Je kunt aangeven wat het belang is van psychopathologie binnen het
werkveld van een pedagoog.
Psychopathologie is de wetenschap van geestelijk (psychisch) lijden.
Ontwikkelingspsychopathologie is de wetenschap die onderzoekt hoe psychische
stoornissen ontstaan en zich ontwikkelen. Kennis van psychopathologie helpt om
psychische stoornissen te herkennen en te begrijpen.
Kennis van psychopathologie helpt om:
Probleemgedrag te herkennen.
Risicofactoren voor psychische stoornissen te signaleren.
Te begrijpen hoe stoornissen ontstaan en zich ontwikkelen.
Passende begeleiding en ondersteuning te bieden.
Samen te werken met andere professionals zoals psychologen en
psychiaters.
Door te verwijzen wanneer specialistische hulp nodig is.
Ontwikkelingspsychopathologie richt zich specifiek op hoe psychische stoornissen
ontstaan en zich ontwikkelen gedurende de ontwikkeling van kinderen en jongeren.
Psychologie = wetenschap van gedrag en mentale processen
Psychopathologie = wetenschap van geestelijk (psychisch) lijden.
Ontwikkelingspsychopathologie = wetenschap die onderzoekt hoe psychische
stoornissen ontstaan en zich ontwikkelen.
Psychiatrie = medisch specialisme gericht op onderzoek, diagnose en
behandeling.
Je kunt aangeven op welke gronden bepaalde gedragskenmerken als
normaal of als afwijkend worden beschouwd.
Normaal en afwijkend gedrag hangen af van:
De persoon (geslacht, leeftijd, beroep, sociale positie, sociale rol).
Tijd en plaats. (Homoseksualiteit stond vroeger bijv. in DSM nu niet meer)
De normen en waarden van de cultuur.
Een psychische stoornis wordt gekenmerkt door een afwijking in gevoelens,
gedachten of gedrag. Om van een psychische stoornis te spreken moet het gedrag
afwijkend zijn en moet het passen binnen de kenmerken die in de DSM-5
beschreven staan.
Om te kunnen vaststellen of gedrag van een kind afwijkend is, moet je weten in
welke levensfase een kind verkeert.
,Psychopathologie= Wetenschap van geestelijk (psychisch) lijden.
‘abnormaal’(minderheid/afwijkend) of ‘normaal’(meerderheid)
Mate van beperking (distress) --> persoonlijk lijden
Gedrag wordt problematisch wanneer iemand:
Zelf last heeft.
De omgeving last heeft.
Belemmerd wordt in dagelijks functioneren.
Bijvoorbeeld problemen op:
School
Werk
Relaties
Slapen
Eten
Om officieel van een psychische stoornis te spreken moet deze beschreven staan in
de DSM-5.
Kenmerken psychische stoornis
Afwijkende gevoelens, gedachten of gedrag.
Belemmering in dagelijks functioneren.
Last voor zichzelf of omgeving (distress).
Beschreven in de DSM-5.
Je kunt de relatie tussen gedrag-probleemgedrag-stoornis toelichten.
Gedrag --> Alles wat iemand doet, denkt of voelt. (Een keer verdrietig zijn, verlegen
zijn)
Probleemgedrag --> Gedrag dat moeilijkheden veroorzaakt voor de persoon of
omgeving. Er is sprake van last, je hebt zelf last, je omgeving heeft last of je krijgt
last op een later moment (distress). Bijvoorbeeld. Vaak angstig zijn
Stoornis --> Er is sprake van:
Afwijkende gevoelens, gedachten of gedrag.
Ernstige beperking in dagelijks functioneren.
Voldoende symptomen volgens DSM-5 criteria.
Voorbeeld:
Iedereen is weleens bang.
, Bij een angststoornis is de angst extreem en belemmert deze het dagelijks
leven.
Kort samengevat:
Gedrag → Probleemgedrag → Psychische stoornis
Niet elk probleemgedrag is meteen een stoornis. Een psychische stoornis uit zich in
gevoelens, gedachten en gedrag.
Je kunt de begrippen diagnostiek, categoriseren en classificeren,
ontwikkelingsopgaven en opvoedtaken, epidemiologie, comorbiditeit en
prevalentie uitleggen.
Diagnostiek --> Bij diagnostiek onderzoek je de cliënt door middel van:
Gesprekken
Observeren
Vragenlijsten
Testen (bijvoorbeeld IQ-test of Strooptest)
Lichamelijk onderzoek
Om uiteindelijk tot een classificatie te komen.
Categoriseren --> Het indelen van kenmerken of gedragingen in groepen.
Voorbeeld: Angststoornissen vormen één categorie. Stemmingsstoornissen vormen
een andere categorie.
Classificeren --> DSM-5 classificeert, maar diagnosticeert niet.
Classificeren is het plaatsen van iemand binnen een DSM-5-stoornis op basis van
de vastgestelde criteria.
Ontwikkelingsopgaven en opvoedtaken
Baby/peuter 0-2 jaar -->
In hun eerste levensjaar moeten kinderen leren om de spanning en onlustgevoelens
te reguleren die horen bij honger of slaap. De eerste mijlpaal in de sociale
ontwikkeling van kinderen is veilige gehechtheid. Die bepaalt in belangrijke mate of
ze actief op onderzoek (durven) uitgaan. Aan het einde van het tweede levensjaar is
de ontwikkeling van het ik-besef belangrijk. Dat komt onder meer tot uiting in het nee
zeggen.
, Bijpassende opvoedopgaven --> soepel verzorgingsritueel en warme (sensitieve en
responsieve) interactie aanbieden; beschikbaar zijn; ruimte maar ook steun en
structuur geven
Peuter/kleuter (2-4 jaar) --> In deze periode komen geheugen en taal tot
ontwikkeling, en ook de fantasie het doen-alsofspel begint. In het derde levensjaar
worden leeftijdgenootjes belangrijk en leren kinderen samen te spelen zonder steeds
ruzie te maken. Daarnaast leren kinderen zich aan te passen en te accepteren dat
ze niet altijd hun zin kunnen krijgen: ze leren luisteren naar hun opvoeders.
Bijpassende opvoedopgaven --> sensitief zijn voor het cognitieve (betreft het
denken) niveau van het kind; positief en bevestigend omgaan met het kind. Op een
begripvolle en flexibele manier omgaan met de onzekerheden en tegenstrijdige
gevoelens van het kind, bijvoorbeeld tijdens de ontwikkeling van seksueel
bewustzijn, terwijl er tegelijkertijd duidelijke grenzen en discipline worden geboden.
Basisschoolkind (4-12 jaar) --> In deze periode zijn kinderen steeds beter in staat
zelf hun persoonlijke verzorging te doen. Ze oefenen zich in schoolse vaardigheden
zoals concentratie en planning. In het contact met leeftijdgenoten (meestal van de
eigen sekse) leren ze vriendschapsrelaties op te bouwen en het perspectief van
anderen te zien.
Bijpassende opvoedopgaven --> gelegenheid geven voor omgang met
leeftijdsgenoten; het ondersteunen en stimuleren van deelname aan het onderwijs;
waarderen van schoolse prestaties; het hanteren van democratische en warme
opvoedstijl.
Puberteit (4-12 jaar) en vroege adolescentie (12-16 jaar) --> Tijdens de puberteit
moet de jongere leren om de veranderingen van zijn lichaam te accepteren en te
waarderen. Vanaf een jaar of 14 neemt het contact met leeftijdgenoten van de
andere sekse toe (bij heteroseksuele jongeren). Het ontwikkelen van emotionele
zelfstandigheid en een (seksuele) persoonlijke identiteit is belangrijk. Deze
ontwikkelingsopgaven kunnen leiden tot meer conflicten met de ouders en andere
opvoeders, omdat adolescenten meer afstand gaan nemen van thuis.
Bijpassende opvoedopgaven --> emotionele steun bieden; tolerantie voor
experimenteren; leeftijdsadequate grenzen stellen voorbeeldfunctie vervullen.
Adolescent (16-23 jaar) --> eigen identiteit ontwikkelen, zelfstandig worden,
omgaan met leeftijdsgenoten, voorbereiden op volwassenheid. In deze fase bouwen
jongeren verder aan hun zelfstandigheid. Ze kiezen een opleiding en/of zoeken
werk, en worden zowel in financieel als emotioneel opzicht minder afhankelijk van
hun ouders. Die groei naar volwassenheid gaat vaak gepaard met minder conflicten
met de ouder(s), omdat de jongere steeds meer een eigen, zelfstandig leven leidt.
Daardoor kan een nieuw evenwicht in de relatie tussen jongere en ouder(s)
ontstaan.
Bijpassende opvoedopgaven --> praktische en emotionele steun bieden;
leeftijdsgerichte feedback geven (min of meer als gelijken); voorbeeldfunctie
vervullen.