• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 49 pages
Summary

Samenvatting: Biomedisch kader (17/20 behaald)| Karel de Grote | 2026/27

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 49 pages

Uitgebreide samenvatting van Biomedisch kader waarin alle PowerPointslides, extra notities en de volledige cursus zijn samengevoegd tot één duidelijk document van 49 pagina's. Alle belangrijke begrippen en afbeeldingen zijn erin verwerkt. Dankzij deze samenvatting behaalde ik zelf 17/20 op het examen.

Content preview

OMoARcPSD|61903294




Samenvatting Biomedisch kader
Deel 1: Celleer
Hoofdstuk 1: Bouw en functie van de cel (dierlijke cel: geen celwand)
= alle organismen bestaan uit cellen
Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen de cellen
- Alle cellen bestaan uit een begrenzing ofwel celmembraan en een gleiachtige inhoud (hier zitten
nucleïnezuren = stoffen die bepalen wat cel kan en doet)  het DNA (desoxyribonucleïnezuur)



Bouw
= Er bestaan eencellige organismen (vb. bacteriën) maar meeste cellen zijn onderdeel van meercellig organisme.
- Cellen met dezelfde vorm + functie = liggen in weefsel
- Meeste organismen hebben organen = voeren speciale taken uit  bestaan uit weefssels
 Bij ingewikkelde opgebouwde organismen (mens) zijn organen verbonden aan
organenstelsel (maagdarmstelsel, zenuwstelsel, hormoonstelsel)
- Ook bevatten cellen, organellen  moleculen  atomen




Celschema
- Cellen = hebben algemeen bouwplan, met verschillen  komt doordat elke cel zijn eigen functie heeft
- Cellen hebben cytoplasma dat omgeven is door celmembraan
 Cytoplasma heeft = grondplasma + organellen (celkern, mitochondriën..)
 Grondplasma heeft = gleiachtige vloeistof + eiwitten, vetten, suikers en mineralen



Celorganellen en hun functies:
 Celorganellen = onderdelen van de cel:

1. Nucleolus (kernlichaam)
2. Nucleus (celkern)
3. Ribosomen
4. Blaasje
5. Ruw endoplasmatisch reticulum (rER) -> met bolletjes
6. Golgi-apparaat -> opruimers van de cel (fabriek die stoffen opvat in blaasjes, stoffen
kunnen
7. Microtubulus = cystoskelet -> draden die de vorm van de cel behouden en de
buitenkant om de cel te laten bewegen.
8. Glad endoplasmatisch reticulum (gER) = zonder bolletjes
9. Mitochondriën
10. /
11. Cytoplasma
12. Lysosoom = verteringsblaasjes, om dingen te vernietigen.
13. Centriool = cellen die delen

, lOMoARcPSD|61903294




1) Celkern
 Alle Eukaryote cellen hebben celkern
- Celkern heeft chromosomen = worden gekopieerd en aan dochtercellen doorgegeven + zijn verantwoordelijk
voor erfelijke eigenschappen va organisme
- Chromosomen = heeft DNA en eiwitten
- Als cel niet deelt  zijn het lange dunne draden (chromatine)
- In kern is er een nucleolus (kernlichaam) = maakt ribosomen aan
- Rond kernplasma zit kernmembraan = hier zitten gaatjes in

2) Mitochondriën = hebben grondstoffen voor ATP (ADP + P)
- In eukaryote cellen wordt energie uit voedsel omgezet naar ATP
 ATP moleculen = worden gemaakt in mitochondriën die bestaan uit
dubbelmembraan, grondplasma, DNA en enzymen
 Enzymen = gaat energie uit voedsel omzetten in ATP



3) Ribosomen en ER
− Info uit celkern vertaald in cytoplasma: ribosomen vertalen info uit celkern in eiwitten
− Ribosomen = kluwen van eiwitketens die oprollen in een klein bolletje (geen membraan)
− Endoplasmatisch reticulum = in het cytoplasma ribosomen als losse bolletjes gebonden aan een systeem van
membranen (functie: transport van stoffen binnen cel)
o Ruw ER: deel van eiwitsynthese in een cel, aan het ER oppervlak = met bolletjes = veel ribosomen
o Glad ER: weinig ribosomen maar veel enzymen, associatie aangaan met een membraan

4) Golgi-systeem en lysosomen
 Golgi-appartaat = een organel dat bestaat uit op elkaar gestapelde
membranen waaruit door afsnoering blaasjes kunnen ontstaan.
- Er worden stoffen bewerkt en opgeslagen
- Er zijn veel enzymen aanwezig
-> functie: stoffen afkomstig van ER bewerken en opgeslagen, voor transport
(exocytose) worden blaasjes gebruikt

 Lysosomen of opruimers = blaasjes met enzymen die stoffen kunnen
afbreken
-> functie: versmelten met voedselvacuolen of inhoud buiten cel afgeven via exocytose

5) Cytoskelet
− Cel = krijgt vorm en bewegelijkheid door eiwitdraden die aan de celmembraan en de celorganellen vastzitten
 De eiwitdraden maken het mogelijk om sommige cellen heel lang te maken

6) Vacuole
 Vacuole = is een, door een membraan omgeven, ruimte in de cel waarbinnen vocht ligt opgeslagen met
allerlei opgeloste stoffen (kleurstoffe, afvalstoffen..)
- Is een met vocht gevuld blaasje, omgeven door vacuolemembraan en dat zich in het cytoplasma van een cel
bevindt (reserve-, kleur- en afvalstoffen)
− Dierlijke cellen = geen of weinig kleine vacuolen (enkel eencellige diertjes) + plantaardige cellen = meerdere
kleine vacuolen  nemen water op en verenigen zich later tot één grote vacuole.

, OMoARcPSD|61903294




Functie van de cellen
= ons lichaam heeft verschillende typen cellen. Al die cellen hebben een manier om aan energie te komen. Zo een cel
is vaak te lezen aan uiterlijk (uitstulping dient om te zwemmen).
Dit zijn de soorten cellen:




Hoofdstuk 2: Celmembraan
Celmembraan = vormt grens tussen cytoplasma (binnenkant van de cel) en de buitenwereld
 er zijn voortdurende uitwisseling van stoffen tussen grondplasma en omgeving + het houden ook
stoffen tegen.
 Cellen staan via celmembraan in contact met andere cellen en reageren op elkaar
 Er zitten veel eiwitten die lichaamseigen en lichaamsvreemd onderscheiden



Dubbele fosfolipidenlaag
 Fosfolipiden = glycerolmolecuul met twee vetzuren + fosfaatgroep + aminozuur (choline)
 Alle membranen in de cel hebben een dubbele fosfolipiden laag
- De choline en fosfaat = hydrofiel (ze gaan water aantrekken en vet afstoten)
- De vetzuren = hydrofoob (water afstoten en vet aantrekken)



Membraaneiwitten
= sommigen eiwitten lopen door dubbele fosfolipiden laag en andere zitten er gedeeltelijk in of zijn verbonden aan
binnen/buitenkant

De eiwitten hebben verschillende functies:

1) Receptoreiwitten (ontvangers) = Ze herkennen en binden specifieke stoffen van buiten de cel (hormonen)
 zo verandert de werking van de cel

, lOMoARcPSD|61903294




2) Kanaaleiwitten: vormen openingen zodat water, ionen en andere
opgeloste stoffen door membraan kunnen. Het verloopt passief = stoffen
volgens hun concentratie vb. verplaatsing calciumionen = noodzakelijk voor
spiersamentrekking


3) Dragereiwitten of ionenpompen: binden zich aan opgeloste stoffen en
vervoeren deze door het plasmamembraan heen (natrium, kalium, calcium
en magnesium)
 Vaak ATP (energie) voor nodig

4) Herkenningseiwitten: maken aan het immuunsysteem kenbaar of de cel al dan niet lichaamseigen is en of
deze afwijkend of gezond is

Celmembraan is uitgebouwd uit:
− Lipiden = vetten (dubbele laag) = barrière
− Eiwitten: transport (drager + kanaal), receptor (= hormonen), herkenning (= scanners)
− Suikers = koolhydraten, om de cel snel van suiker te voorzien

Wanneer gebruikt cel kanalen/dragers voor ionen?
- kleine ionen die snel en passief door membraan moeten  via kanaaleiwitten
- ionen die tegen hun gradiënt in verplaatst moeten worden of die energie kosten  via dragereiwitten
- grotere moleculen  via dragereiwitten

Transportfunctie van het celmembraan
 Doorlaatbaarheid of permeabiliteit: bepaalt welke stoffen het cytoplasma in- of uitgaan (bepaalt door de
omvang, elektrische lading, vorm van het molecuul en oplosbaarheid in vet)
− Impermeabel = er kan niets door een membraan
− Volledig permeabel = alle stoffen passeren de membraan zonder problemen
− Selectief permeabel of semi-permeabel = sommige stoffen passeren vrij, andere worden tegengehouden
-> zo zijn celmembranen

Hypertoon = vb. veel zouten buiten de cel, water gaat naar buiten en de cel verschrompelt, sterft af
Hypotoon = vb. veel zouten binnen de cel, water gaat naar binnen bewegen en de cellen zwellen op, springen stuk

Passief ionen en moleculen door plasmamembraan zonder dat dit energie kost
transport: de netto verplaatsing van moleculen van een plaats
− Diffusie = met
een relatief hoge concentratie (veel botsingen)
naar een gebied met een relatief lage concentratie (minder
botsingen) (bergafwaarts, er is een concentratieverschil tussen hoog
en laag) -> suikerdeeltjes verplaatsen (vb. suikerklontje) o Gevolg:
moleculen gelijkmatig verdeeld en concentratieverschil opgeheven
− Osmose = de diffuse van water door een semi-permeabel membraan -> water verplaatst o Hoe hoger de
concentratie opgeloste deeltjes, hoe lager de concentratie water

Table of contents

  1. 01 Deel 1: Celleer 1
    1. Hoofdstuk 1: Bouw en functie van de cel (dierlijke cel: geen celwand) 1
    2. Hoofdstuk 2: Celmembraan 3
    3. Hoofdstuk 3: Erfelijk materiaal in de kern 5
    4. Hoofdstuk 4: Celdeling: mitose en meiose (kern belangrijke rol) 6
    5. Hoofdstuk 1: Erfelijkheidsmateriaal 11
    6. Hoofdstuk 2: Erfelijke aandoeningen 12
  2. 02 Deel 3: Het zenuwstelsel 13
    1. Hoofdstuk 1: Indeling van het zenuwstelsel 13
    2. Hoofdstuk 2: Ontwikkeling van het zenuwstelsel 13
    3. Hoofdstuk 3: Bouw van het zenuwstelsel 14
    4. Hoofdstuk 4: Functie en werking van het zenuwstelsel 18
    5. Hoofdstuk 5: Prikkeloverdracht 18
    6. Hoofdstuk 6: Neurologische aandoeningen 19
  3. 03 Deel 4: Hormoonstelsel 22
    1. Hoofdstuk 1: Functie van de hormonen 22
    2. Hoofdstuk 2: Werking van hormonen 22
    3. Hoofdstuk 5: De regelkringen 26
    4. Hoofdstuk 6: Aandoeningen 26
  4. 04 5: Zintuigen: Het oog 29
    1. Hoofdstuk 1: Bouw van het oog 29
    2. Hoofdstuk 2: Werking van het oog 31
    3. Hoofdstuk 3: Oogaandoeningen 32
  5. 05 Deel 5: Zintuigen: Het oor 34
    1. Hoofdstuk 1: Bouw van het oor 34
    2. Hoofdstuk 2: Functie en werking van het oor 35
    3. Hoofdstuk 3: Gehoorafwijkingen 36
  6. 06 Deel 6: Omgaan met medicatie 38
    1. Hoofdstuk 1: Medicatie: definitie, oorsprong en indeling 38
    2. Hoofdstuk 2: Farmacokinetiek 39
    3. Hoofdstuk 3: Farmacodynamiek 42
    4. Hoofdstuk 4: farmaceutische begrippen 43
    5. Hoofdstuk 5: Nevenwerkingen en gevaren van geneesmiddelen 45
    6. Hoofdstuk 6: Beïnvloedende factoren van geneesmiddelen 46
    7. Hoofdstuk 7: toedieningswijzen 47
    8. Hoofdstuk 8: Therapietrouw 48
    9. Hoofdstuk 9: Verpakking en bewaren van geneesmiddelen 49

Document information

Study
Uploaded on
August 6, 2026
Number of pages
49
Written in
2026/2027
Type
Summary
$9.53

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
10
Followers
0
Items
9
Last sold
2 months ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions