• ROME WORDT WERELDRIJK
• GEVOLG 1: AANPASSING INSTELLINGEN
• GEVOLG 2: AANPASSING RECHTSBRONNEN DOOR PRAETOR
• GEVOLG 3: AANPASSING PROCEDURE
Rome wordt wereldrijk
Oud-Romeinse tijd: Rome primitief → recht primitief.
Voor-klassieke periode: Rome groeit → recht groeit mee.
Rome breidt uit rond de Middellandse Zee en wordt een wereldrijk
Gevolg: Macht concentreert zich bij senaat en magistraten (vooral praetor) volk
Door de expansie: nood aan aanpassingen
Gevolg 1: Aanpassing van de instellingen
a. In Rome
242 v.C.: tweede praetor erbij
o Praetor urbanus: slecht geschillen tussen Romeinen.
o Praetor peregrinus: geschillen met vreemdelingen
Meest progressief en creatief door contact met andere volkeren.
Gelijkschakeling Italië – Rome
o Inwoners van Italië krijgen Romeins burgerschap
b. In de provincies
Bestuur door provinciegouverneur (ex-praetor of ex-consul)
Minder controle vanuit Rome door senaat → risico op machtsmisbruik door
gouverneur
Praktische problemen voor oude instellingen
o Volksvergadering: te veel mensen, te verre verplaatsingen
o Censor: moeilijk toezicht te houden op goede zeden
Verval van oudere instellingen
Gevolg 2: Aanpassing van de rechtsbronnen
a. Afname traditionele bronnen
Gewoonte: verliest belang (past bij stabiele maatschappij)
Wetgeving: onvoldoende aangepast aan snel veranderende realiteit (gebeurde door
volksvergadering, maar werkten niet meer)
b. Magistratenrecht (praetor)
Praetor maakt recht via toekennen of weigeren vn actio = rechtsmiddel 2de
betekenis
Reactie op vraag naar actio ogv WET of GEWOONTE
Praetor moet kijken als de actio in gewoonte of wet staat, zoja? Toekennen, zonee?
Niet
o Actio toestaan
o Actio toestaan met exceptio (als die uitz. in de wet staat)
o Actio weigeren
MAAR: Soms tegen wet of gewoonte in