,Economie: arbeid
5.1 Vraag en aanbod
https://www.examen-centraal.nl/niveau/vwo/vak/economie/topic/arbeidsmarkt
Vraag en aanbod
Op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn 3 belangrijke partijen:
Werkgevers Werknemers Overheid
vragen arbeid bieden arbeid grote werkgever
individuele werkgevers / individuele werknemers / ministerie
werkgevers werknemers adviesorganen
werkgeversorganisaties vakbonden
1. Je kunt de begrippen beroepsgeschikte bevolking, beroepsbevolking
en niet-beroepsbevolking uitleggen
beroepsgeschikte De beroepsgeschikte bevolking bestaat uit alle personen van 15 tot
bevolking 75 jaar ("geschikt om te werken").
(of potentiële Bestaat uit:
beroepsbevolking) - beroepsbevolking (werkzaam + werkloos)
- niet-beroepsbevolking (bijv. arbeidsongeschikten)
- Deze mensen bieden zich niet aan en zijn volgens
statistieken ook niet werkloos
- ‘wil niet werken, kan niet werken of zoekt niet actief
naar werk’
beroepsbevolking De beroepsbevolking is het aanbod van arbeid: alle personen van
15 tot 75 jaar die betaald werk hebben (werkzamen), of die geen
betaald werk hebben, recent naar betaald werk hebben gezocht en
daarvoor direct beschikbaar zijn (werklozen).
Bestaat uit:
Werkloze beroepsbevolking Werkzame beroepsbevolking
De werkloze beroepsbevolking De werkzame beroepsbevolking
is het deel van de is het deel van de
beroepsbevolking dat werkloos beroepsbevolking dat werkt.
is. Deze groep bestaat uit
personen van 15 tot 75 jaar
zonder betaald werk, die wel
recent naar werk gezocht
hebben en direct beschikbaar
zijn.
niet- Personen zonder betaald werk, die niet recent naar werk hebben
beroepsbevolking gezocht of daarvoor niet direct beschikbaar zijn (CBS).
Voorbeelden: arbeidsongeschikten, studenten, huismannen,
vervroegd gepensioneerden.
Participatiegraad
beroepsbevolking
x 100%
beroepsgeschikte bevolking
Een hoge participatiegraad is van belang om voldoende
belastinggeld en premies op te halen en zo bijvoorbeeld
1
,Economie: arbeid
betaalbaarheid van de vergrijzing garanderen.
2. Je kunt uitleggen dat de grootte van de beroepsbevolking continu
verandert door bijvoorbeeld immigratie/emigratie, het aanzuigeffect en
het ontmoedigingseffect
De beroepsbevolking verandert continu, bijvoorbeeld door:
● De groei van de bevolking: immigratie en emigratie
● het aanzuigeffect: meer mensen bieden zich aan als er veel productie en vraag naar
arbeid is (grotere kans op een baan) of werken aantrekkelijker wordt
○ (door bijvoorbeeld lagere belastingen op arbeid)
● het ontmoedigingseffect: minder mensen bieden zich aan als er weinig productie
en vraag naar arbeid is (kleinere kans op een baan) of werken minder aantrekkelijker
wordt
○ (door bijvoorbeeld lagere minimumlonen)
● De AOW-leeftijd en pre-pensioenregelingen
● het toenemend belang van ‘menselijk kapitaal’
○ gevolg: langer doorsturen
3. Je kunt uitleggen dat de vraag naar arbeid bestaat uit
werkgelegenheid en vacatures
Vraag naar arbeid (bedrijven en overheid)
Werkgelegenheid ➕ Vacatures
● de vervulde vraag naar arbeid ● de onvervulde vraag naar arbeid
● gelijk aan de werkzame ● werkgevers zijn nog opzoek naar
beroepsbevolking personeel
Let op: verborgen werkgelegenheid Er kunnen tegelijkertijd vacatures en
wordt niet meegeteld in de officiële werklozen zijn
statistieken (CBS) → werklozen op de verkeerde plek
→ omdat er geen officieel wonen of niet over de juiste opleiding
inkomen wordt verdiend beschikken om de vacature te
VB. zwart werken of vrijwilligerswerk vervullen
4. Je kunt het verschil tussen een krappe en een ruime arbeidsmarkt
uitleggen
krappe arbeidsmarkt ruime arbeidsmarkt
omschrijving ● de vraag naar arbeid is groter ● de vraag naar arbeid is
2
,Economie: arbeid
dan het aanbod van arbeid kleiner dan het aanbod van
● bedrijven hebben veel arbeid
vacatures, er zijn weinig ● er zijn weinig vacatures en
werklozen (veel) werkloosheid
wat gebeurt ● lonen stijgen, werknemers ● lonen blijven op korte
er met de hebben een sterke termijn gelijk, bijvoorbeeld
lonen? onderhandelingspositie door cao’s (dit zorgt voor
● echter, er komen mogelijk neerwaartse loonstarheid)
beperkte(re) looneisen door ● op lange termijn zijn lonen
verminderde flexibeler doordat er nieuwe
ontslagbescherming van afspraken tussen
werknemers en een werkgevers en werknemers
toenemend aantal kunnen worden gemaakt
flexwerkers over de
arbeidsvoorwaarden
5. Je kunt uitleggen wat (neerwaartse) loonstarheid betekent
Loonstarheid: Er is sprake van loonstarheid als lonen op korte termijn gelijk blijven,
bijvoorbeeld door cao-afspraken.
● Brutolonen liggen voor een bepaalde periode vast en kunnen dus niet dalen
Neerwaartse loonstarheid: een daling van de lonen komt op korte termijn bijna nooit voor.
Er wordt daarom ook gesproken van neerwaartse loonstarheid. Op lange termijn zijn lonen
flexibel(er).
6. Je kunt de begrippen arbeidsjaar en p/a ratio uitleggen en hiermee
rekenen
Als veel mensen aan het werk zijn, wil dat niet zeggen dat er veel werkgelegenheid is. Bij de
vraag naar arbeid is het namelijk belangrijk om rekening te houden met deeltijdwerk.
Deeltijdwerk: Er is sprake van deeltijdwerk als iemand minder dan de normale volledige
werkweek werkt (in veel functies is een volledige werkweek 36 uur).
Arbeidsjaar p/a ratio
full-time baan personen t.o.v arbeidsjaren
● een fulltime baan gedurende een ● personen gedeeld door arbeidsjaren
heel jaar ● de verhouding tussen de
● fulltime baan is normaal gesproken: werkgelegenheid in personen de
36 uur per week werkgelegenheid in arbeidsjaren
● voorbeeld: twee mensen die allebei ● als meer mensen in deeltijd gaan
18 uur per week werken, tellen in werken, neemt de p/a-ratio toe
totaal 1 arbeidsjaar mee
werkgelegenheid in personen
(p)
werkgelegenheid in
7. Je kunt het verband tussen werkgelegenheid, productie
arbeidsjaren (a) en
arbeidsproductiviteit uitleggen en hiermee rekenen
De werkgelegenheid in een land of bedrijf hangt af van de productie (het bbp voor een
heel land) en de gemiddelde productie per werknemer in een bepaalde periode
(arbeidsproductiviteit)
3
, Economie: arbeid
● op macro-economisch niveau (bijvoorbeeld voor een heel land of voor de gehele
Europese unie) wordt er vaak gekeken naar de procentuele verandering van de
werkgelegenheid
○ gebruikmaken van indexcijfers
productie
werkgelegenheid=
gemiddeld productie per werknemer
(=arbeidsproductiviteit)
index productie
indexcijfer x 100%
werkgelegenheid = index
(=arbeidsproductiviteit)
Rekenvoorbeeld:
Als de productie in een jaar met 10% stijgt en de arbeidsproductiviteit stijgt met 5%, dan is
het indexcijfer voor de werkgelegenheid gelijk aan (110/105) x 100%= 104,76. De
werkgelegenheid is dan dus met 4.76% gestegen ten opzichte van het vorige jaar.
8. Je kunt de factoren noemen die de arbeidsproductiviteit beïnvloeden
4 belangrijke oorzaken voor een toename van de arbeidsproductiviteit
scholing ● investeren in human capital (kennis en ervaring van
werknemers)
● toegevoegde waarde van hoogopgeleid personeel is (vaak)
groter
specialisatie ● een bedrijf richt zich op het maken of verkopen van 1
specifieke productsoort
diepte ● een bedrijf kiest voor kapitaal-intensieve techniek
investeringen ● per werknemer wordt meer kapitaal (machines) gebruikt
Toelichting:
Gaat de onderneming over op een kapitaalintensieve techniek. Per
werknemer worden er meer kapitaalgoederen (machines) gebruikt.
De arbeidsproductiviteit stijgt
gevolgen:
- hoogopgeleid personeel wordt belangrijker
- ontslag van een deel van het personeel
breedte-investeringen: een onderneming kiest dan voor de
bestaande techniek. Per werknemer blijft evenveel kapitaal
(machines) in gebruik. De arbeidsproductiviteit blijft gelijk
arbeidsvreugde ● fluitend naar je werk?
● werken om te leven (in het weekend?)
9. Je kunt het verschil tussen een individuele arbeidsovereenkomst en
een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) uitleggen
Er zijn twee soorten arbeidsovereenkomsten, bij een vast contract:
individuele arbeidsovereenkomst collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
4