SAMENVATTIN
G BECO
Hoofstuk 24 t/m 27
Elise vermeule
, Hoofdstuk 24: product en prijs
Een product is een geheel van materiële en immateriële eigenschapen van een goed of
dienst. De materiële eigenschappen zijn de eigenschapen die in het product zelf aanwezig
zijn en de eigenschappen die de producent heeft toegevoegd (verpakking, service). De
immateriële eigenschappen zijn de eigenschappen die de consument aan het product
verbindt (status, exclusiviteit ect.).
Kwaliteit is afhankelijk van de eisen en oordelen van de consument. De ene consument kan
de kwaliteit goed, vinden en de ander niet. De kwaliteit van een product omvat alle
eigenschappen van een product waaraan de gebruiker waarde hecht.
Voor veel producten maar de vormgeving (hoe het product eruitziet) geen rol (bv.
grasmaaier).
De verpakking van producten heeft een technisch en een commercieel aspect. Het
technische aspect is de noodzaak om een product te verpakken vanuit
beschermingsoogpunt. Het commerciële aspect is vaak belangrijker dan het technische. Het
product gebruikt de verpakking om de aandacht te trekken van de consument. Hoe verder
het product van de eerste levensbehoeften afstaat, hoe belangrijker de verpakking.
Vooral bij duurzame gebruiksgoederen is de garantie van belang. De leverancier moet
instaan voor de kwaliteit van zijn geleverde producten. Dat is geregeld in de Wet
Productaansprakelijkheid. Ook serviceverlening speelt een grote rol. Dit kan heel veel
verschil maken als je concurrent dit niet doet. Het belangrijkst is de serviceverlening nadat
de aankoop heeft plaatsgevonden. Hoe snel word je geholpen als je product kapotgaat?
Een A-merk is een bekend merk staat meestal goed bekend. De consument is bereid voor
een A-merk meer te betalen. Een B-merk is wat minder bekend dan een A-merk, het product
is goedkoper en op minder plekken te koop. Bij een paraplumerk brengt de leverancier al
zijn producten onder een naam uit op de markt. Een paraplumerk kan zowel een A-merk als
een B-merk zijn. Een private label is een product dat, gezien vanuit de fabrikant, in opdracht
van een derde (bv. winkelketen) wordt gemaakt. De opdrachtgever kiest zelf een merknaam
en brengt het onder die naam op de markt en dus niet onder de naam van de fabrikant. Een
huismerk komt voor als de producten onder de eigen naam van de detaillist worden
aangeboden. Dit zijn zowel voorbeelden van een paraplumerk en een private label.
Wanneer een nieuw product op de merkt komt zien we het meestal door verschillende fases
gaat: de levenscyclus van een product. De levenscyclus onderscheiden we in 5 fasen:
Fase 1= introductiefase; kritieke fase van het product, prijs meestal hoger om kosten snel
terug te verdienen, ontwikkelingskosten bestaan uit ontwerpen van het product, machines,
eventueel scholing personeel en ook reclamecampagnes.
Fase 2= groeifase; omzet neemt snel toe, prijs daalt omdat productie op grotere schaal
kostenvoordelen geeft, minder promotie, hoge ontwikkelingskosten deels terugverdient.
Fase 3= rijpheidsfase; er is nog groei in afzet, mar het begint af te nemen. De onderneming
brengt het product in nog meer varianten op de markt en de prijs daalt door de
concurrentie. Kosten en promotie neemt weer toe.
Fase 4= verzadigingsfase; de groei van het product is er vrijwel uit, de prijs blijft stabiel,
maar de winst daalt waarschijnlijk al een beetje. De concurrentie is hevig. Sommige
beginnen met een ‘nieuw’ product, waardoor er een nieuwe levenscyclus ontstaan.
1
, Fase 5= neergangsfase; omzet en winst neemt snel af. Aantal varianten en verkoopplaatsen
verminderen. Lage promotie-uitgaven. Nu wordt het duidelijk of de onderneming de
concurrentieslag heeft verloren of niet.
De levensduur is per product verschillend. Sommige producten hebben een hele korte
levensduur. In de levensmiddelenbranche mislukt bij het grootste deel van de producten al
in de groeifase. Bij andere producten is de levensfase een aantal jaar.
De duur van een levenscyclus en de grootte van de afzet worden bepaald door:
De snelheid van de technische ontwikkeling
De concurrentie
De mate waarin het nieuwe product door de afnemers wordt geaccepteerd
De gevraagde hoeveelheid van een product is vaak afhankelijk van de prijs. Bij het ene
product is de gevraagde hoeveelheid (qv) gevoeliger voor de verandering van de prijs (p) dan
bij het andere product. De relatieve verandering van de ene variabele als gevolg van de
relatieve verandering van een andere variabele noemen we elasticiteit. Het verband tussen
een verandering van de gevraagde hoeveelheid (gevolg) en de verandering van de prijs
(oorzaak) wordt weergegeven door de prijselasticiteit van de vraag (Ev). En de bijbehorende
formule:
Ev= procentuele verandering qv / procentuele verandering p
(kijk voorbeelden boek)
Als de gevraagde hoeveelheid verandert met een groter percentage dan de prijs noemen we
dit een prijselastische vraag. De prijselasticiteit van de vraag is elastisch als Ev<-1.
Sommige (noodzakelijke) producten zijn minder gevoelig voor prijswijzigingen (bijv.
medicijnen).
Prijselasticiteit Naam elasticiteit Omzet stijgt/daalt bij
2
G BECO
Hoofstuk 24 t/m 27
Elise vermeule
, Hoofdstuk 24: product en prijs
Een product is een geheel van materiële en immateriële eigenschapen van een goed of
dienst. De materiële eigenschappen zijn de eigenschapen die in het product zelf aanwezig
zijn en de eigenschappen die de producent heeft toegevoegd (verpakking, service). De
immateriële eigenschappen zijn de eigenschappen die de consument aan het product
verbindt (status, exclusiviteit ect.).
Kwaliteit is afhankelijk van de eisen en oordelen van de consument. De ene consument kan
de kwaliteit goed, vinden en de ander niet. De kwaliteit van een product omvat alle
eigenschappen van een product waaraan de gebruiker waarde hecht.
Voor veel producten maar de vormgeving (hoe het product eruitziet) geen rol (bv.
grasmaaier).
De verpakking van producten heeft een technisch en een commercieel aspect. Het
technische aspect is de noodzaak om een product te verpakken vanuit
beschermingsoogpunt. Het commerciële aspect is vaak belangrijker dan het technische. Het
product gebruikt de verpakking om de aandacht te trekken van de consument. Hoe verder
het product van de eerste levensbehoeften afstaat, hoe belangrijker de verpakking.
Vooral bij duurzame gebruiksgoederen is de garantie van belang. De leverancier moet
instaan voor de kwaliteit van zijn geleverde producten. Dat is geregeld in de Wet
Productaansprakelijkheid. Ook serviceverlening speelt een grote rol. Dit kan heel veel
verschil maken als je concurrent dit niet doet. Het belangrijkst is de serviceverlening nadat
de aankoop heeft plaatsgevonden. Hoe snel word je geholpen als je product kapotgaat?
Een A-merk is een bekend merk staat meestal goed bekend. De consument is bereid voor
een A-merk meer te betalen. Een B-merk is wat minder bekend dan een A-merk, het product
is goedkoper en op minder plekken te koop. Bij een paraplumerk brengt de leverancier al
zijn producten onder een naam uit op de markt. Een paraplumerk kan zowel een A-merk als
een B-merk zijn. Een private label is een product dat, gezien vanuit de fabrikant, in opdracht
van een derde (bv. winkelketen) wordt gemaakt. De opdrachtgever kiest zelf een merknaam
en brengt het onder die naam op de markt en dus niet onder de naam van de fabrikant. Een
huismerk komt voor als de producten onder de eigen naam van de detaillist worden
aangeboden. Dit zijn zowel voorbeelden van een paraplumerk en een private label.
Wanneer een nieuw product op de merkt komt zien we het meestal door verschillende fases
gaat: de levenscyclus van een product. De levenscyclus onderscheiden we in 5 fasen:
Fase 1= introductiefase; kritieke fase van het product, prijs meestal hoger om kosten snel
terug te verdienen, ontwikkelingskosten bestaan uit ontwerpen van het product, machines,
eventueel scholing personeel en ook reclamecampagnes.
Fase 2= groeifase; omzet neemt snel toe, prijs daalt omdat productie op grotere schaal
kostenvoordelen geeft, minder promotie, hoge ontwikkelingskosten deels terugverdient.
Fase 3= rijpheidsfase; er is nog groei in afzet, mar het begint af te nemen. De onderneming
brengt het product in nog meer varianten op de markt en de prijs daalt door de
concurrentie. Kosten en promotie neemt weer toe.
Fase 4= verzadigingsfase; de groei van het product is er vrijwel uit, de prijs blijft stabiel,
maar de winst daalt waarschijnlijk al een beetje. De concurrentie is hevig. Sommige
beginnen met een ‘nieuw’ product, waardoor er een nieuwe levenscyclus ontstaan.
1
, Fase 5= neergangsfase; omzet en winst neemt snel af. Aantal varianten en verkoopplaatsen
verminderen. Lage promotie-uitgaven. Nu wordt het duidelijk of de onderneming de
concurrentieslag heeft verloren of niet.
De levensduur is per product verschillend. Sommige producten hebben een hele korte
levensduur. In de levensmiddelenbranche mislukt bij het grootste deel van de producten al
in de groeifase. Bij andere producten is de levensfase een aantal jaar.
De duur van een levenscyclus en de grootte van de afzet worden bepaald door:
De snelheid van de technische ontwikkeling
De concurrentie
De mate waarin het nieuwe product door de afnemers wordt geaccepteerd
De gevraagde hoeveelheid van een product is vaak afhankelijk van de prijs. Bij het ene
product is de gevraagde hoeveelheid (qv) gevoeliger voor de verandering van de prijs (p) dan
bij het andere product. De relatieve verandering van de ene variabele als gevolg van de
relatieve verandering van een andere variabele noemen we elasticiteit. Het verband tussen
een verandering van de gevraagde hoeveelheid (gevolg) en de verandering van de prijs
(oorzaak) wordt weergegeven door de prijselasticiteit van de vraag (Ev). En de bijbehorende
formule:
Ev= procentuele verandering qv / procentuele verandering p
(kijk voorbeelden boek)
Als de gevraagde hoeveelheid verandert met een groter percentage dan de prijs noemen we
dit een prijselastische vraag. De prijselasticiteit van de vraag is elastisch als Ev<-1.
Sommige (noodzakelijke) producten zijn minder gevoelig voor prijswijzigingen (bijv.
medicijnen).
Prijselasticiteit Naam elasticiteit Omzet stijgt/daalt bij
2