SPECIALISATIELESSEN ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
1. DE MOTORISCHE ONTWIKKELING
1.1 DE GEBOORTE
1.1.1 VAN FOETUS TOT NEONAAT
apgar-score = standaard meetsysteem waarmee gezondheid van de neonatus wordt bepaald
o Huidskleur
o Hartslag
o Reflexen
o Spierspanning
o Ademhaling
Anoxia = zuurstofgebrek
o Kan leiden tot hersenbeschadiging
Hersencellen sterven af
Bloedingen
1.1.2 COMPLICATIES BIJ GEBOORTE
PREMATURE BABY ’ S
er is een dalende trend in prenatale sterftes in de Westerse landen
o meer medische begeleiding
o preventie van wiegendood
premature baby = een baby die wordt geboren voor 38 weken na de conceptie
baby met een laag geboortegewicht = baby’s die minder wegen dan 2500g
dysmature of groei vertraagde baby = wanneer het gewicht van een baby afwijkt van de levensduur
waarom worden baby’s te vroeg / te laat geboren?
o Tienermoeders zijn vaak nog onrijp qua gyneacologische organen
o Wanneer je opnieuw zwanger wordt binnen een half jaar na de vorige zwangerschap
o De algemene gezondheid van de mama
Leeftijd
Voeding
Kwaliteit van medische zorg
…
o Etnische minderheidsgroepen die een lager inkomen hebben en dus minder goede medische
zorg hebben
POSTMATURE BABY ’ S
postmature baby’s = wanneer een zwangerschap langer duurt dan 42 weken
o mogelijke risico’s
bloedtoevoer naar de placenta
vermindert
de bevalling wordt riskanter
1
,1.2 BABYTIJD
1.2.1 REFLEXEN
reflex = niet-aangeleerde, gestructureerde onvrijwillige respons die automatisch optreedt in de aanwezigheid
van bepaalde stimuli
Voorbijgaande reflexen Blijvende reflexen
Zoekreflex of rootingreflex = neiging om het hoofd in Schrikreflex = armen en vingers spreiden en rug
de richting te draaien van dingen die de wang raken overstrekken in reactie op een plotseling geluid
Stapreflex = beweging van de benen wanneer de Knipperreflex = de ogen snel sluiten en openen bij
baby rechtop wordt gehouden en zijn voeten de blootstelling aan direct licht
grond raken
Tonische nekreflex = reflex die voorkomt dat de baby Zuig- en slikreflex = neiging om te zuigen aan dingen
omrolt die de lippen raken
Grijpreflex = de reflex om dingen in de omgeving te Kokhalsreflex = de keel vrijmaken
grijpen
Zwemreflex = neiging om zwembewegingen te
maken met de armen en de benen als de baby met
zijn gezicht naar beneden in het water ligt
Moro-reflex = als de ondersteuning voor de nek en
het hoofd plotseling verdwijnt, spreiden de armen
zich en lijken ze zich vervolgens ergens aan vast te
willen klampen
Babinski reflex = spreiden van de tenen in reactie op
een aanraking van de buitenkant van de voet
1.2.2 MOTORISCHE ONTWIKKELING BIJ BABY’ S – FYSIEKE MIJLPALEN
kijkstadium
o rug- en buikliggen gaat spontaan
o zittende en stappende houding
nog niet spontaan
o van passief armen en benen optrekken ga je nu actiever buigen en strekken
o hoofdje optillen wanneer het op de buik ligt
o gesloten vuistjes met grijpreflex
o hand openen
o van ongecoördineerde oogbewegingen naar echt dingen volgen met de ogen
grijpstadium
o symmetrische houding bij rugligging
o probeert van rug naar buik te komen
o beweeglijker
o bij buikligging kan er gesteund worden op de armen om zo rond te kijken
o zitten kan met veel steun
o betere oog-hand-coördinatie
o 180° zich in rugligging
o Fijne motoriek gaat nog moeilijk
Zitstadium
2
, o Rollen van de rug naar de buik
o Los zitten
o Zitten
o Grove voorwerpen oppakken, vasthouden en van hand verwisselen
o Grijpen met duim en wijsvinger
Kleine voorwerpen zijn nog moeilijk
Kruipstadium
o Kruipen
o Pincetgreep met duim en wijsvinger
Loopstadium
o Ondersteund aan beide handen
o Rond 1 jaar kan het kind stappen met 1 hand los
o Voorwerpen met vingers vasthouden
1.2.3 DE ONTWIKKELING EN COÖRDINATIE VAN MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
dynamische systeemtheorie = theorie die de ontwikkeling van een kind ziet als een dynamisch systeem – alles
ontwikkeld zich tegelijk en hang nauw samen met de ervaringen die het kind opdoet
o Centraal staat de stimulatie van de motorische ontwikkeling
Men zegt dat een gemotiveerd kind zich sneller zal ontwikkelen
Verklaart de individuele verschillen tussen kinderen
Ontwikkelingsnormen
o Normen = de gemiddelde prestatie van een grote steekproef van kinderen van een bepaalde
leeftijd
MAAR er zijn grote individuele verschillen in leeftijd waarop kinderen een mijlpaal
behalen
Grote cultuurvariaties
1.3 PEUTER- EN KLEUTERTIJD
1.3.1 HET GROEIENDE LICHAAM
veel individuele verschillen in lengte en gewicht
o gestage toename in lengte en gewicht
o meer verschillen tussen jongens en meisjes
o verandering in lichaamsvormen en verhoudingen
5-6 jaar
Ledematen worden langer
Kinderen worden slanker
Hoofd krijgt meer normale proporties
Spierweefsel neemt toe
Botten worden steviger
1.3.2 DE GROEIENDE HERSENEN
de hersenen groeien het snelst van alle lichaamsdelen
o toename van het aantal verbindingen tussen neuronen
o toename van myeline cognitieve en motorische vooruitgang
o lateralisatie = proces waarbij bepaalde functies eerder hun plek vinden in de een hersenhelft
dan in de andere
LH
Taken waarvoor verbale competentie nodig is
3
1. DE MOTORISCHE ONTWIKKELING
1.1 DE GEBOORTE
1.1.1 VAN FOETUS TOT NEONAAT
apgar-score = standaard meetsysteem waarmee gezondheid van de neonatus wordt bepaald
o Huidskleur
o Hartslag
o Reflexen
o Spierspanning
o Ademhaling
Anoxia = zuurstofgebrek
o Kan leiden tot hersenbeschadiging
Hersencellen sterven af
Bloedingen
1.1.2 COMPLICATIES BIJ GEBOORTE
PREMATURE BABY ’ S
er is een dalende trend in prenatale sterftes in de Westerse landen
o meer medische begeleiding
o preventie van wiegendood
premature baby = een baby die wordt geboren voor 38 weken na de conceptie
baby met een laag geboortegewicht = baby’s die minder wegen dan 2500g
dysmature of groei vertraagde baby = wanneer het gewicht van een baby afwijkt van de levensduur
waarom worden baby’s te vroeg / te laat geboren?
o Tienermoeders zijn vaak nog onrijp qua gyneacologische organen
o Wanneer je opnieuw zwanger wordt binnen een half jaar na de vorige zwangerschap
o De algemene gezondheid van de mama
Leeftijd
Voeding
Kwaliteit van medische zorg
…
o Etnische minderheidsgroepen die een lager inkomen hebben en dus minder goede medische
zorg hebben
POSTMATURE BABY ’ S
postmature baby’s = wanneer een zwangerschap langer duurt dan 42 weken
o mogelijke risico’s
bloedtoevoer naar de placenta
vermindert
de bevalling wordt riskanter
1
,1.2 BABYTIJD
1.2.1 REFLEXEN
reflex = niet-aangeleerde, gestructureerde onvrijwillige respons die automatisch optreedt in de aanwezigheid
van bepaalde stimuli
Voorbijgaande reflexen Blijvende reflexen
Zoekreflex of rootingreflex = neiging om het hoofd in Schrikreflex = armen en vingers spreiden en rug
de richting te draaien van dingen die de wang raken overstrekken in reactie op een plotseling geluid
Stapreflex = beweging van de benen wanneer de Knipperreflex = de ogen snel sluiten en openen bij
baby rechtop wordt gehouden en zijn voeten de blootstelling aan direct licht
grond raken
Tonische nekreflex = reflex die voorkomt dat de baby Zuig- en slikreflex = neiging om te zuigen aan dingen
omrolt die de lippen raken
Grijpreflex = de reflex om dingen in de omgeving te Kokhalsreflex = de keel vrijmaken
grijpen
Zwemreflex = neiging om zwembewegingen te
maken met de armen en de benen als de baby met
zijn gezicht naar beneden in het water ligt
Moro-reflex = als de ondersteuning voor de nek en
het hoofd plotseling verdwijnt, spreiden de armen
zich en lijken ze zich vervolgens ergens aan vast te
willen klampen
Babinski reflex = spreiden van de tenen in reactie op
een aanraking van de buitenkant van de voet
1.2.2 MOTORISCHE ONTWIKKELING BIJ BABY’ S – FYSIEKE MIJLPALEN
kijkstadium
o rug- en buikliggen gaat spontaan
o zittende en stappende houding
nog niet spontaan
o van passief armen en benen optrekken ga je nu actiever buigen en strekken
o hoofdje optillen wanneer het op de buik ligt
o gesloten vuistjes met grijpreflex
o hand openen
o van ongecoördineerde oogbewegingen naar echt dingen volgen met de ogen
grijpstadium
o symmetrische houding bij rugligging
o probeert van rug naar buik te komen
o beweeglijker
o bij buikligging kan er gesteund worden op de armen om zo rond te kijken
o zitten kan met veel steun
o betere oog-hand-coördinatie
o 180° zich in rugligging
o Fijne motoriek gaat nog moeilijk
Zitstadium
2
, o Rollen van de rug naar de buik
o Los zitten
o Zitten
o Grove voorwerpen oppakken, vasthouden en van hand verwisselen
o Grijpen met duim en wijsvinger
Kleine voorwerpen zijn nog moeilijk
Kruipstadium
o Kruipen
o Pincetgreep met duim en wijsvinger
Loopstadium
o Ondersteund aan beide handen
o Rond 1 jaar kan het kind stappen met 1 hand los
o Voorwerpen met vingers vasthouden
1.2.3 DE ONTWIKKELING EN COÖRDINATIE VAN MOTORISCHE VAARDIGHEDEN
dynamische systeemtheorie = theorie die de ontwikkeling van een kind ziet als een dynamisch systeem – alles
ontwikkeld zich tegelijk en hang nauw samen met de ervaringen die het kind opdoet
o Centraal staat de stimulatie van de motorische ontwikkeling
Men zegt dat een gemotiveerd kind zich sneller zal ontwikkelen
Verklaart de individuele verschillen tussen kinderen
Ontwikkelingsnormen
o Normen = de gemiddelde prestatie van een grote steekproef van kinderen van een bepaalde
leeftijd
MAAR er zijn grote individuele verschillen in leeftijd waarop kinderen een mijlpaal
behalen
Grote cultuurvariaties
1.3 PEUTER- EN KLEUTERTIJD
1.3.1 HET GROEIENDE LICHAAM
veel individuele verschillen in lengte en gewicht
o gestage toename in lengte en gewicht
o meer verschillen tussen jongens en meisjes
o verandering in lichaamsvormen en verhoudingen
5-6 jaar
Ledematen worden langer
Kinderen worden slanker
Hoofd krijgt meer normale proporties
Spierweefsel neemt toe
Botten worden steviger
1.3.2 DE GROEIENDE HERSENEN
de hersenen groeien het snelst van alle lichaamsdelen
o toename van het aantal verbindingen tussen neuronen
o toename van myeline cognitieve en motorische vooruitgang
o lateralisatie = proces waarbij bepaalde functies eerder hun plek vinden in de een hersenhelft
dan in de andere
LH
Taken waarvoor verbale competentie nodig is
3