• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 156 pages
Summary

2026Q3 Geslaagd met alleen deze samenvatting! Psychologie van leiderschap en organisatie | OU

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 156 pages

33 Tentamenvragen /onderwerpen uit mijn eigen tentamen (40 totaal tijdens tentamen), begrippenlijst, leerdoelenkaart EN uitgebreide samenvatting van PB2312 Psychologie van leiderschap en organisatie aan de OU. Brightspace en boek samengevat obv de leerdoelen pen Universiteit, gebaseerd op het tekstboek uit de cursus. De samenvatting behandelt de kernthema's van de cursus: organisatiestructuur (zeven kernelementen, departementalisatie, specialisatie), machtsdynamica, leiderschapstheorieën (charismatisch, transformationeel, ethisch), teamdynamica en organisatieverandering met praktische cases zoals Samsung. Perfect voor tentamen voorbereiding en begrip van de kernconcepten - alle leerdoelen zijn gestructureerd uitgewerkt met concrete voorbeelden.

Content preview

Samenvatting PB2312 - Psychologie van leiderschap en
organisatie

Leerdoelen, Nadat je deze cursus hebt afgerond, ben je in staat om
 te onderscheiden hoe organisaties kunnen verschillen op het vlak
van structuur en cultuur alsook de oorzaken en gevolgen hiervan in
te schatten
 aan te geven hoe macht en politiek gedrag zich ontwikkelen en
tonen in organisaties, en wat de gevolgen daarvan zijn
 uit te leggen hoe leiderschap in de wetenschappelijke literatuur
wordt gedefinieerd en welke verschillende theoretische
perspectieven op leiderschap gehanteerd worden
 aan te geven op welke manier zowel eigenschappen van de leider
als van de situatie bijdragen aan effectief leiderschap
 te bespreken hoe de relatie tussen leidinggevende en medewerker
zich ontwikkelt en gefaciliteerd kan worden
 patronen van sociale interactie in groepen en teams te herkennen
en uit te leggen op welke manier hier geïntervenieerd kan worden
met het oog op het verhogen van de effectiviteit
 toe te lichten op welke manier participatief, charismatisch,
transformationeel en ethisch leiderschap waardevol kunnen zijn in
hedendaagse dynamische werkcontexten
 uit te leggen hoe verandering plaatsvindt in organisaties en op
welke manier leiderschap dit kan ondersteunen
 bovenstaande thema’s en theorieën toe te passen op actuele
organisatiecasussen
 te beschrijven hoe bovenstaande wetenschappelijke theorieën en
studies zich ontwikkelen en tot elkaar verhouden, en deze kritisch te
analyseren.

Studietaak 1.1 — Organisatiestructuur
Verhalende samenvatting van hoofdstuk 1 (Robbins & Judge) en de
Brightspace-studietaak
Leerdoelen:
Concreet ben je in staat om
 de zeven kernelementen die een organisatiestructuur bepalen te
onderscheiden
 veel voorkomende organisatiestructuren te herkennen, uit te leggen
hoe deze zijn opgebouwd en belangrijke voor- en nadelen van deze
structuren te benoemen
 te omschrijven welke factoren op welke manier een
organisatiestructuur bepalen
 toe te lichten hoe een organisatiestructuur impact heeft op het
gedrag van de medewerkers
 inzichten met betrekking tot een organisatiestructuur toe te passen
op een actuele organisatiecasus.

Psychology of Leadership and Organization — Thema 1: De
organisatiecontext
Het verhaal: waarom structuur ertoe doet

PB2312 - Psychologie van leiderschap en organisatie
1

,Stel je voor dat Samsung, na een reeks schandalen en een ontploffende
telefoon, zijn machtige hoofdkantoor — de 'Control Tower' — moet
ontmantelen. Wat gebeurt er dan? Plotseling weten 59 dochterbedrijven
en 500.000 werknemers niet meer goed wie de regie voert. Dit verhaal
openent het hoofdstuk niet zomaar: het laat in één klap zien waar dit hele
thema om draait. Een organisatiestructuur bepaalt namelijk hoe taken
verdeeld, gegroepeerd en gecoördineerd worden — en als je daaraan
sleutelt, verandert alles: wie met wie samenwerkt, hoe snel beslissingen
worden genomen, en hoe mensen zich voelen in hun werk.
Elke organisatie, van de eenmanszaak op de hoek tot een wereldconcern,
moet dezelfde fundamentele vragen beantwoorden: hoe verdelen we het
werk, wie rapporteert aan wie, en hoeveel vrijheid krijgen mensen om zelf
beslissingen te nemen? De antwoorden op die vragen vormen samen de
structuur van de organisatie.
Deel 1 — De zeven kernelementen van organisatiestructuur
Denk aan deze zeven elementen als de bouwstenen waarmee elke
organisatie in elkaar gezet wordt. Robbins en Judge presenteren ze als
antwoorden op zeven structurele vragen (zie tekstboek pp. 5-13).
1. Werkspecialisatie — ‘Hoe ver splitsen we het werk op?’
Het voorbeeld uit het boek is smakelijk: een bakje Ben & Jerry's ijs
doorloopt tientallen gespecialiseerde rollen voordat het in jouw vriezer ligt
— van de 'mix master' tot de 'flavor vat technician'. Dat is
werkspecialisatie in actie: taken worden opgesplitst in kleine, herhaalbare
stappen.
Het voordeel: mensen worden snel heel goed in hun smalle taak, er gaat
minder tijd verloren aan wisselen tussen taken, en je kunt goedkoper en
sneller mensen trainen.
Het risico: als je te ver doorschiet, ontstaan de bekende 'human
diseconomies': verveling, vermoeidheid, stress, lagere productiviteit en
hoger verloop. Daarom kiezen sommige organisaties er juist voor om
taken weer te verbreden (job enlargement) in plaats van te versmallen.
Zie tekstboek pp. 6-7.

2. Departementalisatie — ‘Hoe groeperen we functies?’
Zodra het werk is opgesplitst, moet je het ook weer ergens onderbrengen.
Er zijn vier hoofdvormen, elk met een eigen logica:
• Functioneel — specialisten met dezelfde expertise (marketing, finance,
HR) zitten bij elkaar. Voordeel: efficiëntie en expertise-opbouw. Nadeel:
silo's en interne strijd (denk aan het grapje in het boek over de
productie-, R&D-, marketing- en accountingmanager die elk denken
dat 'niets gebeurt' zonder hun afdeling).
• Product/dienst — alles rond één product onder één manager, zoals
Procter & Gamble doet met Tide, Pampers en Gillette. Voordeel:
duidelijke verantwoordelijkheid. Nadeel: duplicatie van functies en
kosten.
• Geografisch — per regio georganiseerd, zoals Coca-Cola met vijf
wereldregio's. Handig wanneer klantbehoeften per locatie verschillen,
maar vraagt om extra aandacht voor communicatie tussen regio's.
• Proces — gestructureerd rond een werkproces of klanttype,
bijvoorbeeld een cybersecurity-bedrijf met losse afdelingen voor
beleid, netwerkbeveiliging en toegangsbeheer.
PB2312 - Psychologie van leiderschap en organisatie
2

,Microsoft is een mooi doorlopend voorbeeld: het schakelde in 2013 van
klant-departementalisatie naar functionele departementalisatie om
innovatie te stimuleren, en herstructureerde daarna nog meermaals —
een teken dat departementalisatie geen eenmalige keuze is, maar
meebeweegt met de strategie.
Zie tekstboek pp. 7-8.

3. Chain of command — ‘Wie rapporteert aan wie?’
De chain of command is de ononderbroken gezagslijn van top tot
werkvloer. Twee begrippen horen hierbij onlosmakelijk samen: autoriteit
(het formele recht om opdrachten te geven) en unity of command (het
idee dat je maar één directe leidinggevende hebt). Breek je die unity of
command, dan loop je het risico op tegenstrijdige opdrachten en
verwarring.
Interessant is dat het boek aangeeft dat dit principe steeds minder
relevant wordt: medewerkers hebben tegenwoordig net zo snel toegang
tot informatie als hun manager, en zelfsturende teams winnen terrein.
Toch blijkt uit onderzoek dat veel leidinggevenden nog steeds geloven in
een duidelijke 'lijn' tussen strategiebepalers (boven de lijn) en uitvoerders
(onder de lijn) — wat de betrokkenheid van lagere medewerkers bij de
grote strategie juist kan ondermijnen.

4. Span of control — ‘Hoeveel mensen kan één manager aansturen?’
Hoe breder de span of control (meer medewerkers per manager), hoe
minder hiërarchische lagen je nodig hebt — en dat is goedkoper. Het boek
rekent het voor: twee organisaties met evenveel medewerkers, maar met
een span van 4 versus 8, verschillen in personeelskosten op
managementniveau met tientallen miljoenen per jaar.
Smalle spans zijn duurder (meer managementlagen), vertragen de
verticale communicatie, en kunnen leiden tot te strakke supervisie
waardoor medewerkers minder autonomie ervaren.
De trend gaat richting bredere spans, mits medewerkers goed getraind
zijn en op collega's kunnen terugvallen voor vragen.

5. Centralisatie en decentralisatie — ‘Waar wordt besloten?’
Centralisatie betekent dat besluitvorming bij de top ligt; decentralisatie
verschuift die macht naar de mensen die dichter bij de actie staan. Tijdens
de COVID-19-pandemie zag je dit in actie: veel organisaties
decentraliseerden plotseling omdat lokale teams sneller en beter konden
inspelen op lokale regelgeving.
Het venijn zit in de balans: te veel decentralisatie kan tot
coördinatieproblemen en overmatig risico zoeken leiden, te veel
centralisatie vertraagt besluitvorming en negeert lokale kennis. Vooral bij
grote, internationale organisaties is het zoeken naar de juiste balans een
continu vraagstuk — en die balans verschilt logischerwijs van organisatie
tot organisatie.
Zie tekstboek p. 11.

6. Formalisatie — ‘Hoe gestandaardiseerd is het werk?’
Bij hoge formalisatie ligt vrijwel alles vast: functieomschrijvingen,
procedures, regels. Denk aan administratief werk met strikte protocollen.
PB2312 - Psychologie van leiderschap en organisatie
3

, Bij lage formalisatie — zoals bij een vertegenwoordiger die professoren
bezoekt — is er vooral een algemene leidraad en veel ruimte voor eigen
invulling.
Formalisatie is geen onverdeeld goed of kwaad: het kan teamflexibiliteit
schaden in snel veranderende, interactieve omgevingen, maar het kan
ook bijdragen aan eerlijkheid (bijvoorbeeld bij salarisbepaling) en rust
geven in tijden van crisis, omdat mensen weten waar ze aan toe zijn.

7. Boundary spanning — ‘Hoe verbinden mensen zich over grenzen heen?’
Boundary spanning ontstaat wanneer mensen relaties aangaan buiten hun
eigen team of afdeling — denk aan een HR-manager die regelmatig met IT
schakelt. Dit voorkomt dat structuren te rigide worden en versterkt
creativiteit, kennisdeling en besluitvorming.
Het kan zowel binnen als tussen organisaties plaatsvinden. Let op: het
heeft ook een schaduwzijde. Een medewerker die overstapt naar een
concurrent neemt als 'verbinder' tussen netwerken ook het risico mee dat
gevoelige informatie weglekt.
Toepassing: Unilever als casus
De Brightspace-studietaak laat je deze zeven elementen herkennen bij
Unilever. Kort samengevat: Unilever combineert hoge werkspecialisatie
(zeer specifieke HR-vacatures) met productdepartementalisatie (vijf
divisies: Beauty & Wellbeing, Personal Care, Ice Cream, Home Care,
Nutrition), aangevuld met geografische en functionele
departementalisatie. Het bedrijf bewogen recent richting een plattere,
meer agile structuur (bredere span of control, minder lagen) en zoekt
bewust een balans tussen centrale sturing en decentrale divisies.
Formalisatie wordt ingevuld via een 'high-performance culture' gericht op
snellere besluitvorming, en boundary spanning is zichtbaar in de
samenwerking met externe partners zoals leveranciers en NGO's rond
duurzaamheid.

Deel 2 — Klassieke structuren: simpel, bureaucratie, matrix
Met de zeven bouwstenen in de hand, kun je nu kijken hoe organisaties
die combineren tot herkenbare structuurvormen. Het boek begint met drie
'klassiekers'.

De simpele structuur
Denk aan een kleine winkel of een startend tech-bedrijf: weinig
departementalisatie, een brede span of control (plat), centrale macht bij
één persoon, en weinig formele regels. Snel, flexibel, goedkoop — maar
riskant: als die ene persoon uitvalt of de organisatie groeit, loopt het vast
door informatie-overload bij de top.

De bureaucratie
Het sleutelwoord hier is standaardisatie. Routinematige taken, sterke
specialisatie, veel formele regels, gecentraliseerde autoriteit, smalle span
of control en een strikte chain of command — denk aan een
belastingdienst of ziekenhuis-ICU.
Voordelen: efficiëntie bij gestandaardiseerde taken, lagere kosten doordat
minder getalenteerd (en duur) middenmanagement nodig is, omdat regels
het denkwerk al overnemen.
PB2312 - Psychologie van leiderschap en organisatie
4

Table of contents

  1. 01 Het verhaal: waarom structuur ertoe doet 1
  2. 02 Deel 1 — De zeven kernelementen van organisatiestructuur 2
    1. 1. Werkspecialisatie — ‘Hoe ver splitsen we het werk op?’ 2
    2. 2. Departementalisatie — ‘Hoe groeperen we functies?’ 2
    3. 3. Chain of command — ‘Wie rapporteert aan wie?’ 3
    4. 4. Span of control — ‘Hoeveel mensen kan één manager aansturen?’ 3
    5. 5. Centralisatie en decentralisatie — ‘Waar wordt besloten?’ 3
    6. 6. Formalisatie — ‘Hoe gestandaardiseerd is het werk?’ 3
    7. 7. Boundary spanning — ‘Hoe verbinden mensen zich over grenzen heen?’ 4
    8. Toepassing: Unilever als casus 4
  3. 03 Deel 2 — Klassieke structuren: simpel, bureaucratie, matrix 4
    1. De simpele structuur 4
    2. De bureaucratie 4
    3. De matrixstructuur 5
  4. 04 Deel 3 — Nieuwere trends: virtueel, team, circulair 5
    1. De virtuele (netwerk)structuur 5
    2. De teamstructuur 5
    3. De circulaire structuur 6
    4. Herkenningsoefening uit Brightspace 6
  5. 05 Deel 4 — De leaner organization: downsizing 6
  6. 06 Deel 5 — Waarom verschillen structuren? Mechanistisch versus organisch 7
    1. Strategie 7
    2. Organisatiegrootte 7
    3. Technologie 8
    4. Omgeving 8
    5. Instituties 8
    6. De casus: innovatiestrategie en machtsafstand (Hofstede) 8
  7. 07 Deel 6 — Gedragsimplicaties: structuur en de medewerker 8
  8. 08 Tentamentips: waar de leerdoelen op uitkomen 9
  9. 09 Het verhaal: de 'wolvencultuur' van Huawei 10
  10. 10 Deel 1 — Wat is organisatiecultuur, en hoe verschilt die tussen organisaties? 10
    1. De definitie 10
    2. Sterke versus zwakke culturen 10
    3. Dominante cultuur en subculturen 11
    4. Frameworks om cultuur te typeren 11
  11. 11 Deel 2 — Hoe cultuur wordt overgedragen: verhalen, rituelen, symbolen, taal 11
    1. Verhalen 11
    2. Rituelen 11
    3. Symbolen (materiële symbolen) 12
    4. Taal 12
  12. 12 Deel 3 — Hoe ontstaat een cultuur, en hoe blijft die levend? 12
    1. De oorsprong: de oprichter 12
    2. Cultuur als verbindend element met structuur — ‘instituties’ 12
    3. Cultuur levend houden: drie krachten 12
    4. Het socialisatieproces: drie fasen 13
  13. 13 Deel 4 — De functies van cultuur: voordelen en risico's 13
    1. Cultuur creëert klimaat 13
    2. Cultuur als bezit: ethisch, duurzaam, innovatief 14
    3. Cultuur als risico: stagnatie, rigiditeit, toxiciteit 14
    4. Cultuurclashes bij fusies en overnames 15
  14. 14 Deel 5 — Bewust bouwen aan cultuur: positief, ethisch, innovatief 15
    1. Een positieve cultuur ontwikkelen 15
    2. Een ethische cultuur ontwikkelen 15
    3. Een innovatieve cultuur ontwikkelen 16
  15. 15 Tentamentips: waar de leerdoelen op uitkomen 16
  16. 16 Het verhaal: het Empire of Pain van Purdue Pharma 17
  17. 17 Deel 1 — De rol van macht en afhankelijkheid in organisaties 17
    1. Macht versus leiderschap 17
    2. Afhankelijkheid: de sleutel tot macht 18
    3. Sociale netwerken en sociale netwerkanalyse 18
  18. 18 Deel 2 — De machtsbronnen: formeel en persoonlijk 18
    1. Formele machtsbronnen — gebaseerd op iemands positie 18
    2. Persoonlijke machtsbronnen — gebaseerd op individuele kenmerken 19
    3. Brightspace-oefening: machtsbronnen herkennen 19
  19. 19 Deel 3 — Beïnvloedingstactieken en de impact van macht op mensen 19
    1. De negen beïnvloedingstactieken 19
    2. Welke tactiek werkt wanneer? 20
    3. Brightspace-casus: 'Up in the Air' 20
    4. Hoe macht mensen beïnvloedt: corrumpeert macht? 20
    5. Seksueel misbruik: ongelijke macht op de werkvloer 21
  20. 20 Deel 4 — Politiek gedrag: oorzaken en gevolgen 21
    1. Wat is politiek gedrag? 21
    2. Individuele factoren die politiek gedrag aanmoedigen 21
    3. Organisatorische factoren: structuur en cultuur 22
    4. Hoe mensen tegen politiek gedrag aankijken 22
    5. Roddel en de wandelgangen (grapevine) 22
    6. Voice en silence 23
    7. Impression management 23
  21. 21 Deel 5 — De ethiek van politiek gedrag 23
  22. 22 Toepassing: macht, politiek, cultuur en structuur samen 23
  23. 23 Tentamentips: leerdoelen van studietaak 1.3 samengevat 24
  24. 24 Het verhaal: van Rosalind Brewer tot Steve Jobs 25
  25. 25 Leerdoel 1 — Leiderschap definiëren 26
  26. 26 Leerdoel 2 — De conclusies van trait-leiderschapstheorieën 26
    1. Big Five Traits 26
    2. Proactieve persoonlijkheid 27
    3. Dark Triad Traits 27
    4. Emotionele intelligentie (EI) 27
    5. De twee hoofdconclusies 27
  27. 27 Leerdoel 3 — Gedragsmatige leiderschapstheorieën: principes en tekortkomingen 27
    1. De Ohio State Studies: twee kerndimensies 28
    2. De drie tekortkomingen (complicaties) 28
  28. 28 Leerdoel 4 — Contingentietheorieën beschrijven en vergelijken 29
    1. Het Fiedler-model 29
    2. Situational Leadership Theory (SLT) van Hersey en Blanchard 30
    3. Follower-contingentietheorieën 30
  29. 29 Leerdoel 5 — Positieve leiderschapsstijlen toelichten 30
    1. Leader-Member Exchange (LMX) theory 31
    2. Charismatisch leiderschap 31
    3. Full Range Leadership Model: laissez-faire, transactioneel, transformationeel 32
    4. Laissez-faire leiderschap en LMX 33
  30. 30 Leerdoel 6 — De rol van leiders bij het creëren van ethische organisaties 33
    1. Authentiek leiderschap 33
    2. (On)ethisch leiderschap 33
    3. Servant leadership 34
    4. Schaduwzijde: abusive supervision 34
  31. 31 Leerdoel 7 — Hoe leiders via vertrouwen een positieve impact hebben 34
    1. De voordelen van vertrouwen 34
    2. Hoe vertrouwen ontstaat: drie kenmerken 35
    3. Vertrouwen herstellen na een schending 35
  32. 32 Leerdoel 9 — Uitdagingen en kansen rond het bestuderen van leiderschap 35
    1. Uitdaging 1: leiderschap als attributie 35
    2. Uitdaging 2: neutralizers en substitutes voor leiderschap 36
    3. Kansen: leiders identificeren, selecteren, trainen en mentoren 36
  33. 33 Leerdoel 8 — Toepassing op een actuele casus: Jacinda Ardern 37
    1. Authentiek leiderschap in de video 37
    2. Transformationeel leiderschap in de video 37
  34. 34 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 2.4 samengevat 37
  35. 35 Het verhaal: waarom 'de beste leider' niet bestaat 39
  36. 36 Leerdoel 1 — Op welke manieren kan de situatie leiders beïnvloeden? 39
    1. 1. De situatie beïnvloedt rechtstreeks het gedrag van de leider 40
    2. 2. De situatie modereert het effect van het gedrag van de leider 40
    3. 3. De situatie beïnvloedt rechtstreeks de uitkomsten of mediërende variabelen 40
  37. 37 Leerdoel 2 — Welke situationele determinanten beïnvloeden het gedrag van de leider? 40
    1. Het Stewart-model: eisen, beperkingen, keuzes 41
    2. De overige onderdelen van het Stewart-model 41
    3. Andere situationele determinanten 42
  38. 38 Leerdoel 3 — Drie contingentietheorieën: Path-Goal, Substitutes, Multiple-Linkage 43
    1. Path-Goal Theory 43
    2. Leadership Substitutes Theory 43
    3. Het Multiple-Linkage Model 44
    4. Kortetermijn- versus langetermijnacties 45
    5. Brightspace-casus: het marketingteam van de stadsdiensten 45
    6. Kritiek op de contingentietheorieën 45
  39. 39 Praktische richtlijnen: omgaan met eisen, beperkingen en flexibel leiderschap 46
  40. 40 Leerdoel 4 — Toepassing op een concrete organisatiecasus 46
  41. 41 Leerdoel 5 — Verbanden met de bredere organisatiecontext 47
  42. 42 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 2.5 samengevat 47
  43. 43 Reflectie vooraf 49
  44. 44 Leerdoel 1 — Soorten leiderschapskenmerken en onderzoek 49
    1. Soorten eigenschappen 49
    2. Soorten onderzoek 50
  45. 45 Leerdoel 2 — Persoonlijkheidskenmerken, vaardigheden en competenties 50
    1. De persoonlijkheidskenmerken met een eenduidig lineair positief verband 51
    2. Persoonlijkheidskenmerken met een complexer (curvilineair) verband 51
    3. Machtsmotivatie: gesocialiseerd versus gepersonaliseerd 52
    4. Het Big Five-model: een genuanceerd beeld: OCEAN 52
    5. Technische en conceptuele vaardigheden 53
    6. Politieke vaardigheden en impression management 53
    7. Managementcompetenties 53
  46. 46 Leerdoel 3 — De rol van situationele variabelen 54
    1. Managementniveau 54
    2. Type organisatie 54
    3. Stress bij de leider 54
    4. De externe omgeving 55
    5. Brightspace-casus: Peter, de teamleider in de logistiek 55
  47. 47 Leerdoel 4 — Tekortkomingen van de trait approach 55
  48. 48 Leerdoel 5 — Toepassing op een concrete organisatiecasus 56
  49. 49 Leerdoel 6 — Verbanden met de bredere organisatiecontext 57
  50. 50 Terug naar je reflectie vooraf 57
  51. 51 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 2.6 samengevat 58
  52. 52 Het verhaal: leiderschap is een tweerichtingsverkeer 59
  53. 53 Leerdoel 1 — Leader-Member Exchange theorie 59
    1. Wat is leader-member exchange? 60
    2. Lage-kwaliteit relaties: het ingroup/outgroup-onderscheid 60
    3. De drie ontwikkelingsfasen van LMX 60
    4. Factoren die bijdragen aan een hoge kwaliteit van LMX 61
    5. Consequenties van een hoge kwaliteit van LMX 61
    6. LMX-differentiatie: wanneer gunstig, wanneer ongunstig? 62
  54. 54 Leerdoel 2 — Attributies door leiders en volgers 62
    1. Interne versus externe attributies 62
    2. Het effect van LMX-kwaliteit op attributies 63
    3. Relationele attributies 63
    4. Brightspace-casus: Maria, Tomas en het advies van Natascha 64
    5. Richtlijnen voor het corrigeren van prestatietekorten 64
    6. Volgersattributies over leiders en impliciete leiderschapstheorieën 64
    7. Hoe impliciete theorieën onderzoeksresultaten kunnen vertekenen 65
  55. 55 Leerdoel 3 — Impression management en self-management 65
    1. Wat is impression management? 65
    2. De drie kerntactieken 65
    3. Impression management door volgers versus leiders 66
    4. Volgerschap: het misverstand over passieve volgers 66
    5. Self-management strategieën 67
    6. Waarom is self-management belangrijk voor de dyadische relatie? 67
  56. 56 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 3.7 samengevat 68
  57. 57 Leerdoel 1 — Soorten groepen en groepsontwikkeling 69
    1. Wat is een groep? 69
    2. Formele versus informele groepen 69
    3. Sociale identiteitstheorie 69
    4. Het punctuated-equilibrium model 70
  58. 58 Leerdoel 2 — Groepsrollen, groepsnormen en individueel gedrag 70
    1. Rolperceptie versus rolverwachtingen 70
    2. Rolconflict 71
    3. Het psychologisch contract 71
    4. Groepsnormen 71
    5. Conformiteit: het Asch-experiment 72
    6. Negatieve normen en deviant gedrag 72
  59. 59 Leerdoel 3 — Andere groepseigenschappen: status, grootte, cohesie 72
    1. Status: drie bronnen 72
    2. Statusongelijkheid 73
    3. Groepsgrootte en social loafing 73
    4. Groepscohesie bevorderen 73
  60. 60 Leerdoel 4 — Sterke en zwakke punten van groepsbesluitvorming 74
    1. Sterke en zwakke kanten van groepsbesluitvorming 74
    2. Groupthink 75
    3. Groupshift (groepspolarisatie) 75
    4. Technieken voor effectievere groepsbesluitvorming 76
  61. 61 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 3.8 samengevat 76
  62. 62 Het verhaal: het Thaise grottenredding-team 78
  63. 63 Leerdoel 1 — Het verschil tussen teams en groepen 78
    1. Werkgroep versus werkteam 78
    2. Brightspace-casus: Deliveroo- en Uber Eats-koeriers 79
  64. 64 Leerdoelen 2 & 3 — Soorten teams en hun doelen 79
    1. 1. Probleemoplossende teams 79
    2. 2. Zelfsturende werkteams 79
    3. 3. Cross-functionele teams 80
    4. 4. Virtuele teams 80
    5. 5. Multiteamsystemen 80
    6. Voor- en nadeel van identificatie met het multiteamsysteem 81
  65. 65 Leerdoel 4 — Factoren die bijdragen aan teameffectiviteit 81
    1. Categorie 1: Contextuele factoren 81
    2. Categorie 2: Samenstelling van het team 82
    3. Categorie 3: Teamprocessen en teamtoestanden 82
  66. 66 Leerdoel 5 — Effectieve teams creëren en wanneer individuen te verkiezen zijn 84
    1. Effectieve teams creëren: selectie, training, beloning 84
    2. Wanneer zijn individuen beter dan teams? 85
  67. 67 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 3.9 samengevat 85
  68. 68 Het verhaal: van bureaucratische wasserij tot participatief succes 86
  69. 69 Leerdoel 1 — Kernbegrippen: psychologische empowerment, besluitvorming, empowering leiderschap en participatieve procedures 87
    1. Besluitvorming door managers: routinematig versus niet-routinematig 87
    2. De vier besluitvormingsprocedures en hun onderlinge verhouding 87
  70. 70 Leerdoel 2 — Consequenties van participatief leiderschap en de condities daarvoor 88
    1. Vier potentiële voordelen van participatief leiderschap 88
    2. Voordelen van delegeren 89
    3. De onderzoeksresultaten: een eerlijk beeld 89
  71. 71 Leerdoel 3 — Doelen van participatief leiderschap 89
  72. 72 Leerdoel 4 — Overwegingen om al dan niet te participeren (inclusief delegeren) 90
    1. Het normatief beslissingsmodel van Vroom & Yetton 90
    2. Overwegingen vóór participatief leiderschap en delegeren 90
    3. Overwegingen tégen participatief leiderschap en delegeren 91
    4. Brightspace-casus: Evelyn en de sollicitatiegesprekken 91
  73. 73 Leerdoel 5 — Adviezen voor de praktische toepassing (inclusief delegeren) 91
    1. Diagnose van de situatie: vier stappen 91
    2. Hoe participatie aanmoedigen: zeven adviezen 92
    3. Wat te delegeren: zes criteria 92
    4. Hoe te delegeren: acht stappen 92
  74. 74 Leerdoel 6 — Psychologische empowerment stimuleren: waarom, hoe en onder welke voorwaarden 93
    1. Waarom psychologische empowerment nastrevenswaardig is 93
    2. Wat organisaties kunnen doen 93
    3. Voorwaarden voor succes (Tabel 10-9) 94
  75. 75 Leerdoelen 7, 8 & 9 — Toepassing, kritische analyse en wetenschappelijk onderzoek 94
    1. Toepassing op casussen (leerdoel 7) 94
    2. Kritische analyse (leerdoel 8) 95
    3. Wetenschappelijk onderzoek: methoden en bevindingen (leerdoel 9) 95
  76. 76 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 4.10 samengevat 96
  77. 77 Het verhaal: van Hitler tot Jacinda Ardern 97
  78. 78 Leerdoel 1 — Charismatisch leiderschap identificeren en factoren die charisma beïnvloeden 98
    1. Wat is charisma? 98
    2. De zes gedragskenmerken van charismatische leiders 98
    3. De vijf invloedprocessen achter charisma 99
    4. Big Five-persoonlijkheid en charismatisch leiderschap 99
    5. Situationele factoren die charisma beïnvloeden 100
    6. Charisma is aanleerlbaar 101
  79. 79 Leerdoel 2 — Voor- en nadelen van charismatisch leiderschap 101
    1. Positieve versus negatieve charismatici 101
    2. Structurele nadelen van charismatisch leiderschap 102
  80. 80 Leerdoel 3 — Transformationeel leiderschap herkennen 102
    1. Transformationeel vs. transactioneel leiderschap 102
    2. De vier I's van transformationeel leiderschapsgedrag 103
    3. Transactioneel leiderschapsgedrag 103
    4. Brightspace-matchvraag: charismatisch, transformationeel of transactioneel? 104
    5. Charismatisch, ideologisch en pragmatisch leiderschap 104
  81. 81 Leerdoel 4 — Overeenkomsten en verschillen tussen charismatisch en transformationeel leiderschap 104
    1. De tabel: overeenkomsten en verschillen 105
  82. 82 Leerdoel 5 — Beperkingen in het onderzoek naar transformationeel en charismatisch leiderschap 105
    1. Drie kern-beperkingen 105
    2. Overkoepelende conceptuele zwakheden 106
  83. 83 Praktische richtlijnen voor inspirationeel leiderschap 107
  84. 84 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 4.11 samengevat 107
  85. 85 Het verhaal: van Uber tot Merck 109
  86. 86 Leerdoel 1 — Wat is ethisch leiderschap, en waarom is het moeilijk te definiëren? 109
    1. Definitie en drie beoordelingscriteria 109
    2. Persoonlijke integriteit als kern 110
    3. Drie dilemma's bij het beoordelen van ethisch leiderschap 110
    4. Multiple stakeholders en strijdige waarden 111
  87. 87 Leerdoel 2 — Verschillende vormen van ethisch leiderschap 111
    1. 1. Transformerend leiderschap (Burns, 1978) 111
    2. 2. Dienend leiderschap (Greenleaf, 1977) 111
    3. 3. Spiritueel leiderschap 112
    4. 4. Authentiek leiderschap 113
    5. Vergelijking van de vier theorieën 113
  88. 88 Leerdoel 3 — Individuele en situationele invloeden op ethisch leiderschap 114
    1. Individuele determinanten 114
    2. Kohlbergs model van morele ontwikkeling 114
    3. Morele identiteitstheorie en morele capaciteit 115
    4. Situationele invloeden 115
  89. 89 Leerdoel 4 — Ethisch gedrag bevorderen in organisaties en samenlevingen 116
    1. Vijf richtlijnen voor leiders (Tabel 12-3) 116
    2. Gevolgen van ethisch (en onethisch) leiderschap 117
    3. Structurele en maatschappelijke maatregelen 117
    4. Vergelijking met eerdere studietaken 118
  90. 90 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 4.12 samengevat 118
  91. 91 Het verhaal: Kodak vs. Netflix 120
  92. 92 Leerdoel 1 — Hoe verandering werkt binnen en buiten organisaties 121
    1. Krachten voor verandering (Exhibit 13-1) 121
    2. Gepland versus ongepland verandering 121
    3. Change agents 121
    4. Weerstand tegen verandering: vormen en bronnen 122
    5. Individuele en organisationele bronnen van weerstand 122
    6. Acht tactieken om weerstand te overwinnen 123
    7. De politiek van verandering 124
  93. 93 Leerdoel 2 — Vier benaderingen voor het managen van organisatieverandering 124
    1. 1. Lewins driestappenmodel 124
    2. 2. Kotters achtstappenplan 125
    3. 3. Actieonderzoek (Action Research) 125
    4. 4. Organisatieontwikkeling (OD) 126
    5. Vergelijking van de vier benaderingen 127
  94. 94 Leerdoel 3 — Toepassing op een actuele casus: Amazon 127
    1. De Amazon-casus samengevat 127
    2. Weerstand analyseren (Brightspace-vraag 2) 127
    3. Tactiekanalyse: wat doet Amazon wel/niet (Brightspace-vraag 3) 128
    4. Kotter-stappen toepassen (Brightspace-vraag 4) 128
    5. De paradoxtheorie (Brightspace-vraag 5) 128
    6. Link met eerder behandelde thema's 128
  95. 95 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 5.13 samengevat 129
  96. 96 Het verhaal: Xerox en de vergeten uitvindingen 130
  97. 97 Leerdoel 1 — Soorten organisatieveranderingen 130
    1. Houdings- versus rolgerichte verandering 130
    2. Andere dimensies van verandering 131
    3. Ontwikkelings-, transitie- en transformatieve verandering 131
  98. 98 Leerdoel 2 — Psychologische processen bij organisatieverandering 132
    1. Vier fasen in de reactie op opgelegde verandering 132
    2. Eerdere ervaringen en reacties op verandering 132
    3. Redenen om verandering af te wijzen 133
  99. 99 Leerdoel 3 — Succesvolle implementatie van organisatieverandering 134
    1. Systeemdenken: de onmisbare diagnose 134
    2. Veertien richtlijnen voor implementatie (Tabel 14-1) 134
    3. Tempo en volgorde van veranderingen 135
    4. Hoe een visie verandering aandrijft 136
    5. Richtlijnen voor het ontwikkelen van een visie (Tabel 14-2) 137
  100. 100 Leerdoel 4 — Collectief leren en innovatie bevorderen 137
    1. Definities: organisatorisch leren, exploratie en exploitatie 137
    2. Interne en externe kennisverwerving 138
    3. Kennisdiffusie en -toepassing 138
    4. Tien richtlijnen voor leren en innovatie (Tabel 14-3) 138
  101. 101 Leerdoel 5 — Toepassing op een actuele casus 139
    1. Casus 'Van A naar B Logistics': geïntegreerde analyse 139
    2. Casus Zhu Guofan en Liangzi 140
  102. 102 Tentamentips: alle leerdoelen van studietaak 5.14 samengevat 141
  103. 103 Thema 1 — De organisatiecontext 142
  104. 104 Thema 2 — Leiderschap in context 144
  105. 105 Thema 3 — Leidinggeven in dyadische en groepsrelaties 146
  106. 106 Thema 4 — Leidinggeven in dynamische werkcontexten 148
  107. 107 Thema 5 — Leidinggeven aan verandering 151
  108. 108 Snelle begrippenlijst — tentamenspiekbrief 153
    1. A–F 153
    2. G–M 153
    3. N–Z 154

Connected book
 image
Publisher: maart 2012 ISBN: 9780273765660 Edition: 8

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
July 21, 2026
File latest updated on
July 21, 2026
Number of pages
156
Written in
2025/2026
Type
Summary
$12.65

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
vivinnevanherel
3.6
(12)
Sold
172
Followers
2
Items
24
Last sold
1 day ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions