• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 95 pages
Summary

Volledige PDKA Samenvatting Psychodiagnostiek Kinderen en Adolescenten (001006) – 20/20 Behaald | FACE-methode, Slides, Boek & Toets-jezelf-vragen

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 95 pages

Deze uitgebreide samenvatting voor Psychodiagnostiek Kinderen en Adolescenten (PDKA – 001006) is gebaseerd op de cursusslides, het handboek Diagnostiek van kind, opvoeding en gezin: met de FACE-methode van prof. Smadar Celestin-Westreich & Louis-Paul Celestin, en de toets-jezelf-vragen uit de cursus. Met deze samenvatting behaalde ik zelf 20/20 voor het vak. De leerstof is volledig herwerkt tot een gestructureerde en examengerichte samenvatting met duidelijke uitleg, kernbegrippen, onthoudkaders en praktische voorbeelden. Alle hoofdstukken komen aan bod, waaronder de FACE-methode, evidence-based diagnostiek, kinddiagnostiek, opvoedings- en gezinsonderzoek, ontwikkelingspsychologie, diagnostisch redeneren, aanmelding en intake, diagnostische vraagstelling, kind- en testonderzoek, risicotaxatie, beslisboom, rapportage en advies. Ideaal voor studenten Klinische Psychologie aan de VUB die de volledige leerstof efficiënt willen beheersen en zich optimaal willen voorbereiden op het examen.

Content preview

Inhoudstafel
Studiehulpmiddel - Psychodiagnostiek kinderen en adolescenten (PDKA) | Docent/auteur: Smadar Celestin-Westreich
Eigen samenvatting op basis van o.a. Celestin-Westreich & Celestin (2021), Diagnostiek van kind, opvoeding en gezin: met de FACE-
methode.




Hoofdstuk 1 — Wat is kinddiagnostiek en wat maakt haar uniek?............2
Hoofdstuk 2 — Hoe handel je evidence-based? De FACE-aanpak..............6
Hoofdstuk 3 — Het kind in focus: wat en waarom?..................................10
Hoofdstuk 4 — De opvoeding in focus: wat en waarom?.........................14
Hoofdstuk 5 — Het gezin in focus: wat en waarom?.................................20
Hoofdstuk 6 — Hoe handel je professioneel?............................................27
Hoofdstuk 7 — Hoe verzamel je de informatie?........................................31
Hoofdstuk 8 — Hoe organiseer je de informatie?......................................37
Hoofdstuk 9 — Hoe duid je de informatie?................................................42
Hoofdstuk 10 — Stappenplan, risicotaxatie en beslisboom......................47
Hoofdstuk 11 — Aanmelding......................................................................51
Hoofdstuk 12 — Intake...............................................................................56
Hoofdstuk 13 — Intakeanalyse, vragen en gericht onderzoek..................62
Hoofdstuk 14 — Kindonderzoek / testonderzoek......................................68
Hoofdstuk 15 — Het opvoedingsonderzoek...............................................73
Hoofdstuk 16 — Gezinsonderzoek..............................................................81
Hoofdstuk 17 — Besluit, advies en rapportage..........................................87




1

,Hoofdstuk 1 — Wat is kinddiagnostiek en wat maakt haar uniek?
Kinddiagnostiek gaat over vakkundige en doelgerichte oordeelsvorming over het kind én zijn omgeving. Je gebruikt
vakkennis, professionele vaardigheden en systematische informatieverzameling om de situatie te beschrijven, te be-
grijpen en te vertalen naar advies. Diagnostiek begint dus niet pas bij testafname; zodra je professioneel oordeelt
over een kind, de opvoeding, het gezin of de schoolcontext, ben je diagnostisch bezig. Het centrale doel is dat je kan
ver- antwoorden wat je doet, waarom je het doet en hoe je tot je oordeel komt.
Een belangrijk uitgangspunt is het verschil tussen alledaags en professioneel oordelen. Alledaags oordelen gebeurt
automatisch, intuïtief en vaak gevoelsmatig. Professioneel oordelen is expliciet, doelgericht en gebaseerd op vakken-
nis. Daarom moet de diagnosticus zijn eigen indrukken, gevoelens en denkfouten leren herkennen en bijsturen.
Syste- matisch oordelen is hierbij cruciaal: je werkt volgens een plan, verzamelt doelgericht informatie en bewaakt
betrouw- baarheid en validiteit.
Kinddiagnostiek is uniek door de kinddiagnostische paradox: het kind staat meestal centraal in de aanmelding, maar
meldt zichzelf zelden aan. Ouders, school of verwijzers formuleren vaak de hulpvraag. Daardoor kan er spanning zijn
tussen wat volwassenen als probleem zien en hoe het kind de situatie zelf beleeft. Het kind is bovendien afhankelijk
van volwassenen en vaak niet volledig vrij in deelname aan diagnostiek. Daarom vraagt kinddiagnostiek extra
aandacht voor vertrouwen, motivatie, vertrouwelijkheid en de relatie met het kind.
De ontwikkeling van het kind maakt diagnostiek extra complex. Kinderen zijn nog volop in ontwikkeling op verbaal,
cognitief, emotioneel, relationeel en gedragsmatig vlak. Ze kunnen zich niet altijd goed uitdrukken, waardoor aange-
paste methoden nodig zijn om hun zelfexpressie mogelijk te maken. Bovendien is er ontwikkelingsvariabiliteit: kin-
deren verschillen onderling, en binnen één kind kunnen ontwikkelingsdomeinen ongelijk verlopen. Leeftijd alleen is
dus nooit voldoende als maatstaf.
Omdat kind en context onlosmakelijk verbonden zijn, moet kinddiagnostiek altijd contextgericht zijn. Zelfs wanneer
de klacht over het kind gaat, kunnen opvoeding, gezin, school of bredere omgeving bijdragen aan de problemen of
juist beschermend werken. Methodologisch leidt dit tot een multi-informant en multi-method werkwijze: je verza-
melt informatie bij kind, ouders, leerkracht en eventueel andere betrokkenen, en combineert gesprekken,
observaties, vragenlijsten, tests en dossierinformatie.
Verder moet je twee basisonderscheiden goed kennen. Een situatie kan categorisch worden beschreven, waarbij
ken- merken worden samengebracht tot een integratief beeld dat aan- of afwezig is, zoals ADHD of ASS. Ze kan ook
dimen- sioneel worden beschreven, waarbij je kijkt naar de mate waarin kenmerken aanwezig zijn. Daarnaast kan je
informatie nomothetisch duiden door te vergelijken met een normgroep, of ideografisch duiden door te kijken naar
wat deze situatie betekent voor dit specifieke kind en gezin.
Vakkundige kinddiagnostiek steunt op vier pijlers: vakinhoudelijke kennis, een diagnostisch proces, een
diagnostische cyclus en cognitieve-emotionele vaardigheden van de diagnosticus. In andere formuleringen worden
deze pijlers ook samengevat als vakinhoud, proces/cyclus, methoden en vaardigheden. De kern blijft dat je
kinddiagnostiek professio- neel moet besturen: inhoudelijk, methodisch én via reflectie op je eigen denken en
voelen.

1. Met welke werkdefinitie van diagnostiek kun je van start?
Diagnostiek is vakkundige oordeelsvorming. Je gebruikt de kennis en vaardigheden waarin je bent opgeleid. Je oord-
eelt vanuit vakkennis en met een afgebakend professioneel doel.
In kinddiagnostiek betekent dit dat je niet zomaar indrukken vormt over een kind, maar doelgericht informatie verza-
melt en verwerkt over het kind én zijn omgeving. Het doel is om de situatie te beschrijven, te begrijpen/verklaren en
uiteindelijk een verantwoord advies te formuleren.
Kort onthouden: diagnostiek = vakkundig, doelgericht en verantwoord oordelen over kind en context.
2. Hoe verschilt professioneel van alledaags oordelen?
Alledaags oordelen gebeurt continu, zonder noodzakelijk vakkennis te gebruiken. Het vertrekt vaak vanuit automatisch
denken, gevoelens, indrukken en intuïtie. Het heeft ook niet noodzakelijk een duidelijk professioneel doel.
Professioneel oordelen gebruikt wél vakkennis en is doelbewust. Je oordeelt met een afgebakend vakkundig doel en
je moet kunnen verantwoorden wat je doet, waarom je het doet en hoe je tot je oordeel komt.


2

,Het verschil zit dus vooral in:
1. Vakkennis: professioneel oordelen steunt op kennis over ontwikkeling, opvoeding en gezin.
2. Doelgerichtheid: je oordeelt met een duidelijk diagnostisch doel.
3. Verantwoording: je moet je oordeel transparant kunnen onderbouwen.
Examenfocus: professioneel oordelen is niet gewoon “beter aanvoelen”, maar bewust, onderbouwd en
toetsbaar oordelen.
3. Welke vakkundige bijdragen haal je uit systematisch tegenover vrij oordelen?
Dankzij systematisch oordelen kun je doelgericht informatie verzamelen. Je kiest bewust welke informatie je
verzamelt, bij wie je die verzamelt en hoe je dat doet. Daardoor kun je ook denk- en voelfouten beter controleren.
Vrij oordelen verloopt zonder duidelijk voorafgaand plan. Je laat je dan sterker leiden door eerste indrukken, gevoelens
of wat toevallig in het gesprek naar voren komt. Dat verhoogt het risico op tunnelvisie, halo-effect, spoordenken of
andere vertekeningen.
Systematisch oordelen helpt dus bij:
1. Betrouwbaarheid: je oordeel wordt standvastiger.
2. Validiteit: je meet of onderzoekt beter wat je wil weten.
3. Transparantie: je kan je redenering uitleggen.
4. Biascontrole: je beperkt automatische denk- en voelfouten.
Kort onthouden: systematisch oordelen maakt diagnostiek professioneler omdat je niet zomaar volgt wat je spon-
taan denkt of voelt.
4. Welke extra uitdaging omvat de participerende diagnostiek in het werkveld?
De extra uitdaging van participerende diagnostiek is dat je tegelijk moet handelen in het dagelijks leven én vakkundig
moet oordelen.
Bij participerende diagnostiek ben je niet alleen diagnosticus, maar ook begeleider of behandelaar. Je hebt dus een
dubbele rol. Bijvoorbeeld: een leefgroepbegeleider ziet een kind dagelijks functioneren en vormt tegelijk diagnostische
oordelen over dat kind.
Dat heeft een voordeel: je krijgt veel ecologisch valide informatie, omdat je het kind ziet in gewone dagelijkse
situaties. Maar het risico is dat je emotioneel betrokken raakt en je oordelen sneller impliciet, vrij of gekleurd
Kort onthouden: participerende diagnostiek geeft rijke informatie, maar vraagt extra zelfsturing omdat betrok-
kenheid je oordeel kan vertekenen.
worden.




5. Volgens welke twee manieren kun je een kind- en gezinssituatie diagnostisch beschrijven?
De situatie van een kind en zijn omgeving kun je categorisch of dimensioneel beschrijven.
1. Categorische beschrijving
Een categorische beschrijving groepeert kenmerken tot één integratief beeld dat aan- of afwezig is. Je
denkt dan in termen van: is er sprake van ADHD, ASS, een gedragsstoornis, enzovoort?
Het voordeel is dat het overzicht geeft. Het risico is dat het te zwart-wit kan worden.
2. Dimensionele beschrijving
Een dimensionele beschrijving geeft de mate waarin kenmerken of eigenschappen aanwezig zijn. Je kijkt
dus naar gradaties: hoe sterk zijn de aandachtsproblemen, hoe ernstig is de opvoedingsstress, hoe
uitgesproken zijn internaliserende of externaliserende problemen?
Het voordeel is nuance. Het risico is dat je het totaalbeeld verliest als je enkel losse dimensies bekijkt.
Kort onthouden: categorisch = is het er of niet? Dimensioneel = in welke mate is het er?
6. Volgens welke twee soorten maatstaven kun je over de kind- en gezinssituatie oordelen?
De situatie van een kind en zijn omgeving kun je toetsen aan nomothetische of ideografische maatstaven.

3

, 1. Nomothetische maatstaf
Je toetst de eigenschappen van het kind of zijn omgeving aan die van een vergelijkbare groep, bijvoorbeeld
kinderen van dezelfde leeftijd, ouders of gezinnen. Dit gebeurt vaak via testnormen.
Voorbeeld: een CBCL-score vergelijken met een normgroep.
2. Ideografische maatstaf
Je toetst de situatie van het kind en gezin aan hoe geschikt die situatie is voor hén, in termen van aanpassing
en welzijn. Je kijkt dus naar de unieke context.
Voorbeeld: een gedrag is statistisch niet extreem, maar binnen dit specifieke gezin of deze schoolcontext
toch problematisch.
Kort onthouden: nomothetisch = vergelijken met anderen. Ideografisch = begrijpen binnen de eigen context.
7. Hoe maakt de kinddiagnostische paradox de kinddiagnostiek uniek?
De kinddiagnostische paradox maakt kinddiagnostiek uniek omdat het kind zich zelden zelf aanmeldt, in tegenstelling
tot volwassenen.
Het kind is vaak de focus van de aanmelding, maar de hulpvraag komt meestal van ouders, school of een verwijzer.
Daardoor kan het kind het probleem anders beleven of zelfs niet als probleem ervaren. Tegelijk moet je de
volwassenen rond het kind mee betrekken, omdat kindproblemen altijd in context begrepen moeten worden.
De paradox is dus: het kind staat centraal in de diagnostiek, maar vraagt meestal zelf niet om diagnostiek. Daarom
moet je altijd rekening houden met kind, ouders/opvoeders, gezin, school en bredere context.
Kort onthouden: kinddiagnostiek is uniek omdat het kind vaak ongevraagd object van onderzoek is en
afhankelijk is van volwassenen.
8. Bespreek de vier belangrijkste uitdagingen van de kinddiagnostische paradox.
1. De aanmelding
Het kind meldt zichzelf zelden aan. Daarom moet je bij de aanmelding rekening houden met het hele sys-
teem rond het kind: ouders/opvoeders, school en eventuele verwijzers. Je moet nagaan wie het probleem
formuleert en of het kind, de ouders en de school de situatie op dezelfde manier beleven.
2. De afhankelijkheidspositie van het kind
Het kind is afhankelijk van ouders en hulpverleners en wordt daardoor als het ware tot hulp gedwongen. Dit
vraagt extra zorg voor de hulprelatie: vertrouwen, vertrouwelijkheid, medewerking en motivatie zijn cruci-
aal.
3. De vaardigheden van het kind
De vaardigheden van het kind zijn nog in ontwikkeling. Denk aan taal, begrip, zelfinzicht, metacognitie en
emotieregulatie. Daarom heb je aangepaste methoden nodig om informatie te verzamelen en de zelfexpres-
sie van het kind mogelijk te maken.
4. De ontwikkelingsvariabiliteit
Kinderen ontwikkelen zich niet gelijkmatig op fysiek, emotioneel, cognitief en relationeel vlak. Daardoor zijn
er geen vaste maatstaven om de kindsituatie eenvoudig te beoordelen. Je moet je oordelen extra transpa-
rant onderbouwen en verantwoorden.
Kort onthouden: aanmelding — afhankelijkheid — vaardigheden — ontwikkelingsvariabiliteit.
9. Welke methodologische gevolgen heeft de kinddiagnostische paradox?
De multi-method, multi-informantenwerkwijze is het specifieke methodologische gevolg van de kinddiagnostische
paradox.
Om een kindsituatie vakkundig te beschrijven, te begrijpen en te adviseren, moet je altijd de omgeving van het kind
betrekken. Je verzamelt dus informatie bij meerdere informanten, zoals kind, ouders, leerkracht en eventueel verwij-
zers. Daarnaast gebruik je meerdere methoden, zoals gesprek, observatie, vragenlijsten, testen en dossierinformatie.
De methoden van informatieverzameling moeten ook aangepast worden aan de informant. Bij een jong kind kan je
bijvoorbeeld niet op dezelfde manier informatie verzamelen als bij ouders of leerkrachten. Je moet rekening houden
met leeftijd, taalniveau, zelfinzicht en emotionele ontwikkeling.
Kort onthouden: door de kinddiagnostische paradox moet je altijd multi-informant, multi-method en contextge-
richt werken.


4

Table of contents

  1. 01 Hoofdstuk 1 — Wat is kinddiagnostiek en wat maakt haar uniek? 2
    1. 1. Met welke werkdefinitie van diagnostiek kun je van start? 2
    2. Kort onthouden: diagnostiek = vakkundig, doelgericht en verantwoord oordelen over kind en context. 2
    3. 2. Hoe verschilt professioneel van alledaags oordelen? 2
    4. Het verschil zit dus vooral in: 3
    5. 3. Welke vakkundige bijdragen haal je uit systematisch tegenover vrij oordelen? 3
    6. Systematisch oordelen helpt dus bij: 3
    7. 4. Welke extra uitdaging omvat de participerende diagnostiek in het werkveld? 3
    8. 5. Volgens welke twee manieren kun je een kind- en gezinssituatie diagnostisch beschrijven? 3
    9. 1. Categorische beschrijving 3
    10. 2. Dimensionele beschrijving 3
    11. Kort onthouden: categorisch = is het er of niet? Dimensioneel = in welke mate is het er? 3
    12. 6. Volgens welke twee soorten maatstaven kun je over de kind- en gezinssituatie oordelen? 3
    13. 1. Nomothetische maatstaf 4
    14. 2. Ideografische maatstaf 4
    15. Kort onthouden: nomothetisch = vergelijken met anderen. Ideografisch = begrijpen binnen de eigen context. 4
    16. 7. Hoe maakt de kinddiagnostische paradox de kinddiagnostiek uniek? 4
    17. 8. Bespreek de vier belangrijkste uitdagingen van de kinddiagnostische paradox. 4
    18. 1. De aanmelding 4
    19. 2. De afhankelijkheidspositie van het kind 4
    20. 3. De vaardigheden van het kind 4
    21. 4. De ontwikkelingsvariabiliteit 4
    22. Kort onthouden: aanmelding — afhankelijkheid — vaardigheden — ontwikkelingsvariabiliteit. 4
    23. 9. Welke methodologische gevolgen heeft de kinddiagnostische paradox? 4
    24. 10. Bespreek de vier basispijlers van vakkundige kinddiagnostiek. Vakkundige kinddiagnostiek steunt op vier basispijlers: 5
    25. 1. Vakinhoudelijke kennis 5
    26. 2. Proces van handelen, denken en voelen 5
    27. 3. Diagnostische cyclus 5
    28. 4. Cognitieve en emotionele vaardigheid 5
    29. Kort onthouden: vakkundige kinddiagnostiek vraagt kennis, proces, cyclus en zelfsturing. 5
  2. 02 Hoofdstuk 2 — Hoe handel je evidence-based? De FACE-aanpak 6
    1. 1. Benoem en omschrijf de drie soorten evidence-base voor de kinddiagnostiek. De drie soorten evidence-base voor de kinddiagnostiek zijn: 6
    2. 1. Empirische of onderzoeksevidence 6
    3. 2. Practice-based evidence 7
    4. 3. Cliënt-based of cliëntevidence 7
    5. 2. Omschrijf de vier belangrijkste uitdagingen voor evidence-based kinddiagnostiek. De belangrijkste uitdagingen van evidence-based kinddiagnostiek zijn: 7
    6. 1. Selectie van relevante onderzoeksevidence 7
    7. 2. Vertaalslag van onderzoeksevidence naar maatwerk 7
    8. 3. Transparantie van praktijk- en cliëntevidence 7
    9. 4. Vakkundige onderbouwing en integratie van de evidence-base 7
    10. 3. Welke meetbare draagvakken bevat het FACE-model van het biopsychosociale ontwikkelingsdraagvlak? Het FACE-model omvat de volgende draagvakken of leefgebieden van het kind: 7
    11. 1. Kindontwikkeling 7
    12. 2. Kindaanleg 7
    13. 3. Opvoeding 7
    14. 4. Ouders/opvoeders 7
    15. 5. Gezin 7
    16. 6. Familie 7
    17. 7. School 7
    18. 8. Omgeving 9
    19. 4. Hoe draagt de inventaris van draaglasten en -krachten voor het kind en zijn omgeving bij tot je diagnostische overzicht en inzicht? 9
    20. Door beide in kaart te brengen, zie je: 9
    21. 5. Hoe draagt het onderzoek van de individuele denk-voel-doedynamiek van het kind en de opvoeders bij tot het diagnostische advies? 9
    22. Kern: de denk-voel-doedynamiek toont waarom gedrag ontstaat en waar verandering mogelijk is. 9
    23. 6. Wat is het nut om functionele van structurele eigenschappen te onderscheiden in de kinddiagnostiek? 9
    24. Kort onthouden: 9
    25. 1. Structureel = rekening mee houden. 9
    26. 2. Functioneel = op ingrijpen/veranderen. 9
    27. 7. Welk verband is er tussen epigenetisch gestuurde neuroplasticiteit en een kinddiagnostisch advies? 9
    28. Kern: omdat het brein en gedrag veranderbaar zijn, moet kinddiagnostisch advies altijd handelingsgericht zijn. 10
    29. 8. Wat betekent het tipping point voor de kinddiagnostiek? 10
    30. Voor diagnostiek is dit belangrijk omdat je nagaat: 10
    31. Kern: het tipping point verklaart waarom het kind of gezin op dat moment in de hulpverlening terechtkomt. 10
    32. 9. Wat is het doel van de FACE-methodiek in het kader van evidence-based diagnostiek? 10
    33. FACE werkt op twee niveaus: 10
    34. 10. Op welke manieren ondersteunt het FACE’ogram de evidence-based kinddiagnostiek? Het FACE’ogram biedt een dubbele ondersteuning voor evidence-based kinddiagnostiek: 10
    35. 1. Inhoudelijk overzicht van het relevante ontwikkelingsdraagvlak 10
    36. 2. Transparante monitoring van de oordeelsvorming 10
    37. Kern: het FACE’ogram geeft overzicht over de stressbalans én bewaakt het diagnostisch denkproces. 10
  3. 03 Hoofdstuk 3 — Het kind in focus: wat en waarom? 11
    1. 1. Welke maatstaven bieden ontwikkelingsmijlpalen voor de kinddiagnostiek? 12
    2. 2. Waarom zijn testmaatstaven nodig naast ontwikkelingsmijlpalen in het kindonderzoek? 12
    3. 3. Noem drie diagnostische uitdagingen die uit de ontwikkelingsdynamiek volgen. De ontwikkelingsdynamiek zorgt voor drie belangrijke diagnostische uitdagingen: 12
    4. 1. Verwachtingen over het kind zijn moeilijk vast te leggen 12
    5. 2. Binnen één kind kunnen ontwikkelingsdomeinen ongelijk verlopen 12
    6. 3. Voor opvoeding en gezin bestaan minder vaste maatstaven 12
    7. 4. Wat betekent interindividuele ontwikkelingsvariabiliteit voor de kinddiagnostiek? Geef een voorbeeld. 12
    8. Kort onthouden: interindividueel = verschillen tussen kinderen van dezelfde leeftijd. 12
    9. 5. Wat betekent intra-individuele ontwikkelingsvariabiliteit voor de kinddiagnostiek? Geef een voorbeeld. 13
    10. 6. Welke vorm van diagnostisch denken vergt de multifinaliteit van de ontwikkeling? Geef een voorbeeld. 13
    11. 7. Welke vorm van diagnostisch denken vergt de equifinaliteit van de ontwikkeling? Geef een voorbeeld. 13
    12. 8. Welk gevolg hebben mediators in de ontwikkeling voor je diagnostische denken? Leg uit met een voorbeeld. 13
    13. 9. Welk gevolg hebben moderators in de ontwikkeling voor je diagnostische denken? Geef een voorbeeld. 13
    14. 10. Wat is het verband tussen beschermende en risicofactoren in de ontwikkeling enerzijds, en het onderzoek van de opvoeding en het gezin in de kinddiagnostiek anderzijds? 14
    15. Zeer belangrijk voor MCQ’s: 14
    16. 1. Multifinaliteit = zelfde start → verschillende uitkomsten → convergent denken. 14
    17. 2. Equifinaliteit = verschillende startsituaties → zelfde uitkomst → divergent denken. 14
  4. 04 Hoofdstuk 4 — De opvoeding in focus: wat en waarom? 15
    1. Samenvattende tekst 15
    2. Toets jezelf 16
    3. Link met meting 19
    4. Het opvoedingsdraagvlak kan onderzocht worden via gesprek, observatie, vragenlijsten en FACE-ana- lyse. Gesprek en observatie helpen om de ouder-kindinteractie concreet te begrijpen; vragenlijsten helpen om opvoedingsgedrag, opvoedingsbelasting en ouder-kindrelatie systematischer te objecti- veren. 20
    5. Examenlink 20
  5. 05 Hoofdstuk 5 — Het gezin in focus: wat en waarom? 21
    1. Samenvattende tekst 21
    2. Toets jezelf 22
    3. Link met meting 26
    4. Het gezinsdraagvlak wordt vooral formeel onderzocht via vragenlijsten en gezinsinstrumenten. Die helpen om gezinsstructuur, gezinsfunctioneren, gezinsbeleving, subsystemen, grenzen en omge- vingsfactoren systematisch in kaart te brengen. Omdat gezinsfunctioneren contextueel en curviline- air is, moeten scores altijd ideografisch worden teruggekoppeld naar dit kind en dit gezin. 26
    5. Examenlink 26
  6. 06 Hoofdstuk 6 — Hoe handel je professioneel? 29
    1. Samenvattende tekst 29
    2. Toets jezelf 29
    3. Examenlink 32
  7. 07 Hoofdstuk 7 — Hoe verzamel je de informatie? 33
    1. Samenvattende tekst 33
    2. Toets jezelf 34
    3. Examenlink 38
  8. 08 Hoofdstuk 8 — Hoe organiseer je de informatie? 39
    1. Samenvattende tekst 39
    2. Toets jezelf 39
    3. Examenlink 43
  9. 09 Hoofdstuk 9 — Hoe duid je de informatie? 44
    1. Samenvattende tekst 44
    2. Toets jezelf 44
    3. Examenlink 47
  10. 10 Hoofdstuk 10 — Stappenplan, risicotaxatie en beslisboom 49
    1. Samenvattende tekst 49
    2. Toets jezelf 49
    3. Examenlink 52
  11. 11 Hoofdstuk 11 — Aanmelding 53
    1. Samenvattende tekst 53
    2. Toets jezelf 53
    3. Examenlink 56
  12. 12 Hoofdstuk 12 — Intake 58
    1. Samenvattende tekst 58
    2. Toets jezelf 58
    3. Examenlink 64
  13. 13 Hoofdstuk 13 — Intakeanalyse, vragen en gericht onderzoek 65
    1. Samenvattende tekst 65
    2. Toets jezelf 66
    3. Examenlink 69
  14. 14 Hoofdstuk 14 — Kindonderzoek / testonderzoek 71
    1. Samenvattende tekst 71
    2. Toets jezelf 71
    3. Examenlink 75
  15. 15 Hoofdstuk 15 — Het opvoedingsonderzoek 76
    1. Samenvattende tekst 76
    2. Toets jezelf 76
    3. Link met meting 82
    4. Examenlink 83
  16. 16 Hoofdstuk 16 — Gezinsonderzoek 84
    1. Samenvattende tekst 84
    2. Toets jezelf 84
    3. Link met meting 88
    4. Examenlink 88
  17. 17 Hoofdstuk 17 — Besluit, advies en rapportage 90
    1. Samenvattende tekst 90
    2. Toets jezelf 90
    3. Examenlink 94
  18. 18 Bronvermelding en gebruiksnota 95

Document information

Study
Uploaded on
June 29, 2026
Number of pages
95
Written in
2025/2026
Type
Summary
$21.36

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
1
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions