Spaanse Grammatica: Werkwoorden en Tijden
Presente, pretérito, ser/estar & por/para
Dit document is een origineel geschreven samenvatting bedoeld als ondersteunend studiemateriaal bij het vak
Spaans (HAVO/VWO onderbouw en bovenbouw, niveau A2/B1). De inhoud behandelt algemeen aanvaarde
Spaanse grammaticaregels en is niet gebaseerd op één specifiek verplicht studieboek.
Inhoudsopgave
1. Regelmatige werkwoorden: presente de indicativo
2. Onregelmatige werkwoorden: ser, estar en tener
3. Ser versus estar
4. Pretérito indefinido (verleden tijd)
5. Pretérito imperfecto
6. Pretérito indefinido versus imperfecto
7. Futuro simple
8. Bezittelijke en persoonlijke voornaamwoorden
9. Por versus para
10. Ontkenningen en vraagwoorden
11. Begrippenlijst
12. Oefenvragen met antwoorden
, 1. Regelmatige werkwoorden: presente de indicativo
Spaanse werkwoorden worden ingedeeld in drie groepen op basis van hun infinitief-uitgang: -ar, -er
en -ir. Elke groep heeft een eigen vast vervoegingspatroon in de tegenwoordige tijd (presente).
Persoon -ar (hablar) -er (comer) -ir (vivir)
yo hablo como vivo
tú hablas comes vives
él/ella/usted habla come vive
nosotros hablamos comemos vivimos
vosotros habláis coméis vivís
ellos/ustedes hablan comen viven