AARDRIJKSKUNDE HOOFDSTUK 2
§1 Zo’n 45 miljard jaar geleden ontstond onze aarde samen met de andere planeten van ons
zonnestelsel.
Bij een aardbeving ontstaan trillingen die vervolgens dwars door de aarde gaan. Overal ter
wereld kunnen ze worden opgevangen en geregistreerd. Seismologen (aardbevingsdeskundigen)
doen dat al jaren en hebben uit deze gegevens kunnen afleiden hoe de aarde vanbinnen is
opgebouwd. Ze ontdekte in de aarde vast gesteente in de kern,
met daaromheen traag stromend gesteente in de aardmantel,
verhit door de afgifte van warmte uit de kern. De buitenkant van
de aarde is weer harde korst. De temperatuur en de druk
nemen toe met de diepte. In de aardkorst stijgt de temperatuur
iedere 1000 meter met ongeveer 15 tot 30 graden Celsius tot
soms meer dan 200 graden Celsius in vulkanische gebieden. In
de aardkern loopt de temperatuur op tot ruim 5000 graden
Celsius. De hoge druk in de aardkern komt door het gewicht
van het gesteente dat erboven ligt. Vanaf de aardkern tot de
korst is de afstand bijna 6400 kilometer. Dit zorgt ervoor dat de
druk in de aardkern wel vier miljoen maal hoger is dan aan het
aardoppervlak. Deze enorme druk zorgt ervoor dat de aardkern uit vast materiaal bestaat.
De oceaanbodem of oceanische korst is gemiddeld ongeveer 8 kilometer dik en bestaat vooral uit
het vrij zware gesteente basalt. Continenten zijn veel dikker, onder gebergten zelfs 40 tot 80
kilometer dik. Ze bestaan uit veel lichter gesteente zoals graniet. Oceaanbodem én continenten
‘drijven’ beide op het mantelgesteente. Door technieken van geluidsgolven van boten en
tegenwoordig satellieten werd een heel systeem van ‘onderwatergebergten’ op de bodem van de
verschillende oceanen ontdekt. Deze hogere delen noem je midoceanische ruggen. Ook werden
er diepe kloven in de oceaanbodem ontdekt. Deze diepzeetroggen liggen bijvoorbeeld langs de
randen van de Grote Oceaan en kunnen kilometers diep zijn.
Het ontstaan van convectiestromingen:
1. het gesteente in de mantel wordt door de aardkern verwarmd;
2. het gesteente zet uit en wordt lichter;
3. tot slot gaat het gesteente opstijgen.
§2 De aardkorst is verdeeld in platen. De meeste aardplaten of schollen bestaan uit zowel
continent als oceaanbodem. Doordat deze aardplaten als een puzzel in elkaar passen, zal een
beweging op de ene plaats doorwerken naar andere plaatsen.
De volgende bewegingen komen voor bij het contact tussen aardplaten:
Bij convergente plaatgrenzen botsen twee aardplaten tegen elkaar. Wanneer bij deze
botsing oceanische korst betrokken is, zal de zwaardere oceanische korst schuin
wegduiken onder de andere aardplaat. De andere plaat kan zowel oceanische korst als
continentale korst zijn.
Hierbij ontstaat een diepe sleuf in de zeebodem, de diepzeetrog. Het wegduiken van de
oceanische korst, wordt subductie genoemd.
Bij divergente plaatgrenzen bewegen twee aardplaten uit elkaar. Op plekken waar
vloeibaar gesteente uit de aardmantel tegen de aardkorst drukt, kan de aardkorst breken.
Bij transforme plaatgrenzen bewegen twee aardplaten langs elkaar.
De aardkorst bestaat uit platen die voortdurend in beweging zijn. Dat wordt veroorzaakt door
convectiestromen in de aardmantel. Heet magma komt naar boven tegen de aardkorst aan. Het
magma moet zijdelings wegstromen en neemt dan stukken aardkorst mee. Op sommige plekken
breekt de aardkorst en stroomt het magma als lava naar
buiten. Zo ontstaan divergente breuken. De ruimte van zo’n
breuk wordt direct gevuld met lava. Die stolt tot basalt en zo
, ontstaat nieuwe oceaanbodem. Telkens als er door het uit elkaar bewegen van de aardplaten
weer ruimte vrijkomt, herhaalt zich dit. Zo ontstaat voortdurend nieuwe oceanische korst in de
midoceanische ruggen. Omdat er op deze manier nieuwe aardkorst bijkomt, moeten er ook
plaatsen zijn waar bestaan aardkorst verdwijnt. In subductiezones duikt de oceaanbodem in de
aardmantel. Zo wordt de oceaanbodem als het ware ‘gerecycled’.
De zwaarste aardbevingen ontstaan bij convergente en transforme plaatgrenzen. De platen
bewegen daar langs elkaar of tegen elkaar aan. Door de ruwheid van het gesteente blijven de
aardplaten een lange periode min of meer klem zitten tot ze plotseling binnen enkele seconden
een heel eind opschuiven. Alle spanning die zich jarenlang in het gesteente heeft opgebouwd,
komt in één keer vrij. De vrijgekomen trillingen verspreiden zich in alle richtingen, ook door de
aarde heen. Seismografische stations, die de trillingen meten, bepalen dan de exacte plek van de
aardbeving in de aardkorst: de aardbevingshaard of het hypocentrum. De plaats aan het
aardoppervlak die boven de aardbevingshaard ligt, heet het epicentrum. Hoe dichter bij de
aardbevingshaard, des te groter de krassen op het seismogram en hoe hoger de score op de
schaal van Richter. De verwoestende kracht van een aardbeving zit hem niet alleen in de
trillingen zelf, maar ook in de daaropvolgende aardverschuivingen. Hierbij komen grote
hoeveelheden los materiaal die op berghellingen liggen in één keer naar beneden. Bij zware
aardbevingen in de oceaanbodem kunnen enorme vloedgolven of tsunami’s ontstaan die zeer
verwoestend zijn met name voor de kustvlakten.
§3 Vulkanen zijn er in allerlei soorten en maten. De vorm en de opbouw van de vulkaan hebben
veel te maken met de manier waarop de vulkaan tot uitbarsting komt. De samenstelling van het
magma en de temperatuur spelen daarbij een belangrijke rol. Bij de midoceanische rug is in de
aardkorst een breuk ontstaan waardoor magma omhoog stroomt. Het magma bij deze
midoceanische ruggen is vloeibaar en stroomt gemakkelijk naar buiten. Er is immers voldoende
ruimte. Het gevolg is dat bij de midoceanische ruggen een uitbarsting rustig verloopt: effusieve
eruptie. Omdat de lava erg vloeibaar is, stroomt het over een groot oppervlak uit voordat de lava
stolt tot basalt. Bij een effusieve eruptie ontstaat dan ook een brede vulkaan met een kleine
hellingshoek, de zogenaamde schildvulkaan.
In de subductiezones vinden vooral explosieve erupties plaats. Dit komt doordat daar de
samenstelling van het magma verandert. Omgesmolten oceaanbodem wordt vermengd met
meegesleurd zeewater. Dit gebeurt door de hitte in de aarde op 100 à 150 kilometer diepte in
subductiezones. Het gesmolten gesteente is er stroperig en bevat bovendien veel gassen. Het
magma wil wel omhoog vanwege de hoge temperatuur, maar de taaiheid houdt dit tegen. Als het
magma toch omhoog beweegt, komen er gassen vrij: hoe meer gassen er ontstaan, hoe heftiger
de explosie die volgt. Als de gasdruk verder daalt, komt de stroperige lava naar buiten. Doordat dit
zich vaak herhaalt, ontstaat een vulkaan met afwisselend lagen as en lagen gestolde lava. De
laatste lava sluit de kraterpijp af, waarna de vulkaan
een ‘slapend’ bestaan gaat leiden, tot aan een volgende
eruptie. Een vulkaan met deze afwisseling van lagen
heet een stratovulkaan.
De explosiviteit van een eruptie varieert door de tijden
heen, afhankelijk van de hoeveelheid gas en de
samenstelling van het magma.
Soms is de eruptie zo heftig, dat (een deel van) de
magmakamer van de vulkaan snel leegstroomt.
Hierdoor wordt de vulkaan onstabiel en zakt het dak van de magmakamer in. Er ontstaat een
grote cirkelvormige krater, de caldera. Bij een zeer heftige eruptie komt het ook voor, dat het
bovenste deel van de vulkaantop compleet wordt weggeblazen. Ook dan ontstaat een caldera.
Men heeft ontdekt dat op de grens van de aardkern en de aardmantel bellen van heet
magmagesteente ontstaan die omhoog kunnen stijgen. De aardkorst daarboven wordt zwak en
breekt, waardoor lava naar buiten kan stromen. Dit is een hotspot. Bij een hotspot in zee ontstaat
§1 Zo’n 45 miljard jaar geleden ontstond onze aarde samen met de andere planeten van ons
zonnestelsel.
Bij een aardbeving ontstaan trillingen die vervolgens dwars door de aarde gaan. Overal ter
wereld kunnen ze worden opgevangen en geregistreerd. Seismologen (aardbevingsdeskundigen)
doen dat al jaren en hebben uit deze gegevens kunnen afleiden hoe de aarde vanbinnen is
opgebouwd. Ze ontdekte in de aarde vast gesteente in de kern,
met daaromheen traag stromend gesteente in de aardmantel,
verhit door de afgifte van warmte uit de kern. De buitenkant van
de aarde is weer harde korst. De temperatuur en de druk
nemen toe met de diepte. In de aardkorst stijgt de temperatuur
iedere 1000 meter met ongeveer 15 tot 30 graden Celsius tot
soms meer dan 200 graden Celsius in vulkanische gebieden. In
de aardkern loopt de temperatuur op tot ruim 5000 graden
Celsius. De hoge druk in de aardkern komt door het gewicht
van het gesteente dat erboven ligt. Vanaf de aardkern tot de
korst is de afstand bijna 6400 kilometer. Dit zorgt ervoor dat de
druk in de aardkern wel vier miljoen maal hoger is dan aan het
aardoppervlak. Deze enorme druk zorgt ervoor dat de aardkern uit vast materiaal bestaat.
De oceaanbodem of oceanische korst is gemiddeld ongeveer 8 kilometer dik en bestaat vooral uit
het vrij zware gesteente basalt. Continenten zijn veel dikker, onder gebergten zelfs 40 tot 80
kilometer dik. Ze bestaan uit veel lichter gesteente zoals graniet. Oceaanbodem én continenten
‘drijven’ beide op het mantelgesteente. Door technieken van geluidsgolven van boten en
tegenwoordig satellieten werd een heel systeem van ‘onderwatergebergten’ op de bodem van de
verschillende oceanen ontdekt. Deze hogere delen noem je midoceanische ruggen. Ook werden
er diepe kloven in de oceaanbodem ontdekt. Deze diepzeetroggen liggen bijvoorbeeld langs de
randen van de Grote Oceaan en kunnen kilometers diep zijn.
Het ontstaan van convectiestromingen:
1. het gesteente in de mantel wordt door de aardkern verwarmd;
2. het gesteente zet uit en wordt lichter;
3. tot slot gaat het gesteente opstijgen.
§2 De aardkorst is verdeeld in platen. De meeste aardplaten of schollen bestaan uit zowel
continent als oceaanbodem. Doordat deze aardplaten als een puzzel in elkaar passen, zal een
beweging op de ene plaats doorwerken naar andere plaatsen.
De volgende bewegingen komen voor bij het contact tussen aardplaten:
Bij convergente plaatgrenzen botsen twee aardplaten tegen elkaar. Wanneer bij deze
botsing oceanische korst betrokken is, zal de zwaardere oceanische korst schuin
wegduiken onder de andere aardplaat. De andere plaat kan zowel oceanische korst als
continentale korst zijn.
Hierbij ontstaat een diepe sleuf in de zeebodem, de diepzeetrog. Het wegduiken van de
oceanische korst, wordt subductie genoemd.
Bij divergente plaatgrenzen bewegen twee aardplaten uit elkaar. Op plekken waar
vloeibaar gesteente uit de aardmantel tegen de aardkorst drukt, kan de aardkorst breken.
Bij transforme plaatgrenzen bewegen twee aardplaten langs elkaar.
De aardkorst bestaat uit platen die voortdurend in beweging zijn. Dat wordt veroorzaakt door
convectiestromen in de aardmantel. Heet magma komt naar boven tegen de aardkorst aan. Het
magma moet zijdelings wegstromen en neemt dan stukken aardkorst mee. Op sommige plekken
breekt de aardkorst en stroomt het magma als lava naar
buiten. Zo ontstaan divergente breuken. De ruimte van zo’n
breuk wordt direct gevuld met lava. Die stolt tot basalt en zo
, ontstaat nieuwe oceaanbodem. Telkens als er door het uit elkaar bewegen van de aardplaten
weer ruimte vrijkomt, herhaalt zich dit. Zo ontstaat voortdurend nieuwe oceanische korst in de
midoceanische ruggen. Omdat er op deze manier nieuwe aardkorst bijkomt, moeten er ook
plaatsen zijn waar bestaan aardkorst verdwijnt. In subductiezones duikt de oceaanbodem in de
aardmantel. Zo wordt de oceaanbodem als het ware ‘gerecycled’.
De zwaarste aardbevingen ontstaan bij convergente en transforme plaatgrenzen. De platen
bewegen daar langs elkaar of tegen elkaar aan. Door de ruwheid van het gesteente blijven de
aardplaten een lange periode min of meer klem zitten tot ze plotseling binnen enkele seconden
een heel eind opschuiven. Alle spanning die zich jarenlang in het gesteente heeft opgebouwd,
komt in één keer vrij. De vrijgekomen trillingen verspreiden zich in alle richtingen, ook door de
aarde heen. Seismografische stations, die de trillingen meten, bepalen dan de exacte plek van de
aardbeving in de aardkorst: de aardbevingshaard of het hypocentrum. De plaats aan het
aardoppervlak die boven de aardbevingshaard ligt, heet het epicentrum. Hoe dichter bij de
aardbevingshaard, des te groter de krassen op het seismogram en hoe hoger de score op de
schaal van Richter. De verwoestende kracht van een aardbeving zit hem niet alleen in de
trillingen zelf, maar ook in de daaropvolgende aardverschuivingen. Hierbij komen grote
hoeveelheden los materiaal die op berghellingen liggen in één keer naar beneden. Bij zware
aardbevingen in de oceaanbodem kunnen enorme vloedgolven of tsunami’s ontstaan die zeer
verwoestend zijn met name voor de kustvlakten.
§3 Vulkanen zijn er in allerlei soorten en maten. De vorm en de opbouw van de vulkaan hebben
veel te maken met de manier waarop de vulkaan tot uitbarsting komt. De samenstelling van het
magma en de temperatuur spelen daarbij een belangrijke rol. Bij de midoceanische rug is in de
aardkorst een breuk ontstaan waardoor magma omhoog stroomt. Het magma bij deze
midoceanische ruggen is vloeibaar en stroomt gemakkelijk naar buiten. Er is immers voldoende
ruimte. Het gevolg is dat bij de midoceanische ruggen een uitbarsting rustig verloopt: effusieve
eruptie. Omdat de lava erg vloeibaar is, stroomt het over een groot oppervlak uit voordat de lava
stolt tot basalt. Bij een effusieve eruptie ontstaat dan ook een brede vulkaan met een kleine
hellingshoek, de zogenaamde schildvulkaan.
In de subductiezones vinden vooral explosieve erupties plaats. Dit komt doordat daar de
samenstelling van het magma verandert. Omgesmolten oceaanbodem wordt vermengd met
meegesleurd zeewater. Dit gebeurt door de hitte in de aarde op 100 à 150 kilometer diepte in
subductiezones. Het gesmolten gesteente is er stroperig en bevat bovendien veel gassen. Het
magma wil wel omhoog vanwege de hoge temperatuur, maar de taaiheid houdt dit tegen. Als het
magma toch omhoog beweegt, komen er gassen vrij: hoe meer gassen er ontstaan, hoe heftiger
de explosie die volgt. Als de gasdruk verder daalt, komt de stroperige lava naar buiten. Doordat dit
zich vaak herhaalt, ontstaat een vulkaan met afwisselend lagen as en lagen gestolde lava. De
laatste lava sluit de kraterpijp af, waarna de vulkaan
een ‘slapend’ bestaan gaat leiden, tot aan een volgende
eruptie. Een vulkaan met deze afwisseling van lagen
heet een stratovulkaan.
De explosiviteit van een eruptie varieert door de tijden
heen, afhankelijk van de hoeveelheid gas en de
samenstelling van het magma.
Soms is de eruptie zo heftig, dat (een deel van) de
magmakamer van de vulkaan snel leegstroomt.
Hierdoor wordt de vulkaan onstabiel en zakt het dak van de magmakamer in. Er ontstaat een
grote cirkelvormige krater, de caldera. Bij een zeer heftige eruptie komt het ook voor, dat het
bovenste deel van de vulkaantop compleet wordt weggeblazen. Ook dan ontstaat een caldera.
Men heeft ontdekt dat op de grens van de aardkern en de aardmantel bellen van heet
magmagesteente ontstaan die omhoog kunnen stijgen. De aardkorst daarboven wordt zwak en
breekt, waardoor lava naar buiten kan stromen. Dit is een hotspot. Bij een hotspot in zee ontstaat