Betrouwbaarheids- en Validiteitonderzoek van de Strengths and Difficulties
Questionnaire
Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam
Meten en Diagnostiek 1
, Methode
Voor het onderzoek is gebruikt gemaakt van de Strengths en Difficulties Questionnaire
(Goodman, 1997), ook wel de SDQ-vragenlijst genoemd. Hierbij beantwoorden ouders 25
items over hun kind. Vanaf 11 jaar mag het kind zelf de vragenlijst invullen onder begeleiding
van een volwassene.
In totaal hebben er 606 participanten de SDQ-vragenlijst ingevuld, versie
ouderrapportage voor 4 tot 17-jarigen, zonder impactbehandeling. De steekproef had een
leeftijd range van 7.00 – 11.64 jaar (M = 9.03 en SD = 1.25). De 606 participanten bestaan uit
50.8% jongens en 49.2% meisjes.
De vragenlijst is onderverdeeld in subschalen, met elk 5 items: 1. de emotionele
problemen schaal (items 3, 8, 13, 16 en 24) 2. gedragsproblemen schaal (items 5, 7, 12, 18 en
22), 3. hyperactiviteit schaal (item 2, 10, 15, 21 en 25), 4. problemen met leeftijdsgenoten
schaal (items 6, 11, 14, 19 en 23) en 5. prosociaal gedrag schaal (items 1, 4, 9, 17 en 20).
Subschalen 1 tot en met 4 vormen samen de totale probleemschaal. Een van de stellingen uit
deze vragenlijst is bijvoorbeeld item 10: ‘’Is constant aan het wiebelen of friemelen.’’
De items beantwoordt men met: niet waar, een beetje waar of zeker waar. Waarbij
‘’een beetje waar’’ altijd een score van 1 krijgt. ‘’Niet waar’’ krijgt een score van 0 en ‘’zeker
waar’’ krijgt een score van 2. Behalve de positief benaderde items (7, 11, 14, 21 en 25) deze
worden omgescoord volgens de handleiding, zoals item 7: ‘’Doorgaans gehoorzaam, doet
gewoonlijk wat volwassenen vragen.’’ De minimale score op een item is 0 en de maximale
score is 2. De theoretische haalbare score van de totale SDQ is 50. De scores worden
berekend door een somscore van de ingevulde scores (Nederlands Jeugdinstituut, z.d.).
De totale probleemschaal bestaat uit 20 items, zoals item 11: ‘’Heeft minstens één
goede vriend of vriendin.’’ Hiervan is de minimale score (20x0) 0 en de maximale score
(20x2) 40. De subschaal prosociaal gedrag bestaat uit 5 items, waaronder item 1: ‘’Houdt
rekening met gevoelens van anderen.’’ Waarbij de minimale score (5x0) 0 en de maximale
score (5x2) 10 is. Daarnaast geldt voor de subschaal hyperactiviteit, bestaande uit 5 items een
minimale score (5x0) 0 is en de maximale score (5x2) 10. Dit wil zeggen hoe hoger de score,
hoe hoger de mate van hyperactiviteit bij het kind. Dit blijkt bijvoorbeeld uit item 10:
‘’Constant aan het wiebelen of friemelen.’’ Voor de totale probleemschaal geldt hoe hoger de
score, hoe meer problemen het kind heeft of ervaart. Voor de prosociaal gedrag schaal geldt
hoe hoger de score, hoe meer prosociaal gedrag het kind laat zien. Het is dus wenselijk een
Questionnaire
Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam
Meten en Diagnostiek 1
, Methode
Voor het onderzoek is gebruikt gemaakt van de Strengths en Difficulties Questionnaire
(Goodman, 1997), ook wel de SDQ-vragenlijst genoemd. Hierbij beantwoorden ouders 25
items over hun kind. Vanaf 11 jaar mag het kind zelf de vragenlijst invullen onder begeleiding
van een volwassene.
In totaal hebben er 606 participanten de SDQ-vragenlijst ingevuld, versie
ouderrapportage voor 4 tot 17-jarigen, zonder impactbehandeling. De steekproef had een
leeftijd range van 7.00 – 11.64 jaar (M = 9.03 en SD = 1.25). De 606 participanten bestaan uit
50.8% jongens en 49.2% meisjes.
De vragenlijst is onderverdeeld in subschalen, met elk 5 items: 1. de emotionele
problemen schaal (items 3, 8, 13, 16 en 24) 2. gedragsproblemen schaal (items 5, 7, 12, 18 en
22), 3. hyperactiviteit schaal (item 2, 10, 15, 21 en 25), 4. problemen met leeftijdsgenoten
schaal (items 6, 11, 14, 19 en 23) en 5. prosociaal gedrag schaal (items 1, 4, 9, 17 en 20).
Subschalen 1 tot en met 4 vormen samen de totale probleemschaal. Een van de stellingen uit
deze vragenlijst is bijvoorbeeld item 10: ‘’Is constant aan het wiebelen of friemelen.’’
De items beantwoordt men met: niet waar, een beetje waar of zeker waar. Waarbij
‘’een beetje waar’’ altijd een score van 1 krijgt. ‘’Niet waar’’ krijgt een score van 0 en ‘’zeker
waar’’ krijgt een score van 2. Behalve de positief benaderde items (7, 11, 14, 21 en 25) deze
worden omgescoord volgens de handleiding, zoals item 7: ‘’Doorgaans gehoorzaam, doet
gewoonlijk wat volwassenen vragen.’’ De minimale score op een item is 0 en de maximale
score is 2. De theoretische haalbare score van de totale SDQ is 50. De scores worden
berekend door een somscore van de ingevulde scores (Nederlands Jeugdinstituut, z.d.).
De totale probleemschaal bestaat uit 20 items, zoals item 11: ‘’Heeft minstens één
goede vriend of vriendin.’’ Hiervan is de minimale score (20x0) 0 en de maximale score
(20x2) 40. De subschaal prosociaal gedrag bestaat uit 5 items, waaronder item 1: ‘’Houdt
rekening met gevoelens van anderen.’’ Waarbij de minimale score (5x0) 0 en de maximale
score (5x2) 10 is. Daarnaast geldt voor de subschaal hyperactiviteit, bestaande uit 5 items een
minimale score (5x0) 0 is en de maximale score (5x2) 10. Dit wil zeggen hoe hoger de score,
hoe hoger de mate van hyperactiviteit bij het kind. Dit blijkt bijvoorbeeld uit item 10:
‘’Constant aan het wiebelen of friemelen.’’ Voor de totale probleemschaal geldt hoe hoger de
score, hoe meer problemen het kind heeft of ervaart. Voor de prosociaal gedrag schaal geldt
hoe hoger de score, hoe meer prosociaal gedrag het kind laat zien. Het is dus wenselijk een