Farmaco reader samenvatting juni 2026 1
Pijnmedicatie 2
Niet-opioïden 2
Opioïden 4
Antistolling 5
Anticoagulantia 7
Trombocytenaggregatieremmers 7
Vitamine K-antagonisten / coumarinederivaten 9
Heparines 11
Directe orale anticoagulantia (DOACs) 12
Cardiovasculaire middelen 13
Diuretica 13
Sympathicolytica 15
Calcium-antagonisten 16
Antidiabetica 20
Orale bloedglucoseverlagende middelen 20
Insulines 22
Antidepressiva 23
Antidepressiva 23
Lithium 25
Benzodiazepines 26
Antibiotica 27
ß-lactam-antibiotica 28
Tetracyclinen 29
Aminoglycosiden 30
Macroliden 30
Sulfanomiden/trimethoprim 30
Chinolonen 31
Middelen bij urineweginfecties 31
Middelen bij anaerobe infecties 31
Aanwijzingen voor het maken van een keuze 32
Afwijzingen 32
Geneesmiddelenallergie 33
Anafylaxie 33
Trombocytopenie / hemolytische anemie 34
Huidreacties 35
Wet en regelgeving 36
Recepten schrijven 36
Verkeersdeelname na medicatie 36
Goed geneesmiddelgebruik 36
Farmacotherapeutisch plan: WHO 6-step 36
1
, Oude of nieuwe middelen? 37
Generieke substitutie 37
Overdracht en logistiek 37
Zwangerschap en lactatie 37
Middelen die gekend moeten worden 38
Pijnmedicatie
Niet-opioïden
Paracetamol
→ analgetische en antipyretische werking, geen anti-inflammatoire werking. Exacte
werkingsmechanisme niet bekend.
Bijwerkingen
- Leverbeschadiging → dosis van meer dan 150 mg/kg dag
- N-acetylcysteïne bij paracetamol-intoxicatie
- Lagere dosis bij existente leverbeschadiging, alcoholisme en slechte
voedingstoestand → max 2 g/dag
Prostaglandinesynthetaseremmers (NSAID’s)
Voorbeelden: ibuprofen, naproxen en diclofenac.
Selectieve COX-2 remmer: celecoxib. → minder gastro-intestinale bijwerkingen.
Werking = remming van prostaglandinesynthese door remming van het enzym
cyclo-oxygenase (COX), waardoor ze pijnstillende, koortswerende en ontstekingsremmende
werking hebben.
COX-1 → rol bij productie van prostaglandinen voor weefselhomeostase: autoregulatie voor
het onderhouden van renale perfusie, gastro-protectie en trombocytenaggregatie.
COX-2 → rol bij autoregulatie voor renale perfusie, inflammatie, ovulatie, sluiting van
dcutus Botalli in neonaten en diverse functies van CZS (koortsreductie, pijnwaarneming,
cognitieve functies)
Bijwerkingen
- Maagdarmstoornissen
- Door remming prostaglandinen wordt beschermende functie op de
maagslijmvlies verminderd
- Nierfunctiestoornissen
- Nierdoorbloeding is geringe mate afhankelijk van prostaglandineproductie.
Vermindering geeft verminderde doorbloeding van de nier.
- Prostaglandine geeft dilatatie van het afferente nierateriole, waardoor de
nierdoorbloeding bij daling van het circulerende volume constant blijft. Bij
2
, toediening van een prostaglandinesynthetaseremmer wordt dit
compensatiemechanisme geremd, wat niet alleen resulteert in verminderde
nierdoorbloeding en vochtretentie, maar zelfs kan leiden tot acute
nierinsufficiëntie.
- Cardiovasculaire bijwerkingen
- NSAID’s zorgen voor water- en zoutretentie, waardoor onder andere perifeer
oedeem ontstaat. Bij patiënten met hartfalen moet het gebruik van NSAID’s
dus vermeden worden ivm kans op toename van links of rechts
decompensatio cordis. Ook verhoogde kans op hypertensie hierdoor.
- Bloedingstijd toename (door trombocytenaggregatie → m.u.v. acetylsalicylzuur is dit
reversibel)
Aanbevelingen risicopatiënten
Maatregelen ter preventie van maagschade wordt aanbevolen indien er sprake is van:
- VG met een ulcus of complicatie daarvan;
- Leeftijd >70 jaar
- Onbehandelde H. pylori-infectie in kader van ulcuslijden
Maatregelen ter preventie dienen te worden overwogen indien sprake is van:
- Leeftijd 60-70 jaar
- Gebruik van anticoagulantia of acetylsalicylzuur
- Ernstige invaliderende RA
- Hartfalen, diabetes
- Hogere doseringen van een NSAID
- Gebruik van corticosteroïden
- Gebruik van spironolacton
- Gebruik van SSRI’s
De volgende situaties geven een hoger risico om nierinsufficiëntie te ontwikkelen onder
NSAID’s:
- Verminderd circulerend volume: hartfalen, dehydratie, sepsis
- RAS-remmers
- Pre-existent nierfalen (MDRD<30)
Interacties
Al onderstaande geeft i.c.m. NSAID’s verhoogd risico op gastro-intestinale bloedingen:
- Coumarines
- Trombocytenaggregatieremmers
- Corticosteroïden → geven additioneel ulcerogeen effect
3
, - SSRI’s → verminderde werking trombocyten
Al onderstaande geeft i.c.m. NSAID’s verhoogd risico op hartfalen (door zoutretentie) en
nierfalen :
- RAS-remmers → bij gestoorde nierfunctie of volumedepletie kan door de combinatie
met RAAS-remmers de nierfunctie verder achteruitgaan en is er risico op
hyperkaliëmie
- Diuretica → lager effectief circulerend volume, nierdoorbloeding meer afhankelijk
van prostaglandinesynthese
Verder kunnen antihypertensiva verminderd effect krijgen door o.a. zoutretentie bij gelijktijdig
NSAID gebruik.
Opioïden
Opiaten binden aan opioïd-receptoren, waardoor afhankelijk van welke receptoren bezet
worden (µ, κ, δ) de volgende effecten optreden: analgesie, ademdepressie, miosis,
obstipatie, euforie, dysforie, sedatie en afhankelijkheid. Alle opiaatagonisten activeren µ, in
een aantal κ en soms δ. Naloxon is een competitieve antagonist voor alle opiaatreceptoren,
waardoor het gebruikt kan worden om bijwerkingen als gevolg van morfine-agonisten te
couperen.
Eigenschappen geneesmiddelen
Codeïne → Lage affiniteit opioïdreceptoren. Wordt voor ca. 10% omgezet (via CYP2D6) in
morfine. Sterk obstiperend effect. De effectiviteit van CYP2D6 wisselt sterk en daardoor is
het effect bij een individuele patiënt niet goed te voorspellen.
Tramadol → zwak analgetisch effect, tegenover relatief veel bijwerkingen (duizeligheid,
delier, misselijkheid). Tramadol heeft tevens een remmende werking op de heropname van
noradrenaline en serotonine. Bij langer gebruik kan afhankelijkheid optreden. Daarom dient
behandeling kort en intermitterend te zijn. Vooral bij ouderen treden er veel centrale
bijwerkingen op.
Morfine → alle receptoren een agonist. Voornamelijk analgetisch effect toe te schrijven aan
bezetting van µ-receptoren in het CZS.
Fentanyl → Aanzienlijk sterker analgetisch effect (sterke affiniteit met µ-receptor) dan
morfine, is beschikbaar in nasale, transdermale en buccale toedieningsvorm.
Oxycodon → kortwerkende variant (oxynorm) of langwerkende variant (met gereguleerde
afgifte [oxycontin]).
Alle opiaten kunnen afhankelijkheid veroorzaken. Patiënten met een VG van
middelengebruik (bijv. roken, alcohol, cannabis) lopen een groter risico. Het risico is tevens
vergroot bij gebruik van snelwerkende opiaten (zoals fentanyl neusspray of lolly).
Bijwerkingen
- Obstipatie
4