3.1 Leenheren en leenmannen
- Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
De eenheid en het bestuur in het Romeinse Rijk verdween en daarvoor in de plaats kwamen
kleine en tijdelijke koninkrijken, die onderling vaak oorlog voerden. Rond 800 had de
Frankische koning Karel de Grote zo’n groot rijk veroverd, dat hij tot Keizer werd gekroond.
Na zijn dood viel zijn rijk uiteen. Vorsten probeerde de controle over hun gebieden te houden
door mensen aan zich te binden met een eed van trouw, in ruil voor een leen/feodum. Zo
ontstond het feodalisme of leenstelsel, de bestuursvorm van de Middeleeuwen.
Gallo-Romeinen en Franken
In Gallië was het christendom de staatsgodsdienst. Ook de cultuur, het bestuur en de
economie waren volledig Romeins. In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen van het
Romeinse Rijk weg. Germaanse stammen die niet waren geromaniseerd trokken in zulke
grote aantallen de provincies binnen, dat we spreken van volksverhuizingen. Velen
sloegen op de vlucht en lieten hun landbouwgronden en steden onbeheerd achter. Er
ontstonden hongersnoden en overal werd geplunderd. In Gallië waren het vooral Franken
die de gebieden innamen. Als krijgsheren heersten zij over een bevolking van Gallo-
Romeinen en hun eigen stamgenoten. De Germanen namen ook veel van de Romeinse
leefwijze over.
Het feodalisme ontstaat.
In 481 nam de Clovis de leiding van zijn familie over. Na 20 jaar kon hij zich koning der
Franken noemen. Om een groot gebied te veroveren en te behouden, had Clovis de steun
van zijn krijgslieden, vazallen, nodig. Na zijn dood werd zijn rijk verdeeld over zijn zonen,
maar uiteindelijk kwam de macht in handen van Karel Martel. Hij had een leger van ruiters
nodig om zijn oorlogen te kunnen voeren. Wanneer de koning deze mannen aan zich wilde
binden, moest hij hen belonen met land, een leen/feodum. Hieruit ontstond het feodalisme
of leenstelsel. De koning was dan de leenheer en de ridder de leenman.
Karel de Grote
Onder Karel de Grote werd het leenstelsel verder uitgebouwd. Hij verdeelde zijn rijk in 400
graafschappen. Om deze graven te controleren, stelde Karel zendgraven aan die door het
koninkrijk reisde om de leenmannen te controleren, de wetten van de koning bekend te
maken en toe te zien op de naleving hiervan. Door zijn gebiedsuitbreiding en goed
georganiseerde bestuur kreeg Karel veel aanzien. In 773 riep de paus hem te hulp toen
Rome werd aangevallen. In 800 werd Karel door de paus tot keizer gekroond.
Het Byzantijnse Rijk
Het Byzantijnse Rijk was oorspronkelijk de oostelijke helft van het Romeinse Rijk.
Gedurende de Middeleeuwen kwam Constantinopel, later Byzantium, tot grote culturele en
economische bloei. De stad lag gunstig aan de doorgang tussen de Middellandse en de
Zwarte Zee. Omdat zijn rijk verzwakt was door interne conflicten moest de Byzantijnse
keizer in 800 accepteren dat ook Karel de Grote zich nu keizer kon noemen.
De zwakte van het leenstelsel
Bij de dood van een leenman wilde hij zijn gebied graag nalaten aan zijn zoon. Dit stelde de
koning voor een probleem. Als hij dit toestond verloor hij de controle over het gebied, maar
als hij weigerde kon hij in conflict komen met de leenman. En zijn leenmannen had hij nodig
om zijn rijk te besturen en te verdedigen. Onder zwakke koningen werden de leenmannen
almaar machtiger en verloor de koning steeds meer de controle.
- Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
De eenheid en het bestuur in het Romeinse Rijk verdween en daarvoor in de plaats kwamen
kleine en tijdelijke koninkrijken, die onderling vaak oorlog voerden. Rond 800 had de
Frankische koning Karel de Grote zo’n groot rijk veroverd, dat hij tot Keizer werd gekroond.
Na zijn dood viel zijn rijk uiteen. Vorsten probeerde de controle over hun gebieden te houden
door mensen aan zich te binden met een eed van trouw, in ruil voor een leen/feodum. Zo
ontstond het feodalisme of leenstelsel, de bestuursvorm van de Middeleeuwen.
Gallo-Romeinen en Franken
In Gallië was het christendom de staatsgodsdienst. Ook de cultuur, het bestuur en de
economie waren volledig Romeins. In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen van het
Romeinse Rijk weg. Germaanse stammen die niet waren geromaniseerd trokken in zulke
grote aantallen de provincies binnen, dat we spreken van volksverhuizingen. Velen
sloegen op de vlucht en lieten hun landbouwgronden en steden onbeheerd achter. Er
ontstonden hongersnoden en overal werd geplunderd. In Gallië waren het vooral Franken
die de gebieden innamen. Als krijgsheren heersten zij over een bevolking van Gallo-
Romeinen en hun eigen stamgenoten. De Germanen namen ook veel van de Romeinse
leefwijze over.
Het feodalisme ontstaat.
In 481 nam de Clovis de leiding van zijn familie over. Na 20 jaar kon hij zich koning der
Franken noemen. Om een groot gebied te veroveren en te behouden, had Clovis de steun
van zijn krijgslieden, vazallen, nodig. Na zijn dood werd zijn rijk verdeeld over zijn zonen,
maar uiteindelijk kwam de macht in handen van Karel Martel. Hij had een leger van ruiters
nodig om zijn oorlogen te kunnen voeren. Wanneer de koning deze mannen aan zich wilde
binden, moest hij hen belonen met land, een leen/feodum. Hieruit ontstond het feodalisme
of leenstelsel. De koning was dan de leenheer en de ridder de leenman.
Karel de Grote
Onder Karel de Grote werd het leenstelsel verder uitgebouwd. Hij verdeelde zijn rijk in 400
graafschappen. Om deze graven te controleren, stelde Karel zendgraven aan die door het
koninkrijk reisde om de leenmannen te controleren, de wetten van de koning bekend te
maken en toe te zien op de naleving hiervan. Door zijn gebiedsuitbreiding en goed
georganiseerde bestuur kreeg Karel veel aanzien. In 773 riep de paus hem te hulp toen
Rome werd aangevallen. In 800 werd Karel door de paus tot keizer gekroond.
Het Byzantijnse Rijk
Het Byzantijnse Rijk was oorspronkelijk de oostelijke helft van het Romeinse Rijk.
Gedurende de Middeleeuwen kwam Constantinopel, later Byzantium, tot grote culturele en
economische bloei. De stad lag gunstig aan de doorgang tussen de Middellandse en de
Zwarte Zee. Omdat zijn rijk verzwakt was door interne conflicten moest de Byzantijnse
keizer in 800 accepteren dat ook Karel de Grote zich nu keizer kon noemen.
De zwakte van het leenstelsel
Bij de dood van een leenman wilde hij zijn gebied graag nalaten aan zijn zoon. Dit stelde de
koning voor een probleem. Als hij dit toestond verloor hij de controle over het gebied, maar
als hij weigerde kon hij in conflict komen met de leenman. En zijn leenmannen had hij nodig
om zijn rijk te besturen en te verdedigen. Onder zwakke koningen werden de leenmannen
almaar machtiger en verloor de koning steeds meer de controle.