ARTIKELS OSI
H2: GEDRAGSMODIFICATIE
Martin, G., & Pear, J. (2014). Behavioral modification: What it is and how to do it.
H10: Developing Behavioral Persistence with Schedules of Reinforcement
➢ Ratio Schedules
• Ratioschema's zijn gebaseerd op het aantal reacties dat een individu moet vertonen voordat er een
bekrachtiger wordt geleverd.
- Fixed-Ratio (FR): Bekrachtiging volgt na een vast aantal reacties. Dit leidt tot een hoog reactietempo,
vaak gevolgd door een post-reinforcement pause (een korte pauze direct na de beloning).
- Variable-Ratio (VR): De bekrachtiging varieert rond een gemiddeld aantal reacties. Dit schema
produceert de hoogste reactiesnelheid en is zeer goed bestand tegen uitdoving (denk aan gokken).
➢ Simple Interval Schedules
• Hierbij is bekrachtiging afhankelijk van de tijd die verstreken is, op voorwaarde dat er daarna een reactie volgt.
- Fixed-Interval (FI): De eerste reactie na een vaste tijdsperiode wordt bekrachtigd. Dit creëert
een "scallop"-patroon: weinig activiteit aan het begin van het interval en een snelle toename aan
het einde.
- Variable-Interval (VI): De tijd die moet verstrijken varieert. Dit zorgt voor een matig, maar
zeer constant reactietempo zonder duidelijke pauzes.
➢ Schedules with a Limited Hold
• Een Limited Hold stelt een deadline aan de beschikbaarheid van een bekrachtiger. Als de respons
niet binnen een bepaalde tijd na het openen van het "venster" plaatsvindt, vervalt de kans op beloning
voor dat interval of die ratio.
- Fixed-Interval (FI) met Limited Hold: Nadat het vaste tijdsinterval is verstreken, moet de
respons binnen een specifieke tijd plaatsvinden.
o Voorbeeld (FI 5 min / LH 10 sec): Na elke 5 minuten is een beloning beschikbaar, maar
je moet binnen 10 seconden reageren, anders begint de volgende cyclus van 5 minuten
zonder dat je iets krijgt.
- Variable-Interval (VI) met Limited Hold: Hetzelfde principe, maar de intervallen tussen de
vensters variëren. Dit creëert een nog hogere alertheid omdat je nooit weet wanneer het (korte)
venster open gaat.
o Voorbeeld: Het checken van een 'flash sale' op een website die op willekeurige
momenten verschijnt en slechts 2 minuten duurt.
- Fixed-Ratio (FR) met Limited Hold: Hoewel minder gebruikelijk in basis-tekstboeken,
betekent dit dat de vereiste hoeveelheid werk binnen een bepaalde tijdslimiet moet worden
voltooid.
o Voorbeeld: Je krijgt een bonus als je 50 producten inpakt (FR 50), maar alleen als je dit
binnen 30 minuten doet (LH 30 min).
➢ Duration Schedules
• Bij duration schema's moet het gedrag onafgebroken gedurende een bepaalde tijd worden vertoond
voordat er bekrachtiging volgt.
- Fixed-Duration (FD): De periode is constant (bijv. 10 minuten onafgebroken studeren voor een
pauze).
- Variable-Duration (VD): De vereiste duur varieert rond een gemiddelde. Dit wordt vaak
gebruikt om concentratie of volhoudingsvermogen op te bouwen.
1
,➢ Overview of Six Commonly Used Intermittent Reinforcement Schedules for Increasing and
Maintaining Behavior
• Deze tabel vat de effecten samen van de meest gebruikte schema's:
Schema Kenmerk Reactiepatroon Weerstand tegen uitdoving
FR Vast aantal Hoog tempo, pauze na beloning Gemiddeld
VR Variabel aantal Zeer hoog tempo, geen pauzes Zeer hoog
FI Vaste tijd "Scallop" patroon (toename aan eind) Laag tot gemiddeld
VI Variabele tijd Stabiel, matig tempo Hoog
FD Vaste duur Constant gedrag over tijd Gemiddeld
VD Variabele duur Constant gedrag over tijd Hoog
➢ Effects of Intermittent Reinforcement with Animals versus Humans
• Hoewel de basisprincipes hetzelfde zijn, reageren mensen soms anders door verbale regels:
- Mensen kunnen instructies volgen ("Wacht 30 seconden") die hun gedrag beïnvloeden, waardoor
de typische patronen (zoals de FI-scallop) soms minder duidelijk zijn dan bij dieren.
- Mensen maken gebruik van interne 'self-talk', wat kan fungeren als een eigen vorm van
bekrachtiging of timing.
➢ Concurrent Schedules of Reinforcement
• In het echte leven zijn er vaak meerdere schema's tegelijkertijd beschikbaar. Mensen maken keuzes op
basis van:
1. De frequentie van bekrachtiging
2. De directheid (hoe snel volgt de beloning?)
3. De grootte van de bekrachtiger
4. De vereiste inspanning
• Matching Law: De verdeling van gedrag over verschillende opties komt vaak exact overeen met de
verhouding van de bekrachtiging die elke optie oplevert.
➢ Pitfalls of Intermittent Reinforcement
• Inconsistentie: Ouders bekrachtigen ongewenst gedrag soms onbedoeld intermitterend (bijv. 9 van de
10 keer "nee" zeggen tegen zeuren, maar de 10e keer toegeven). Dit maakt het zeuren extreem
persistent.
• Ratio Strain: Als de stap naar een hoger schema te groot is (bijv. van elke keer belonen naar 1 op de
100 keer), kan het gedrag simpelweg stoppen.
➢ Guidelines for the Effective Application of Intermittent Reinforcement
1. Kies een geschikt schema: Gebruik continue bekrachtiging voor het aanleren, en intermitterend voor
onderhoud.
2. Kies een effectieve bekrachtiger: Zorg dat de beloning sterk genoeg is.
3. Start klein: Begin bij ratio-schema's met een klein aantal reacties.
4. Verhoog geleidelijk: Bouw de frequentie van bekrachtiging langzaam af ("thinning").
5. Communiceer de regels: Vertel de persoon (indien mogelijk) wat de nieuwe verwachtingen zijn.
➢ Summary of Chapter 10
• Hoofdstuk 10 benadrukt dat hoe en wanneer je bekrachtigt vaak belangrijker is dan de bekrachtiger zelf.
Om gedrag te laten voortbestaan (persistentie), moet men overstappen van een continu schema naar een
intermitterend schema. Door slim gebruik te maken van ratio-, interval- en duration-schema's, kunnen
gedragsdeskundigen stabiel en duurzaam gedrag creëren dat bestand is tegen moeilijke omstandigheden.
2
, H11: Responding at the Right Time and Place: Stimulus Discrimination and Stimulus Generalization
➢ Learning to Respond at the Right Time and Place
• Dit hoofdstuk behandelt hoe gedrag onder controle komt te staan van de omgeving. Het gaat niet alleen
om het aanleren van de handeling zelf, maar om het herkennen van de juiste context. Wanneer gedrag
optreedt in de aanwezigheid van bepaalde stimuli en niet in andere, zeggen we dat er sprake is van
stimuluscontrole.
➢ Controlling Stimuli of Operant Behaviour
• Gedrag wordt beïnvloed door stimuli die eraan voorafgaan (antecedenten).
- SD (Discriminative Stimulus): Een signaal dat een specifieke respons zal worden bekrachtigd.
- S (Stimulus Delta): Een signaal dat een specifieke respons op dat moment niet zal worden
bekrachtigd (extinctie).
• Het proces waarbij de SD of S de kans op gedrag beïnvloedt, is de kern van operante stimuluscontrole.
➢ Operant Stimulus Discrimination
• Dit is het proces waarbij een individu leert om specifiek te reageren op de SD en de reactie te
onderdrukken bij de S
- Stimulus Discrimination Training: De procedure waarbij men gedrag bekrachtigt in
aanwezigheid van de SD en het gedrag negeert (niet bekrachtigt) in aanwezigheid van de S. Na
verloop van tijd "controleert" de SD het gedrag.
➢ Operant Stimulus Generalization
• Dit is het tegenovergestelde van discriminatie. Het treedt op wanneer een individu reageert op een
nieuwe stimulus op dezelfde manier als op de oorspronkelijke SD, omdat deze stimuli op elkaar lijken.
- Stimulus Common-Element Class: Een groep stimuli die fysieke kenmerken delen (bijv. alle
ronde objecten). Dit vormt de basis voor het aanleren van concepten.
- Stimulus Equivalence Class: Een groep stimuli die fysiek niet op elkaar lijken, maar wel
dezelfde betekenis hebben (bijv. het cijfer "3", drie stippen en het woord "drie").
➢ Factors Influencing the Effectiveness of Operant Stimulus Discrimination Training
• Om de training te optimaliseren, moet je letten op:
1. Kiezen van duidelijke signalen: De SD en S moeten goed herkenbaar zijn.
2. Minimaliseren van fouten: Gebruik technieken zoals instructies of fysieke hulp om te voorkomen dat
de leerling foutieve reacties aanleert.
3. Aantal herhalingen: Voldoende oefening is nodig om de stimuluscontrole te versterken.
4. Gebruik van verbale regels: Mensen leren sneller als de contingentie (de regel) wordt uitgelegd.
➢ Pitfalls of Operant Stimulus Discrimination Training
• De belangrijkste valkuil is de onbedoelde bekrachtiging van gedrag in de verkeerde context.
- Bijvoorbeeld: Een kind krijgt aandacht van zijn ouders als hij scheldt bij zijn vriendjes (SD), maar
doet dit per ongeluk ook bij zijn grootouders (generalisatie). Als de grootouders erom lachen,
wordt het ongewenste gedrag onder een te brede stimuluscontrole geplaatst.
➢ Guidelines for Effective Operant Stimulus Discrimination Training
1. Kies duidelijke antecedenten: Zorg voor een scherp contrast tussen wanneer gedrag wel en niet
gewenst is.
2. Begin met opvallende stimuli: Maak de SD in het begin extra duidelijk.
3. Bekrachtig consequent: Zorg dat de beloning alleen volgt op de SD.
4. Bouw hulp af: Als je extra aanwijzingen (prompts) gebruikt, bouw deze dan geleidelijk af zodat de
natuurlijke stimulus de controle overneemt.
➢ Summary Chapter 11
• Hoofdstuk 11 laat zien dat effectief gedrag afhankelijk is van de situatie. Succesvolle gedragsmodificatie
zorgt ervoor dat de leerling leert wanneer een respons loont (discriminatie) en hoe deze kennis kan
worden toegepast op vergelijkbare situaties (generalisatie), terwijl foutieve patronen worden
geminimaliseerd door een zorgvuldige opbouw van stimuli.
3
H2: GEDRAGSMODIFICATIE
Martin, G., & Pear, J. (2014). Behavioral modification: What it is and how to do it.
H10: Developing Behavioral Persistence with Schedules of Reinforcement
➢ Ratio Schedules
• Ratioschema's zijn gebaseerd op het aantal reacties dat een individu moet vertonen voordat er een
bekrachtiger wordt geleverd.
- Fixed-Ratio (FR): Bekrachtiging volgt na een vast aantal reacties. Dit leidt tot een hoog reactietempo,
vaak gevolgd door een post-reinforcement pause (een korte pauze direct na de beloning).
- Variable-Ratio (VR): De bekrachtiging varieert rond een gemiddeld aantal reacties. Dit schema
produceert de hoogste reactiesnelheid en is zeer goed bestand tegen uitdoving (denk aan gokken).
➢ Simple Interval Schedules
• Hierbij is bekrachtiging afhankelijk van de tijd die verstreken is, op voorwaarde dat er daarna een reactie volgt.
- Fixed-Interval (FI): De eerste reactie na een vaste tijdsperiode wordt bekrachtigd. Dit creëert
een "scallop"-patroon: weinig activiteit aan het begin van het interval en een snelle toename aan
het einde.
- Variable-Interval (VI): De tijd die moet verstrijken varieert. Dit zorgt voor een matig, maar
zeer constant reactietempo zonder duidelijke pauzes.
➢ Schedules with a Limited Hold
• Een Limited Hold stelt een deadline aan de beschikbaarheid van een bekrachtiger. Als de respons
niet binnen een bepaalde tijd na het openen van het "venster" plaatsvindt, vervalt de kans op beloning
voor dat interval of die ratio.
- Fixed-Interval (FI) met Limited Hold: Nadat het vaste tijdsinterval is verstreken, moet de
respons binnen een specifieke tijd plaatsvinden.
o Voorbeeld (FI 5 min / LH 10 sec): Na elke 5 minuten is een beloning beschikbaar, maar
je moet binnen 10 seconden reageren, anders begint de volgende cyclus van 5 minuten
zonder dat je iets krijgt.
- Variable-Interval (VI) met Limited Hold: Hetzelfde principe, maar de intervallen tussen de
vensters variëren. Dit creëert een nog hogere alertheid omdat je nooit weet wanneer het (korte)
venster open gaat.
o Voorbeeld: Het checken van een 'flash sale' op een website die op willekeurige
momenten verschijnt en slechts 2 minuten duurt.
- Fixed-Ratio (FR) met Limited Hold: Hoewel minder gebruikelijk in basis-tekstboeken,
betekent dit dat de vereiste hoeveelheid werk binnen een bepaalde tijdslimiet moet worden
voltooid.
o Voorbeeld: Je krijgt een bonus als je 50 producten inpakt (FR 50), maar alleen als je dit
binnen 30 minuten doet (LH 30 min).
➢ Duration Schedules
• Bij duration schema's moet het gedrag onafgebroken gedurende een bepaalde tijd worden vertoond
voordat er bekrachtiging volgt.
- Fixed-Duration (FD): De periode is constant (bijv. 10 minuten onafgebroken studeren voor een
pauze).
- Variable-Duration (VD): De vereiste duur varieert rond een gemiddelde. Dit wordt vaak
gebruikt om concentratie of volhoudingsvermogen op te bouwen.
1
,➢ Overview of Six Commonly Used Intermittent Reinforcement Schedules for Increasing and
Maintaining Behavior
• Deze tabel vat de effecten samen van de meest gebruikte schema's:
Schema Kenmerk Reactiepatroon Weerstand tegen uitdoving
FR Vast aantal Hoog tempo, pauze na beloning Gemiddeld
VR Variabel aantal Zeer hoog tempo, geen pauzes Zeer hoog
FI Vaste tijd "Scallop" patroon (toename aan eind) Laag tot gemiddeld
VI Variabele tijd Stabiel, matig tempo Hoog
FD Vaste duur Constant gedrag over tijd Gemiddeld
VD Variabele duur Constant gedrag over tijd Hoog
➢ Effects of Intermittent Reinforcement with Animals versus Humans
• Hoewel de basisprincipes hetzelfde zijn, reageren mensen soms anders door verbale regels:
- Mensen kunnen instructies volgen ("Wacht 30 seconden") die hun gedrag beïnvloeden, waardoor
de typische patronen (zoals de FI-scallop) soms minder duidelijk zijn dan bij dieren.
- Mensen maken gebruik van interne 'self-talk', wat kan fungeren als een eigen vorm van
bekrachtiging of timing.
➢ Concurrent Schedules of Reinforcement
• In het echte leven zijn er vaak meerdere schema's tegelijkertijd beschikbaar. Mensen maken keuzes op
basis van:
1. De frequentie van bekrachtiging
2. De directheid (hoe snel volgt de beloning?)
3. De grootte van de bekrachtiger
4. De vereiste inspanning
• Matching Law: De verdeling van gedrag over verschillende opties komt vaak exact overeen met de
verhouding van de bekrachtiging die elke optie oplevert.
➢ Pitfalls of Intermittent Reinforcement
• Inconsistentie: Ouders bekrachtigen ongewenst gedrag soms onbedoeld intermitterend (bijv. 9 van de
10 keer "nee" zeggen tegen zeuren, maar de 10e keer toegeven). Dit maakt het zeuren extreem
persistent.
• Ratio Strain: Als de stap naar een hoger schema te groot is (bijv. van elke keer belonen naar 1 op de
100 keer), kan het gedrag simpelweg stoppen.
➢ Guidelines for the Effective Application of Intermittent Reinforcement
1. Kies een geschikt schema: Gebruik continue bekrachtiging voor het aanleren, en intermitterend voor
onderhoud.
2. Kies een effectieve bekrachtiger: Zorg dat de beloning sterk genoeg is.
3. Start klein: Begin bij ratio-schema's met een klein aantal reacties.
4. Verhoog geleidelijk: Bouw de frequentie van bekrachtiging langzaam af ("thinning").
5. Communiceer de regels: Vertel de persoon (indien mogelijk) wat de nieuwe verwachtingen zijn.
➢ Summary of Chapter 10
• Hoofdstuk 10 benadrukt dat hoe en wanneer je bekrachtigt vaak belangrijker is dan de bekrachtiger zelf.
Om gedrag te laten voortbestaan (persistentie), moet men overstappen van een continu schema naar een
intermitterend schema. Door slim gebruik te maken van ratio-, interval- en duration-schema's, kunnen
gedragsdeskundigen stabiel en duurzaam gedrag creëren dat bestand is tegen moeilijke omstandigheden.
2
, H11: Responding at the Right Time and Place: Stimulus Discrimination and Stimulus Generalization
➢ Learning to Respond at the Right Time and Place
• Dit hoofdstuk behandelt hoe gedrag onder controle komt te staan van de omgeving. Het gaat niet alleen
om het aanleren van de handeling zelf, maar om het herkennen van de juiste context. Wanneer gedrag
optreedt in de aanwezigheid van bepaalde stimuli en niet in andere, zeggen we dat er sprake is van
stimuluscontrole.
➢ Controlling Stimuli of Operant Behaviour
• Gedrag wordt beïnvloed door stimuli die eraan voorafgaan (antecedenten).
- SD (Discriminative Stimulus): Een signaal dat een specifieke respons zal worden bekrachtigd.
- S (Stimulus Delta): Een signaal dat een specifieke respons op dat moment niet zal worden
bekrachtigd (extinctie).
• Het proces waarbij de SD of S de kans op gedrag beïnvloedt, is de kern van operante stimuluscontrole.
➢ Operant Stimulus Discrimination
• Dit is het proces waarbij een individu leert om specifiek te reageren op de SD en de reactie te
onderdrukken bij de S
- Stimulus Discrimination Training: De procedure waarbij men gedrag bekrachtigt in
aanwezigheid van de SD en het gedrag negeert (niet bekrachtigt) in aanwezigheid van de S. Na
verloop van tijd "controleert" de SD het gedrag.
➢ Operant Stimulus Generalization
• Dit is het tegenovergestelde van discriminatie. Het treedt op wanneer een individu reageert op een
nieuwe stimulus op dezelfde manier als op de oorspronkelijke SD, omdat deze stimuli op elkaar lijken.
- Stimulus Common-Element Class: Een groep stimuli die fysieke kenmerken delen (bijv. alle
ronde objecten). Dit vormt de basis voor het aanleren van concepten.
- Stimulus Equivalence Class: Een groep stimuli die fysiek niet op elkaar lijken, maar wel
dezelfde betekenis hebben (bijv. het cijfer "3", drie stippen en het woord "drie").
➢ Factors Influencing the Effectiveness of Operant Stimulus Discrimination Training
• Om de training te optimaliseren, moet je letten op:
1. Kiezen van duidelijke signalen: De SD en S moeten goed herkenbaar zijn.
2. Minimaliseren van fouten: Gebruik technieken zoals instructies of fysieke hulp om te voorkomen dat
de leerling foutieve reacties aanleert.
3. Aantal herhalingen: Voldoende oefening is nodig om de stimuluscontrole te versterken.
4. Gebruik van verbale regels: Mensen leren sneller als de contingentie (de regel) wordt uitgelegd.
➢ Pitfalls of Operant Stimulus Discrimination Training
• De belangrijkste valkuil is de onbedoelde bekrachtiging van gedrag in de verkeerde context.
- Bijvoorbeeld: Een kind krijgt aandacht van zijn ouders als hij scheldt bij zijn vriendjes (SD), maar
doet dit per ongeluk ook bij zijn grootouders (generalisatie). Als de grootouders erom lachen,
wordt het ongewenste gedrag onder een te brede stimuluscontrole geplaatst.
➢ Guidelines for Effective Operant Stimulus Discrimination Training
1. Kies duidelijke antecedenten: Zorg voor een scherp contrast tussen wanneer gedrag wel en niet
gewenst is.
2. Begin met opvallende stimuli: Maak de SD in het begin extra duidelijk.
3. Bekrachtig consequent: Zorg dat de beloning alleen volgt op de SD.
4. Bouw hulp af: Als je extra aanwijzingen (prompts) gebruikt, bouw deze dan geleidelijk af zodat de
natuurlijke stimulus de controle overneemt.
➢ Summary Chapter 11
• Hoofdstuk 11 laat zien dat effectief gedrag afhankelijk is van de situatie. Succesvolle gedragsmodificatie
zorgt ervoor dat de leerling leert wanneer een respons loont (discriminatie) en hoe deze kennis kan
worden toegepast op vergelijkbare situaties (generalisatie), terwijl foutieve patronen worden
geminimaliseerd door een zorgvuldige opbouw van stimuli.
3