Driefasenstroom, Wisselstroomschakelingen & Vermogens
1. Driefasenstroom (Krachtstroom) vs. Eenfasestroom
Thuis gebruiken we meestal eenfasestroom (230 V). In de industrie en voor zware machines
(zoals grote motoren of warmtepompen) gebruiken we driefasenstroom.
De Basis: In plaats van één fasedraad, komen er drie fasedraden (L1, L2, L3) en één
nuldraad (N) binnen.
Faseverschuiving: De drie spanningen lopen niet gelijk, maar zijn ten opzichte van
elkaar verschoven met een hoek van 120°.
Spanningen meten:
o Fasespanning (\(U_{f}\)): Gemeten tussen een fase en de nuldraad (bijv. L1 en
N) = 230 V.
o Lijnspanning (\(U_{l}\)): Gemeten tussen twee fasen onderling (bijv. L1 en L2)
= 400 V.
o Formule: \(U_l = U_f \times \sqrt{3}\) (dus \(230 \times 1,73 = 400\text{ V}\)).
2. Driehoekschakeling vs. Sterschakeling
Zware verbruikers (zoals driefasige elektromotoren) kunnen op twee manieren worden
aangesloten in het klemmenbord:
I. Sterschakeling (\(\text{Y}\))
De uiteinden van de drie spoelen worden in één punt (het sterpunt) aan elkaar
geknoopt.
Over elke spoel staat de lagere fasespanning (230 V).
De lijnstroom is gelijk aan de fasestroom (\(I_l = I_f\)).
II. Driehoekschakeling (\(\Delta \))
De spoelen worden achter elkaar in een gesloten driehoek aangesloten.
Over elke spoel staat de hogere lijnspanning (400 V).
De motor levert in driehoek veel meer kracht (vermogen), maar trekt ook meer
stroom.
Formule stroom: \(I_l = I_f \times \sqrt{3}\).