20. The Revolution in Energy and Industry ca. 1780-1850.................................................................2
21. Ideologies and Upheavals 1815-1850........................................................................................10
22. Life in the emerging urban society 1840-1914...........................................................................19
23. The age of Nationalism 1850-1914............................................................................................24
24. The West and the World 1815-1914..........................................................................................33
25. War and Revolution 1914-1919.................................................................................................41
26. Opportunity and Crisis in the Age of Modernity 1880-1940......................................................52
27. Dictatorships and the Second World War 1919-1945................................................................60
28. Cold War Conflict and Consensus 1945-1965.............................................................................70
29. Challenging the Postwar Order 1960-1991................................................................................80
30. Life in an Age of Globalization 1990 to the present...................................................................89
, 20. The Revolution in Energy and Industry ca.
1780-1850
Waarom en hoe kwam de Industriële revolutie tot uiting in Groot-Brittannië?
De industriële revolutie begon in Groot-Brittannië. De natie was gevormd in 1707 door de formele
unie van Schotland, Wales en Engeland. De transformatie in de industrie was nog nooit op zo’n grote
schaal meegemaakt en begon in Groot-Brittannië vanwege een mix van factoren.
Waarom Engeland?
Groot-Brittannië had een unieke set omstandigheden en factoren: genoeg koolvoorraden, hoge
lonen, relatief vreedzame en gecentraliseerde staat, ontwikkelde financiële systemen, een
innovatieve cultuur, goed getrainde ambachtslieden en een sterke positie als wereldrijk. Daarnaast
gaven de wetenschappelijke revolutie en de verlichting een nieuwe visie op de wereld. Deze
instituties maakten een netwerk van publieke kennisuitwisseling mogelijk.
De mercantilistische overzeese staat die Groot-Brittannië agressief had gebouwd, zowel in Zuid-
Amerika als in India, leverde veel ruwe materialen zoals katoen en was tevens een groeiende
afzetmarkt voor Britse producten. De landbouw speelde ook een belangrijke rol in de Britse
industriële revolutie. Engelse boeren stonden alleen achter de Nederlanders op het gebied van
landbouwproductiviteit in 1700. Het resultaat hiervan was een lage prijs voor eten.
De ‘enclosure movement’ zorgde ervoor dat veel landbouwgrond privébezit werd en armere boeren
in Groot-Brittannië in loondienst moesten. Daarentegen zorgde voldoende voedsel en hoge lonen
ervoor dat families niet alles meer hoefden uit te geven aan eten, dit konden ze spenderen aan
geproduceerde goederen. Ook konden meer ouders hun kinderen naar school sturen, de
geletterdheid in Engeland was hoger dan in de rest van Europa rond deze periode.
Groot-Brittannië profiteerde van haar rijke natuurlijke grondstoffen en goede infrastructuur. In een
tijd waarin bijna alles over het water werd vervoerd, was je in Engeland nooit verder dan vijftig mijl
verwijderd van een rivier. Ook begon er rond deze tijd een ‘canal-building boom’.
Een laatste factor die de Britse industrialisatie hielp was de zware belasting die het land hief op zijn
burgers. Het land hief bijna dubbel zoveel belasting als het zogenoemde absolutistische Frankrijk.
daarnaast profiteerde het van de ‘Navigation Acts’ van Oliver Cromwell en de importheffingen die
het land voerde.
Technologische innovaties en vroege fabrieken
De druk om meer goederen te produceren en de productiekosten voor de groeiende markt laag te
houden waren direct gerelateerd aan het ontstaan van ’s werelds eerste machinale fabrieken in de
katoen en textielindustrie van Groot-Brittannië. Want hoewel Venetië al veel eerder grote lokalen
had waar men massaal aan het werk was, hadden de Britse fabrieken machines die spierkracht
vervingen.
Vanaf het putting-out systeem was men met meerderen bezig om voor één wever te spinnen. Het
was al snel bekend dat het baat had om een beter spinwiel te produceren, alleen werkte dit minder
,goed bij de traditionele stoffen zoals wol. Wel kon dit gedaan worden met katoen. In de achttiende
eeuw, toen de Trans-Atlantische slavenhandel op zijn hoogtepunt was, bestond er een grote
katoenmarkt in India, waar de WIC al haar katoen haalde. Om als Engelse spinners te kunnen
concurreren zochten ze manieren om effectiever te spinnen. Zo kwam James Hargreaves als eerste in
1765 met de ‘spinning Jenny’. In 1793 bedacht Eli Whitney de ‘cotton gin’ waarmee katoen
makkelijker van het zaadje kon worden gescheiden. Dit zorgde voor een revolutie in de velden van de
Verenigde Staten, ook in slavernij. De Spinning Jenny was efficiënt en goedkoop en liep met de hand.
Een ander ontwerp: het ‘water frame’, was veel groter en had veel meer mankracht nodig om te
werken. Daarom werd deze aangesloten op waterkracht langs een rivier. Deze had zijn gebreken
maar kreeg een nieuw ontwerp in de vorm van de ‘mule’. Langzaam ging al het katoen spinnen naar
grote fabrieken langs de rivier die waterkracht bezaten. Hiermee konden ze succesvol concurreren
met het buitenland. Waar de lonen lager waren en er weinig kapitaal was, was het onvoordelig om
een dure machine te kopen totdat de opbrengsten ervan nog hoger werden.
Met het steeds verder industrialiseren van het spinnen ging de druk omhoog voor de wevers om van
het gespinde katoen ook wat te weven. Hun loon steeg hierbij ook drastisch waardoor ze een van de
best betaalde werkers in Engeland waren tot 1792. Om efficiënter te kunnen weven werd de
‘powerloom’ uitgevonden. Deze verving pas vanaf 1820 de handwevers omdat vroege modellen niet
efficiënt genoeg waren.
Nu er snel gemechaniseerd werd was de Britse katoen en textielindustrie in 1831 goed voor 22% van
de totale productie en kostte het materiaal de helft van de Indische varianten.
De doorbraak van de stoommachine
Ver tot in de achttiende eeuw was Europa afhankelijk van hout als haar voornaamste brandstof.
Voornamelijk in de metaalsector was ontzettend veel brandstof nodig en tegen 1740 stagneerde de
Britse staalindustrie omdat er te weinig hout beschikbaar was. Om toch te kunnen produceren
gingen de Britten kolen gebruiken in plaats van hout. Om deze kolen op te graven moest er steeds
dieper worden gemijnd, maar hoe dieper ze kwamen, hoe vaker de mijnschacht vol kwam te staan
met water. Om deze reden werd in 1705 een eerste primitieve versie van de stoommachine
uitgevonden die water kon oppompen, hoewel de machines erg inefficiënt waren.
In 1763 werd een getalenteerde jonge Schot genaamd James Watt (1763-1819) geattendeerd op het
ontwerp van deze machine. Hij zag dat de verspilling van energie in de stoommachine uit 1705,
verminderd kon worden door een separate condenseerder. Om dit nieuwe ontwerp een succes te
maken ging hij in 1775 een samenwerking aan met Matthew Boulton, een rijke industrialist, die hem
van voldoende kapitaal voorzag. Met deze steun creëerde hij een effectief vacuüm en kon hij de
complexe motor laten draaien. Tegen 1780 was hun stoommachine een praktisch en commercieel
succes in Groot-Brittannië en begon deze gelijk waterkracht te vervangen.
De rookdampen die vrijkwamen bij het gebruik van kolen in de metaalindustrie waren een probleem.
Hierom werden de kolen eerst verwarmt waardoor ‘coke’ ontstond. Dit was meer pure kool en
brandde heter. Door deze innovatie kon er meer, beter en goedkoper staal worden geproduceerd
waardoor dit staal het bouwblok werd voor de Britse economie.
Stoom-gedreven transport
, Stoomkracht revolutioneerde transportmogelijkheden. Vanaf 1816 waren er verschillende testten
met stoommachines op rails. De eerste stoomlocomotief werd gebouwd door Richard Trevithick en
hij noemde deze de ‘rocket’. De locomotief liep tussen Liverpool en Manchester.
De komst van de stoomlocomotief had ingrijpende consequenties. Het reduceerde de kosten en
onzekerheid van het vervoeren van goederen over land. Ook zorgde het overal voor een grote vraag
in ongeschoolde arbeid en het verder definiëren van de arbeidersklasse. Stoommachines
transformeerden ook vervoer over het water. In 1770 werd het eerste commerciële stoomschip in
Frankrijk geïntroduceerd en een paar decennia later voeren ze ook in Noord-Amerika over de
Hudson.
Industrie en bevolking
In 1851 vierde Groot-Brittannië haar nieuwe tijdperk van industriële technologie door het houden
van de ‘Great Exhibition’, gesponsord door de koninklijke familie en gehouden in het nieuw
gebouwde Crystal Palace. Er kwam zes miljoen mensen van over de hele wereld kijken naar dit
evenement. De Britse claim om de werkplaats van de wereld te zijn werd versterkt doordat het in
1860 goed was voor twintig procent van alle geproduceerde industriële goederen.
Rond dezelfde tijd groeide de Britse bevolking exponentieel van zo’n 9 miljoen in 1780, naar bijna 21
miljoen in 1851. Deze snelle bevolkingsgroei was een sleutelcomponent voor de Britse industriële
ontwikkeling. Over deze groei stelde Thomas Malthus (1766-1834) dat de populatie altijd wilde
groeien, voorbij het beschikbare voedsel om het te onderhouden (Malthusiaanse plafond). De enige
manier, volgens Malthus, om dit tegen te gaan was voor jonge mensen om laat te trouwen en
daarmee de bevolkingsgroei af te remmen
De econoom David Ricardo (1772-1823) werkte de pessimistische blik van Malthus verder uit door te
stellen dat over een langere termijn, vanwege de bevolkingsgroei, de lonen altijd zouden krimpen tot
bij het minimumbestaan. Maar Malthus en zijn volgers bleken ongelijk in de tweede helft van de
negentiende eeuw, toen de industriële productiviteit groeide voorbij wat ze ooit voor mogelijk
hielden.
Hoe reageerden landen buiten Groot-Brittannië op de uitdagingen van industrialisering?
Met het einde aan de Napoleontische oorlogen waren de Europese naties er snel bij om hun deel
mee te pikken van de Britse industrialisering en hun eigen groei in te zetten. Tegen het einde van de
negentiende eeuw hadden West-Europese landen, de Verenigde Staten en Japan hun economieën
allemaal tot op zekere hoogte geïndustrialiseerd, hoewel er grote regionale verschillen bestonden.
Nationale en Internationale variaties
Deze tabel toont een vergelijking van industriële
productiviteit, uitgedrukt als een percentage van
Groot-Brittannië. In 1750 waren alle landen relatief
dicht bij elkaar, incl. India en China. Vanaf 1800 krijgt
Groot-Brittannië een zichtbare voorsprong. Ook gaan
Westerse landen het Britse model van industrie