Training en prestatie
Werkgroep informatieoverdracht
Voorbereiding
Monitoring Training Load to Understand Fatigue in Athletes (Halson, S. L.
(2014))
Background
In de topsport wordt steeds vaker een wetenschappelijke benadering gebruikt om
trainingsprogramma’s te ontwerpen en te evalueren. Sporters moeten hun trainingsbelasting
(training load) verhogen om beter te worden, bijvoorbeeld door meer frequentie, langere duur
of hogere intensiteit. Tegelijkertijd brengt dit risico’s met zich mee, zoals overbelasting,
blessures en ziekte.
Vermoeidheid wordt in dit artikel praktisch gedefinieerd als het vermogen om een taak uit te
voeren die recent nog haalbaar was. Vermoeidheid is echter een complex en multifactorieel
fenomeen. Ze wordt beïnvloed door onder andere type inspanning, duur, intensiteit,
spiergroep, trainingsstatus en omgevingsfactoren. Dit maakt het meten en monitoren van
vermoeidheid bijzonder uitdagend.
Het doel van het artikel is om de huidige wetenschappelijke kennis over monitoring van
trainingsbelasting te beschrijven en praktische overwegingen te bespreken bij het
implementeren van een monitoringsysteem.
Reasons For and Against Monitoring Training Load
Het monitoren van trainingsbelasting heeft verschillende voordelen. Het kan helpen verklaren
waarom prestaties verbeteren of verslechteren, ondersteunt een betere planning van
trainingen en kan het risico op blessures, ziekte en non-functionele overreaching (langdurige
vermoeidheid zonder prestatieverbetering) verminderen. Daarnaast bevordert monitoring de
communicatie tussen sporters, coaches en begeleidingsstaf. Sporters voelen zich meer
betrokken bij hun trainingsproces.
Er zijn echter ook nadelen. Monitoring kost tijd, geld en expertise. Niet elk team beschikt over
voldoende middelen. Bovendien bestaat er geen garantie dat monitoring automatisch tot
betere prestaties leidt. Zonder duidelijke doelen, goede interpretatie en effectieve feedback is
een monitoringsysteem moeilijk vol te houden.
Potential Load Monitoring Measures
Er zijn veel mogelijke indicatoren om trainingsbelasting en vermoeidheid te meten, maar
geen enkele marker is op zichzelf doorslaggevend. Idealiter zou vermoeidheid gemeten
worden via een maximale prestatietest die de wedstrijdsituatie nabootst. In de praktijk is dit
echter moeilijk, omdat zulke testen extra vermoeidheid veroorzaken en motivatie kan
ontbreken buiten competitieve context.
Daarom wordt meestal gebruikgemaakt van een combinatie van verschillende variabelen,
zoals trainingsvolume, intensiteit, herstelsensaties, hormonale markers, slaap en
psychologische factoren.
Internal versus External load
Een belangrijk onderscheid in het artikel is dat tussen externe en interne belasting. Externe
belasting verwijst naar het objectieve werk dat de sporter verricht, zoals afgelegde afstand,
snelheid, vermogen of trainingsduur. Interne belasting verwijst naar de fysiologische en
, psychologische reactie van de sporter op die belasting, zoals hartslag, lactaatwaarden of
ervaren inspanning (RPE).
De relatie tussen beide is essentieel. Wanneer bijvoorbeeld dezelfde externe belasting
gepaard gaat met een hogere hartslag of hogere ervaren inspanning, kan dat wijzen op
vermoeidheid. Een ontkoppeling tussen externe en interne belasting kan dus belangrijke
informatie geven over de toestand van de sporter.
Methods for Monitoring External Load
In individuele duursporten zoals wielrennen wordt vaak gebruikgemaakt van
vermogensmeters. Hiermee kan nauwkeurig worden gemeten hoeveel Watt een sporter
produceert. Deze gegevens kunnen worden omgerekend naar een Training Stress Score
(TSS), die rekening houdt met duur en intensiteit.
In teamsporten wordt vaak gewerkt met GPS-systemen en videoanalyse. Hiermee worden
afstanden, snelheden, versnellingen en sprintmomenten gemeten. Hoewel deze systemen
waardevol zijn, hebben ze beperkingen, bijvoorbeeld bij hoge snelheden of bij acties zoals
springen of tackelen.
Neuromusculaire testen, zoals sprongtesten, sprinttesten of krachtmetingen, worden gebruikt
om vermoeidheid in het bewegingsapparaat te detecteren. Ze zijn relatief eenvoudig
uitvoerbaar en veroorzaken weinig extra vermoeidheid.
Methods of Monitoring Internal Load
De Rating of Perceived Exertion (RPE) is een eenvoudige schaal waarop sporters hun
inspanning beoordelen. Door RPE te vermenigvuldigen met de trainingsduur ontstaat de
session-RPE, een praktische methode om trainingsbelasting te kwantificeren. Deze methode
blijkt redelijk betrouwbaar en wordt veel gebruikt in de praktijk.
Hartslagmeting is een van de meest gebruikte methoden om interne belasting te monitoren.
De relatie tussen hartslag en zuurstofverbruik vormt de basis hiervoor. Factoren zoals
hydratie, temperatuur en stress kunnen de hartslag echter beïnvloeden.
De combinatie van hartslag en ervaren inspanning kan extra inzicht geven in vermoeidheid.
Daarnaast wordt vaak gebruikgemaakt van TRIMP (Training Impuls), een maat die duur en
intensiteit combineert op basis van hartslagzones. Er bestaan verschillende varianten,
waaronder geïndividualiseerde versies.
Lactaatmetingen geven informatie over de intensiteit van inspanning, maar zijn gevoelig voor
externe factoren zoals voeding en hydratie. Daardoor zijn ze minder geschikt voor dagelijkse
monitoring.
Hartslagherstel (HRR) meet hoe snel de hartslag daalt na inspanning en kan ene indicator
zijn van trainingsstatus. Hartslagvariabiliteit (HRV) meet de balans in het autonome
zenuwstelsel. Hoewel HRV potentieel heeft, zijn onderzoeksresultaten wisselend en is
langdurige individuele monitoring noodzakelijk.
Er is veel onderzoek gedaan naar hormonale en biochemische markers zoals cortisol,
testosteron en creatine kinase. Tot op heden is echter geen enkele marker betrouwbaar
genoeg gebleken voor routinematig gebruik in de praktijk.
Vragenlijsten zoals POMS en REST-Q worden veel gebruikt om subjectieve vermoeidheid en
stress te meten. Ze zijn goedkoop en eenvoudig, maar afhankelijk van eerlijke rapportage
door de sporter.
Werkgroep informatieoverdracht
Voorbereiding
Monitoring Training Load to Understand Fatigue in Athletes (Halson, S. L.
(2014))
Background
In de topsport wordt steeds vaker een wetenschappelijke benadering gebruikt om
trainingsprogramma’s te ontwerpen en te evalueren. Sporters moeten hun trainingsbelasting
(training load) verhogen om beter te worden, bijvoorbeeld door meer frequentie, langere duur
of hogere intensiteit. Tegelijkertijd brengt dit risico’s met zich mee, zoals overbelasting,
blessures en ziekte.
Vermoeidheid wordt in dit artikel praktisch gedefinieerd als het vermogen om een taak uit te
voeren die recent nog haalbaar was. Vermoeidheid is echter een complex en multifactorieel
fenomeen. Ze wordt beïnvloed door onder andere type inspanning, duur, intensiteit,
spiergroep, trainingsstatus en omgevingsfactoren. Dit maakt het meten en monitoren van
vermoeidheid bijzonder uitdagend.
Het doel van het artikel is om de huidige wetenschappelijke kennis over monitoring van
trainingsbelasting te beschrijven en praktische overwegingen te bespreken bij het
implementeren van een monitoringsysteem.
Reasons For and Against Monitoring Training Load
Het monitoren van trainingsbelasting heeft verschillende voordelen. Het kan helpen verklaren
waarom prestaties verbeteren of verslechteren, ondersteunt een betere planning van
trainingen en kan het risico op blessures, ziekte en non-functionele overreaching (langdurige
vermoeidheid zonder prestatieverbetering) verminderen. Daarnaast bevordert monitoring de
communicatie tussen sporters, coaches en begeleidingsstaf. Sporters voelen zich meer
betrokken bij hun trainingsproces.
Er zijn echter ook nadelen. Monitoring kost tijd, geld en expertise. Niet elk team beschikt over
voldoende middelen. Bovendien bestaat er geen garantie dat monitoring automatisch tot
betere prestaties leidt. Zonder duidelijke doelen, goede interpretatie en effectieve feedback is
een monitoringsysteem moeilijk vol te houden.
Potential Load Monitoring Measures
Er zijn veel mogelijke indicatoren om trainingsbelasting en vermoeidheid te meten, maar
geen enkele marker is op zichzelf doorslaggevend. Idealiter zou vermoeidheid gemeten
worden via een maximale prestatietest die de wedstrijdsituatie nabootst. In de praktijk is dit
echter moeilijk, omdat zulke testen extra vermoeidheid veroorzaken en motivatie kan
ontbreken buiten competitieve context.
Daarom wordt meestal gebruikgemaakt van een combinatie van verschillende variabelen,
zoals trainingsvolume, intensiteit, herstelsensaties, hormonale markers, slaap en
psychologische factoren.
Internal versus External load
Een belangrijk onderscheid in het artikel is dat tussen externe en interne belasting. Externe
belasting verwijst naar het objectieve werk dat de sporter verricht, zoals afgelegde afstand,
snelheid, vermogen of trainingsduur. Interne belasting verwijst naar de fysiologische en
, psychologische reactie van de sporter op die belasting, zoals hartslag, lactaatwaarden of
ervaren inspanning (RPE).
De relatie tussen beide is essentieel. Wanneer bijvoorbeeld dezelfde externe belasting
gepaard gaat met een hogere hartslag of hogere ervaren inspanning, kan dat wijzen op
vermoeidheid. Een ontkoppeling tussen externe en interne belasting kan dus belangrijke
informatie geven over de toestand van de sporter.
Methods for Monitoring External Load
In individuele duursporten zoals wielrennen wordt vaak gebruikgemaakt van
vermogensmeters. Hiermee kan nauwkeurig worden gemeten hoeveel Watt een sporter
produceert. Deze gegevens kunnen worden omgerekend naar een Training Stress Score
(TSS), die rekening houdt met duur en intensiteit.
In teamsporten wordt vaak gewerkt met GPS-systemen en videoanalyse. Hiermee worden
afstanden, snelheden, versnellingen en sprintmomenten gemeten. Hoewel deze systemen
waardevol zijn, hebben ze beperkingen, bijvoorbeeld bij hoge snelheden of bij acties zoals
springen of tackelen.
Neuromusculaire testen, zoals sprongtesten, sprinttesten of krachtmetingen, worden gebruikt
om vermoeidheid in het bewegingsapparaat te detecteren. Ze zijn relatief eenvoudig
uitvoerbaar en veroorzaken weinig extra vermoeidheid.
Methods of Monitoring Internal Load
De Rating of Perceived Exertion (RPE) is een eenvoudige schaal waarop sporters hun
inspanning beoordelen. Door RPE te vermenigvuldigen met de trainingsduur ontstaat de
session-RPE, een praktische methode om trainingsbelasting te kwantificeren. Deze methode
blijkt redelijk betrouwbaar en wordt veel gebruikt in de praktijk.
Hartslagmeting is een van de meest gebruikte methoden om interne belasting te monitoren.
De relatie tussen hartslag en zuurstofverbruik vormt de basis hiervoor. Factoren zoals
hydratie, temperatuur en stress kunnen de hartslag echter beïnvloeden.
De combinatie van hartslag en ervaren inspanning kan extra inzicht geven in vermoeidheid.
Daarnaast wordt vaak gebruikgemaakt van TRIMP (Training Impuls), een maat die duur en
intensiteit combineert op basis van hartslagzones. Er bestaan verschillende varianten,
waaronder geïndividualiseerde versies.
Lactaatmetingen geven informatie over de intensiteit van inspanning, maar zijn gevoelig voor
externe factoren zoals voeding en hydratie. Daardoor zijn ze minder geschikt voor dagelijkse
monitoring.
Hartslagherstel (HRR) meet hoe snel de hartslag daalt na inspanning en kan ene indicator
zijn van trainingsstatus. Hartslagvariabiliteit (HRV) meet de balans in het autonome
zenuwstelsel. Hoewel HRV potentieel heeft, zijn onderzoeksresultaten wisselend en is
langdurige individuele monitoring noodzakelijk.
Er is veel onderzoek gedaan naar hormonale en biochemische markers zoals cortisol,
testosteron en creatine kinase. Tot op heden is echter geen enkele marker betrouwbaar
genoeg gebleken voor routinematig gebruik in de praktijk.
Vragenlijsten zoals POMS en REST-Q worden veel gebruikt om subjectieve vermoeidheid en
stress te meten. Ze zijn goedkoop en eenvoudig, maar afhankelijk van eerlijke rapportage
door de sporter.