HR 10 juni 1910, W. 9038 (Zutphense juffrouw)
- Een vrouw wilde haar huis verwarmen met gas, maar de gasleiding van de buren liep
door haar kelder. Toen de buren weigerden de leiding te repareren, draaide zij de
kraan dicht, waardoor haar buren zonder gas kwamen te zitten. De rechtsvraag hier:
had de juffrouw onrechtmatig gehandeld tegenover haar buren? De Hoge Raad
oordeelde dat er geen sprake was van een doen of nalaten in strijd met hetgeen
volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dus was er
geen sprake van een onrechtmatige daad. Ze had namelijk geen wettelijke plicht om
de buren te helpen. Er was alleen sprake van niet helpen, niet van actief schade
toebrengen.
HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum/Cohen)
- Cohen, een drukker, liet een werknemer van zijn concurrent Lindenbaum stiekem
zakelijke informatie doorspelen zoals klantenbestanden en offertes. Lindenbaum liep
hierdoor schade op en stapte naar de rechter. De Hoge Raad oordeelde dat een
onrechtmatige daad niet alleen een wetsinbreuk is, maar ook: ‘’een handelen of
nalaten in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt
(de zorgvuldigheidsnorm).’’Cohen handelde dus onrechtmatig, omdat hij in strijd met
de goede zeden en zorgvuldigheid handelde door opzettelijk informatie te stelen via
een werknemer van de concurrent.
HR 5 november 1965, NJ 1966/136 (Kelderluik)
- Een medewerker van Coca-Cola liet in een café een kelderluik openstaan om drank te
leveren. Een bezoeker van het café had dat niet gezien, viel in het gat en raakte
gewond. De rechtsvraag hier is: was het openlaten van het luik gevaarzettend gedrag
en wanneer is iemand onvoorzichtig of onzorgvuldig tegenover anderen, dus
wanneer is er sprake van een onrechtmatige daad? Om te bepalen of gedrag
onrechtmatig gevaarzettend is, moet er gekeken worden naar vier criteria. Deze
worden de kelderluikcriteria factoren genoemd:
1. De kans dat iemand niet de vereiste oplettendheid of voorzichtigheid zal betrachten;
2. De kans dat daaruit een ongeval ontstaat;
3. De ernst van de mogelijke gevolgen;
4. De bezwaarlijkheid van het nemen van veiligheidsmaatregelen.
Dit arrest geeft de zorgvuldigheidscriteria voor gevaarzettend gedrag.
HR 22 november 1974, NJ 1975/149 (Struikelende broodbezorger)
- Een broodbezorger struikelde over een door kinderen gespannen draadje door en
kwam daardoor vervolgens ten val. De rechtsvraag hier is of de kinderen
onrechtmatig hebben gehandeld jegens de broodbezorger door hem niet te
waarschuwen voor het geval. De Hoge Raad beantwoordde de vraag: wanneer
spreken we van een ‘daad’ in de zin van art. 6:162 BW? Dit kan worden
onderverdeeld in een doen of in een nalaten. Het vereiste is dat het risico tot het
, bewustzijn van de toeschouwer is doorgedrongen. In dit geval oordeelde de Hoge
Raad dat er sprake van een zuiver nalaten. Het gedrag van de kinderen kan dus niet
als onrechtmatig worden beschouwd.
HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 (Maas/Willems)
- Vervoerder Willems eist schadevergoeding van concurrent Maas. Maas brengt
namelijk vrachtprijzen in rekening die lager zijn dan de wettelijk vastgestelde
minimumtarieven (in strijd met een tariefbeschikking). Hetzij iedere plicht
omschreven in een algemeen verbindend voorschrift. Hierdoor verliest Willems een
belangrijke klant aan Maas. Is er sprake van in strijd met een wettelijke plicht? Niet
als degene die zich op schending van de wettelijke norm beroept zich door eigen
gedrag aan bescherming van de norm heeft onttrokken. De Hoge Raad oordeelde dus
dat de overtreding van een wettelijk tariefvoorschrift door een concurrent niet reeds
op zichzelf en zonder meer leidt tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad jegens
een andere concurrent. Er was hier geen sprake van onrechtmatigheid.
HR 11 november 1983, NJ 1984/331 (Meppelse Ree)
- Een automobilist reed s ’nachts door Meppel en botste met een ree die de weg
overstak. De ree werd opgeschrikt door de lampen van een politieauto. De eigenaar
van de auto eiste schadevergoeding van de politie, omdat de agenten volgens hem
onzorgvuldig hadden gehandeld. Is de overheid aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door wild dat schrikt van haar handelingen art. 6:162 lid 3 BW? De Hoge
Raad oordeelde: nee, niet elke onvoorzienbare keten van gebeurtenissen leidt tot
aansprakelijkheid. Er was geen sprake van schending van een zorgvuldigheidsnorm
tegenover de automobilist.
HR 19 oktober 1990, NJ 1992/621 (Tennisbal)
- Is het slaan van een tennisbal door een kind (tien jaar oud), waarbij een ander per
ongeluk wordt geraakt, een onrechtmatige daad? De ouders van het gewonde kind
stelden de ouders van de spelende jongen aansprakelijk op grond van artikel 6:162
BW. De Hoge Raad benadrukt dat er sprake is van een onrechtmatige daad als de
gedraging buiten de normale grenzen van spel gaat. De deelnemers aan een sport
hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over
en weer van elkaar te verwachten. Dat was hier NIET aan de orde.
HR 28 juni 1991, NJ 1992/622 (Natraparrest)
Tijdens een voetbalwedstrijd speelde een speler de bal, maar nadat de bal al weg was, gaf hij
nog een trap tegen het been van de tegenstander. Is het natrappen tijdens sport en spel een
onrechtmatige daad? Voor deelnemers van een sport geldt een verhoogde drempel van
aansprakelijkheid. LET OP: dit geldt NIET voor organisatoren. Zij hebben een verhoogde
zorgplicht. De Hoge Raad oordeelde hier dat er WEL sprake was van een onrechtmatige daad.
Het natrappen viel buiten de normale grenzen van sportief gedrag, waardoor de speler
aansprakelijk was. Bij sport en spel geldt een bijzondere standaard:
1. Risico’s inherent aan de sport worden geaccepteerd.