1 ONGESLACHTELIJKE VOORTPLANTING
Celdeling
Bij celdeling ontstaat uit een moedercel 2 identieke dochtercellen met precies dezelfde
genetische eigenschappen.
De natuurlijke wijze
Ongeslachtelijke voortplanting= voortplanting waar je geen mannelijke of vrouwelijke
geslachtsorganen nodig zijn ontstaan nakomelingen die identiek zijn aan ouder.
Geslachtelijke voortplanting= voortplanting waar wel mannelijke of vrouwelijke
geslachtsorganen voor nodig zijn. Om populatie groot te houden, vrouwtjes bij geslachtelijke
voortplanting gemiddeld 2 nakomelingen die zich kunnen voortplanten en volwassen worden.
Bij ongeslachtelijke voortplanting individuen ook gemiddeld 2 nakomelingen verdubbelt
populatie.
Ongeslachtelijke voortplanting kan bij planten voorkomen door:
Via uitlopers
Via knollen (met knoppen)
Via bollen
Op kunstmatige wijze
3 voorbeelden van kunstmatige ongeslachtelijke voortplanting:
Stekken: snijd een stuk van stengel of blad af op snijvlak ontwikkelen zich wortels.
Enten: takken worden vastgezet op een afgeknipte onderstam boom komen
zelfde vruchten als voorheen.
Weefselkweek: uit plant wordt een stukje deelvaardig weefsel in stukjes gesneden.
Dit wordt op een geschikte voedingsbodem met voedingsstoffen en
plantenhormonen (groeistoffen) gebracht cellen delen na enkele weken
ontstaat hieruit ongedifferentieerd weefsel = callus stukjes verdeeld en andere
voedingsbron met andere plantenhormonen gebracht cellen gaan zich
differentiëren/specialiseren kleine plantjes ontstaan = embryoïden
Klonen
Gunstig genotype bij gewassen/dieren, behouden klonen: ontstaat uit een organisme
genetisch identieke nakomelingen door ongeslachtelijke voortplanting. Kloon= groep
nakomelingen uit 1 individu. Kunstmatig klonen:
Embryosplitsing= klompje cellen uit bevruchte eicel gesplitst en gaat in meerdere
baarmoeders.
Celkerntransplantatie= superkoe (met gunstige eigenschappen) bevrucht door stier (gunstig
genotype) bevruchte eicel klompje cellen laboratorium gesplitst in afzonderlijke
cellen. Uit donorkoe worden onbevruchte eicellen gehaald waarvan kernen verwijderd.
Cellen van klompje van superkoe versmelten met eicellen van donorkoe elektrisch impuls
celfusie eicellen met nieuwe kern klompje cellen in draagkoe.
Celcyclus
, Celdeling begint bij de deling van de kern = mitose. Daarna snoert de cel tussen de kernen in
een ontstaan er 2. Na die deling nieuw cytoplasma, waarbij ook het aantal celorganellen
toeneemt = plasmagroei. Dan pas gaan ze los van elkaar.
De M-fase = celdeling + mitose hierbij zijn de chromosomen zichtbaar. De periode tussen de
twee celdelingen = interfase (dus alles wat roze is). Tijdens die fase zijn de chromosomen
niet te zien.
Tijdens de interfase wordt van ieder DNA-
molecuul een kopie gemaakt = DNA-synthese of
DNA-replicatie = S-fase. De plaats waar de
kopieën aan elkaar vastzitten = centromeer en 1
DNA-molecuul = chromatide. Na de S-fase heb
je dus 2 chromotiden. G1-fase = fase waar de
chromosomen 1 DNA-molecuul bevatten. G2—
fase = fase waarin de chromosomen 2 DNA-
moleculen hebben. Tijdens mitose gaat 1
chromatide naar de ene cel en de andere naar
de andere dochtercel.
Mitose
2 GESLACHTELIJKE VOORTPLANTING
Celfusie
Celfusie= versmelting van 2 cellen (kernen).
Meiose
Haploïd = cellen die een enkele set chromosomen
hebben (aantal = n). Diploïd = cellen met een
Celdeling
Bij celdeling ontstaat uit een moedercel 2 identieke dochtercellen met precies dezelfde
genetische eigenschappen.
De natuurlijke wijze
Ongeslachtelijke voortplanting= voortplanting waar je geen mannelijke of vrouwelijke
geslachtsorganen nodig zijn ontstaan nakomelingen die identiek zijn aan ouder.
Geslachtelijke voortplanting= voortplanting waar wel mannelijke of vrouwelijke
geslachtsorganen voor nodig zijn. Om populatie groot te houden, vrouwtjes bij geslachtelijke
voortplanting gemiddeld 2 nakomelingen die zich kunnen voortplanten en volwassen worden.
Bij ongeslachtelijke voortplanting individuen ook gemiddeld 2 nakomelingen verdubbelt
populatie.
Ongeslachtelijke voortplanting kan bij planten voorkomen door:
Via uitlopers
Via knollen (met knoppen)
Via bollen
Op kunstmatige wijze
3 voorbeelden van kunstmatige ongeslachtelijke voortplanting:
Stekken: snijd een stuk van stengel of blad af op snijvlak ontwikkelen zich wortels.
Enten: takken worden vastgezet op een afgeknipte onderstam boom komen
zelfde vruchten als voorheen.
Weefselkweek: uit plant wordt een stukje deelvaardig weefsel in stukjes gesneden.
Dit wordt op een geschikte voedingsbodem met voedingsstoffen en
plantenhormonen (groeistoffen) gebracht cellen delen na enkele weken
ontstaat hieruit ongedifferentieerd weefsel = callus stukjes verdeeld en andere
voedingsbron met andere plantenhormonen gebracht cellen gaan zich
differentiëren/specialiseren kleine plantjes ontstaan = embryoïden
Klonen
Gunstig genotype bij gewassen/dieren, behouden klonen: ontstaat uit een organisme
genetisch identieke nakomelingen door ongeslachtelijke voortplanting. Kloon= groep
nakomelingen uit 1 individu. Kunstmatig klonen:
Embryosplitsing= klompje cellen uit bevruchte eicel gesplitst en gaat in meerdere
baarmoeders.
Celkerntransplantatie= superkoe (met gunstige eigenschappen) bevrucht door stier (gunstig
genotype) bevruchte eicel klompje cellen laboratorium gesplitst in afzonderlijke
cellen. Uit donorkoe worden onbevruchte eicellen gehaald waarvan kernen verwijderd.
Cellen van klompje van superkoe versmelten met eicellen van donorkoe elektrisch impuls
celfusie eicellen met nieuwe kern klompje cellen in draagkoe.
Celcyclus
, Celdeling begint bij de deling van de kern = mitose. Daarna snoert de cel tussen de kernen in
een ontstaan er 2. Na die deling nieuw cytoplasma, waarbij ook het aantal celorganellen
toeneemt = plasmagroei. Dan pas gaan ze los van elkaar.
De M-fase = celdeling + mitose hierbij zijn de chromosomen zichtbaar. De periode tussen de
twee celdelingen = interfase (dus alles wat roze is). Tijdens die fase zijn de chromosomen
niet te zien.
Tijdens de interfase wordt van ieder DNA-
molecuul een kopie gemaakt = DNA-synthese of
DNA-replicatie = S-fase. De plaats waar de
kopieën aan elkaar vastzitten = centromeer en 1
DNA-molecuul = chromatide. Na de S-fase heb
je dus 2 chromotiden. G1-fase = fase waar de
chromosomen 1 DNA-molecuul bevatten. G2—
fase = fase waarin de chromosomen 2 DNA-
moleculen hebben. Tijdens mitose gaat 1
chromatide naar de ene cel en de andere naar
de andere dochtercel.
Mitose
2 GESLACHTELIJKE VOORTPLANTING
Celfusie
Celfusie= versmelting van 2 cellen (kernen).
Meiose
Haploïd = cellen die een enkele set chromosomen
hebben (aantal = n). Diploïd = cellen met een