Samenvatting beroepsoriëntatie
Hoofdstuk 1: kinderen en jeugdigen
Ketensamenwerking: Een cliënt heeft vaak met verschillende
hulpverleningsorganisaties te maken. Goede samenwerking tussen deze
hulpverleningsorganisaties, ‘de keten’, vormt een belangrijk onderdeel van
de professionaliteit van beroepskrachten in de jeugdzorg. Activiteiten
moeten op elkaar afgestemd worden, zodat deze optimaal aansluiten op
de behoeften van kinderen, jongeren en ouders. Bijvoorbeeld: welzijn,
onderwijs, zorg, gezondheidszorg, werk en inkomen, politie en justitie op
hulpverlenersniveau aan elkaar te koppelen.
Centra Jeugd en Gezin: Is voor ouders, kinderen en jongeren tot 23 jaar
en professionals kunnen hier terecht met hun vragen over opvoeden en
opgroeien. CJG bied ondersteuning en hulp op maat.
Basis functies van een CJG:
- Inloop bieden voor vragen van ouders en jongeren over opvoeden en
opgroeien
- Laagdrempelig advies en ondersteuning geven, zodat gezinnen
zichzelf kunnen redden
- Jeugdigen en gezinnen met risico’s en problemen in beeld brengen
- Op tijd hulp bieden aan gezinnen om het ontstaan (of het uit de
hand lopen) van problemen te voorkomen
- De zorg aan een gezin coördineren volgens het principe “1 gezin, 1
plan”. Als meer leden van 1 gezin hulp nodig hebben, moeten de
verschillende vormen op elkaar worden afgestemd.
Wet op de jeugdzorg: Is in 2005 van kracht geworden. De
achterliggende gedachte was dat het beleid te ver afstond van de
jeugdige en zijn omgeving. De hulpverlening moest zo kort mogelijk, zo
licht mogelijk en zo dichtbij mogelijk zijn en zo snel mogelijk plaatsvinden.
(zozozozo-beleid). Gevolg was meer aandacht voor preventie en een
voorkeur voor ambulante hulpverlening boven residentiele hulpverlening
en voor pleegzorg boven plaatsing in tehuizen. De wet op de jeugdzorg
schrijft voor dat hulpverleningsorganisaties zich meer moeten richten op
de vraag van de cliënt.
Bureau Jeugdzorg: Belangrijkste taak is indicatie stellen. Heeft de taak
om de hulpverlening te coördineren. Het beoordeelt de vraag om hulp en
stelt indicatie voor passende hulp. Bureau Jeugdzorg is niet alleen
verantwoordelijk voor vrijwillige hulpverlening maar ook voor
beschermende jeugdzorgmaatregelen. Het Algemene Meldpunt
Kindermishandeling, gezinsvoogdij en jeugdreclassering valt ook onder
bureau jeugdzorg.
Indicatiestelling
Residentiële hulpverlening: Jeugdige verblijft dag en nacht in een
tehuis of pleeggezin.
,Raad voor de Kinderbescherming: Kan worden ingeschakeld als ouders
en jeugdige niet openstaan voor hulp. Als de situatie ernstig genoeg is dan
kan de Raad voor de Kinderbescherming worden ingeschakeld. Op advies
van Raad kan de kinderrechter besluiten om een maatregel in te voeren.
Er is dan sprake van gedwongen hulpverlening.
Moral based werken: gericht op disciplinering en het leren van een vak:
aanpassen was de boodschap. De idealen van de maatschappij van
oppassende, hardwerkende en voor zichzelf zorgende burgers waren de
basis.
Client based werken: De cliënt staat centraal en is een partner in het
hulpverleningsproces. De jeugdzorg werd vraag gericht en cliënt gericht.
Evidence based werken: is het uitvoeren van een handeling door een
beroepsbeoefenaar op zo'n wijze dat de uitvoering is gebaseerd op de best
beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid.
Macro niveau -> landelijk
hoe is de jeugdzorg in Nederland geregeld
Meso niveau -> Instelling
Enorme diversiteit van instellingen die zich bezig houden met de jongeren
Micro niveau -> cliënt en hulpverlener
Wie is de jongere en wat heeft de SW’er nodig om met hem te werken
Hoofdstuk 2: Ouderen
Geschiedenis
1950: Ouderen geen aparte groep
Na 1950: sociale voorzieningen -> Disengagementtheorie
Vanaf 1980: zorg op maat -> gevarieerd aanbod van zorg en
dienstverlening, mantelzorg werd belangrijk
Disengagementtheorie: ouderen zoeken een sociaal isolement, ze
willen zich graag terugtrekken en op zoek gaan naar een zekere rust.
Zoals verzorgingshuizen
Zorg op maat (vraaggerichte zorg): Het belangrijkste uitgangspunt is
dat de oudere zo lang mogelijk in de eigen woning blijft en dat de
verhuizing naar het verzorging of verpleeghuis zo lang mogelijk wordt
uitgesteld, of als het kan helemaal niet plaats vindt. Er wordt ook een
beroep gedaan op de sociale omgeving van de ouderen gedaan. Ook
vrijwilligerswerk wordt gepromoot.
Coping resources: Het lijden aan een ziekte wordt verlicht of zelf teniet
wordt gedaan door enerzijds de sociale steun van de partner, familie en
vrienden en anderzijds de (persoonlijke hulpbronnen= coping resources).
, Met andere woorden: er is verschil tussen de feitelijke
gezondheidstoestand en de subjectieve ervaring daarvan
Welzijn: Heeft betrekking op het hele complex van lichamelijke,
geestelijke en sociale factoren dat uiteindelijk de uitkomst bepaald van de
vraag: heeft het leven mij nog genoeg te bieden als ik alle positieve en
negatieve factoren tegen elkaar afweeg?
WMO: Wet maatschappelijke ondersteuning. regelt dat mensen met een
beperking ondersteuning kunnen krijgen. Het kan gaan om ouderen,
gehandicapten of mensen met psychische problemen. Zij krijgen
bijvoorbeeld huishoudelijke hulp of een rolstoel. Gemeenten voeren de
Wmo uit. Zij bepalen zelf op welke manier ze dat doen
PGB – indicatiestelling: de cliënt organiseert zelf de zorgverlening
CIZ: Centrum Indicatiestelling Zorg. Onafhankelijke organisatie die
aanvragen voor zorg, wonen of welzijn beoordeelt in het kader van de
AWBZ
AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten. Geldt voor alle leeftijden,
maar een groot deel van de cliënten zijn ouderen. Degene die een
indicatie vaststelt is meestal een maatschappelijk werker. De AWBZ
onderscheidt 5 soorten zorg:
- Persoonlijke verzorging: hulp bij douchen, aankleden,
medicijngebruik etc.
- Verpleging: wondverzorging, injecties
- Begeleiding: ondersteuning bij de organisatie van het dagelijks
leven
- Verblijf: tijdelijk of permanent verblijf in een zorginstelling
- Behandeling: revalidatie, (val)preventie, verbeteren van
vaardigheden en gedrag
Processen van ouder worden
Somatisch: lichamelijke ziekten zoals hart- en vaatziekten of kanker
Psychisch: bijv. trauma’s of depressie
Psychogeriatrisch: vormen van dementie
Mantelzorg: levenspartner, dochter/zoon of andere familielid, buren die
voor de oudere zorgt
Curatieve hulpverlening: Dit is de hulpverlening die erop gericht is,
bepaalde problemen van mensen te verkleinen of op te lossen
Emancipatie ouderen: De samenleving leert anders tegen ouderen aan
te kijken.
Intramurale voorzieningen: 24 uur per dag in een zorginstelling zoals
ziekenhuis, verzorgingstehuis of verpleeghuis
Hoofdstuk 1: kinderen en jeugdigen
Ketensamenwerking: Een cliënt heeft vaak met verschillende
hulpverleningsorganisaties te maken. Goede samenwerking tussen deze
hulpverleningsorganisaties, ‘de keten’, vormt een belangrijk onderdeel van
de professionaliteit van beroepskrachten in de jeugdzorg. Activiteiten
moeten op elkaar afgestemd worden, zodat deze optimaal aansluiten op
de behoeften van kinderen, jongeren en ouders. Bijvoorbeeld: welzijn,
onderwijs, zorg, gezondheidszorg, werk en inkomen, politie en justitie op
hulpverlenersniveau aan elkaar te koppelen.
Centra Jeugd en Gezin: Is voor ouders, kinderen en jongeren tot 23 jaar
en professionals kunnen hier terecht met hun vragen over opvoeden en
opgroeien. CJG bied ondersteuning en hulp op maat.
Basis functies van een CJG:
- Inloop bieden voor vragen van ouders en jongeren over opvoeden en
opgroeien
- Laagdrempelig advies en ondersteuning geven, zodat gezinnen
zichzelf kunnen redden
- Jeugdigen en gezinnen met risico’s en problemen in beeld brengen
- Op tijd hulp bieden aan gezinnen om het ontstaan (of het uit de
hand lopen) van problemen te voorkomen
- De zorg aan een gezin coördineren volgens het principe “1 gezin, 1
plan”. Als meer leden van 1 gezin hulp nodig hebben, moeten de
verschillende vormen op elkaar worden afgestemd.
Wet op de jeugdzorg: Is in 2005 van kracht geworden. De
achterliggende gedachte was dat het beleid te ver afstond van de
jeugdige en zijn omgeving. De hulpverlening moest zo kort mogelijk, zo
licht mogelijk en zo dichtbij mogelijk zijn en zo snel mogelijk plaatsvinden.
(zozozozo-beleid). Gevolg was meer aandacht voor preventie en een
voorkeur voor ambulante hulpverlening boven residentiele hulpverlening
en voor pleegzorg boven plaatsing in tehuizen. De wet op de jeugdzorg
schrijft voor dat hulpverleningsorganisaties zich meer moeten richten op
de vraag van de cliënt.
Bureau Jeugdzorg: Belangrijkste taak is indicatie stellen. Heeft de taak
om de hulpverlening te coördineren. Het beoordeelt de vraag om hulp en
stelt indicatie voor passende hulp. Bureau Jeugdzorg is niet alleen
verantwoordelijk voor vrijwillige hulpverlening maar ook voor
beschermende jeugdzorgmaatregelen. Het Algemene Meldpunt
Kindermishandeling, gezinsvoogdij en jeugdreclassering valt ook onder
bureau jeugdzorg.
Indicatiestelling
Residentiële hulpverlening: Jeugdige verblijft dag en nacht in een
tehuis of pleeggezin.
,Raad voor de Kinderbescherming: Kan worden ingeschakeld als ouders
en jeugdige niet openstaan voor hulp. Als de situatie ernstig genoeg is dan
kan de Raad voor de Kinderbescherming worden ingeschakeld. Op advies
van Raad kan de kinderrechter besluiten om een maatregel in te voeren.
Er is dan sprake van gedwongen hulpverlening.
Moral based werken: gericht op disciplinering en het leren van een vak:
aanpassen was de boodschap. De idealen van de maatschappij van
oppassende, hardwerkende en voor zichzelf zorgende burgers waren de
basis.
Client based werken: De cliënt staat centraal en is een partner in het
hulpverleningsproces. De jeugdzorg werd vraag gericht en cliënt gericht.
Evidence based werken: is het uitvoeren van een handeling door een
beroepsbeoefenaar op zo'n wijze dat de uitvoering is gebaseerd op de best
beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid.
Macro niveau -> landelijk
hoe is de jeugdzorg in Nederland geregeld
Meso niveau -> Instelling
Enorme diversiteit van instellingen die zich bezig houden met de jongeren
Micro niveau -> cliënt en hulpverlener
Wie is de jongere en wat heeft de SW’er nodig om met hem te werken
Hoofdstuk 2: Ouderen
Geschiedenis
1950: Ouderen geen aparte groep
Na 1950: sociale voorzieningen -> Disengagementtheorie
Vanaf 1980: zorg op maat -> gevarieerd aanbod van zorg en
dienstverlening, mantelzorg werd belangrijk
Disengagementtheorie: ouderen zoeken een sociaal isolement, ze
willen zich graag terugtrekken en op zoek gaan naar een zekere rust.
Zoals verzorgingshuizen
Zorg op maat (vraaggerichte zorg): Het belangrijkste uitgangspunt is
dat de oudere zo lang mogelijk in de eigen woning blijft en dat de
verhuizing naar het verzorging of verpleeghuis zo lang mogelijk wordt
uitgesteld, of als het kan helemaal niet plaats vindt. Er wordt ook een
beroep gedaan op de sociale omgeving van de ouderen gedaan. Ook
vrijwilligerswerk wordt gepromoot.
Coping resources: Het lijden aan een ziekte wordt verlicht of zelf teniet
wordt gedaan door enerzijds de sociale steun van de partner, familie en
vrienden en anderzijds de (persoonlijke hulpbronnen= coping resources).
, Met andere woorden: er is verschil tussen de feitelijke
gezondheidstoestand en de subjectieve ervaring daarvan
Welzijn: Heeft betrekking op het hele complex van lichamelijke,
geestelijke en sociale factoren dat uiteindelijk de uitkomst bepaald van de
vraag: heeft het leven mij nog genoeg te bieden als ik alle positieve en
negatieve factoren tegen elkaar afweeg?
WMO: Wet maatschappelijke ondersteuning. regelt dat mensen met een
beperking ondersteuning kunnen krijgen. Het kan gaan om ouderen,
gehandicapten of mensen met psychische problemen. Zij krijgen
bijvoorbeeld huishoudelijke hulp of een rolstoel. Gemeenten voeren de
Wmo uit. Zij bepalen zelf op welke manier ze dat doen
PGB – indicatiestelling: de cliënt organiseert zelf de zorgverlening
CIZ: Centrum Indicatiestelling Zorg. Onafhankelijke organisatie die
aanvragen voor zorg, wonen of welzijn beoordeelt in het kader van de
AWBZ
AWBZ: Algemene wet bijzondere ziektekosten. Geldt voor alle leeftijden,
maar een groot deel van de cliënten zijn ouderen. Degene die een
indicatie vaststelt is meestal een maatschappelijk werker. De AWBZ
onderscheidt 5 soorten zorg:
- Persoonlijke verzorging: hulp bij douchen, aankleden,
medicijngebruik etc.
- Verpleging: wondverzorging, injecties
- Begeleiding: ondersteuning bij de organisatie van het dagelijks
leven
- Verblijf: tijdelijk of permanent verblijf in een zorginstelling
- Behandeling: revalidatie, (val)preventie, verbeteren van
vaardigheden en gedrag
Processen van ouder worden
Somatisch: lichamelijke ziekten zoals hart- en vaatziekten of kanker
Psychisch: bijv. trauma’s of depressie
Psychogeriatrisch: vormen van dementie
Mantelzorg: levenspartner, dochter/zoon of andere familielid, buren die
voor de oudere zorgt
Curatieve hulpverlening: Dit is de hulpverlening die erop gericht is,
bepaalde problemen van mensen te verkleinen of op te lossen
Emancipatie ouderen: De samenleving leert anders tegen ouderen aan
te kijken.
Intramurale voorzieningen: 24 uur per dag in een zorginstelling zoals
ziekenhuis, verzorgingstehuis of verpleeghuis