MYCOLOGIE/PARASITOLOGIE
MYCOLOGIE
Filamenteuze fungi
o Mycelium = geheel van schimmeldraden
o Hypha = schimmeldraden
Aseksuele voortplanting
o Budding = knopvorming bij aseksuele voortplanting gisten
o Conidia = aseksuele sporenvormende structuren bij filamenteuze fungi.
Hangt vast aan een conidiofoor en komt afzonderlijk (1 voor 1) vrij
o Sporangiospoor = aseksuele sporenvormende structuren bij filamenteuze
fungi. Zit in een compartiment (sporangium) vast aan een sporangiofoor en
komt in 1 keer vrij
Seksuele voortplanting
o Plasmogamie = haploïde nucleus van donorcel (+) die binnendringt in
cytoplasma van recipient cel (-)
o Karyogamie = (+) en (-) versmelten tot zygote nucleus
o Meiose = diploïde nucleus vormt haploïde nuclei (= seksuele sporen)
Mycosen
o Pityriasis versicolor (oppervlakkig)
< malassezia species (gist van normale huidflora)
Lipidenafhankelijk
Seborrhoïsche dermatitis (‘roos’)
Malessezia folliculitis
KO: huidschilfers + KOH 30%
o Dermatofytosen (mucocutaan)
= tinea = infecties huid, haar, nagels
! trichophyton rubrum
Tinea capitis
Ecothrix = fungus groeit om haarschacht heen
Endothrix = fungus groeit in het haar
Keron celsi = door zoöfiele dermatofyten
Flavus = door 1 bepaalde fungus gelige korsten
o Onychomycosen (mucocutaan)
= schimmelnagels
o Candida (mucocutaan)
< candida albicans (commensaal)
Oraal
Acuut pseudomembraneus
Acuut atrofisch
Chronisch atrofisch
Cutaan
Genitaal